3. De sacramenten

De sacramenten

Omdat Rome de genade beschouwt als iets in de mens zelf (en niet als iets buiten de mens, zoals de Bijbel leert, nl. Gods genade voor ons op grond van de goede werken van Jezus Christus), daarom leert Rome dat die genade door ceremonies (= de sacramenten) aan de mensen wordt overgedragen; vervolgens dat die genade, zijnde iets in de mens, weer verloren kan gaan en door een ander sacrament nl. de Biecht weer kan worden teruggeschonken.

Rome >

De Bijbel >

  • Concilie van Trente, zevende zitting: ‘Indien iemand beweert dat de genade niet wordt meegedeeld door de sacramenten van de Nieuwe Bedeling krachtens eigen werkzaamheid (ex opere operato) en dat daartegenover slechts het geloof in de goddelijke belofte voldoende is voor het verkrijgen van de genade, die zij vervloekt’ (canon 8).
  • ‘Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door zelf voor ons een vloek te worden … zodat wij de beloofde Geest zouden ontvangen door het geloof’ (Gal.3:13-14), (dus niet door de sacramenten). ‘Door de Geest is geopenbaard … dat de heidenen mede-erfgenamen zouden zijn, leden van hetzelfde lichaam en deelgenoten van de belofte in Christus Jezus door middel van het Evangelie’ (Ef.3:6), dus niet door middel van de sacramenten.

De babybesprenkeling (het Doopsel)

  • ‘Als iemand beweert dat het doopsel facultatief is, d.w.z. dat het doopsel niet noodzakelijk zou zijn voor de zaligheid, die zij vervloekt’ (canon 5).
  • ‘Wie wie niet tot geloof komt, zal veroordeeld worden’ (Marc.16:16). Daar staat dus niet: ‘Wie niet gedoopt is, zal veroordeeld worden.’

Het Vormsel

  • Het Vormsel is een sacrament dat krachtens eigen werkzaamheid de volheid van de Geest schenkt. ‘Indien iemand beweert dat zij die aan de heilige zalving van het Vormsel enige kracht toeschrijven, onrecht doen aan de Heilige Geest, die zij vervloekt’ (canon 2). 
  • Nergens lezen we in het N.T. dat de volheid van de Geest wordt geschonken door een zalving, wel dat die volheid wordt meegedeeld bij gelegenheid van een handoplegging, maar niet altijd, bv.: ‘Petrus was nog aan het woord toen de heilige Geest neerdaalde op allen die naar zijn toespraak luisterden’ (Hand.10:44). En dat is ook in overeenstemming met: ‘Dit alles is het werk van één en dezelfde Geest, die aan ieder zijn gaven uitdeelt zoals Hij het wil’ (1 Kor.12:11), dus niet zoals pausen het willen.

De Eucharistie (Het Avondmaal)

Over de tegenwoordigheid van Christus in brood en wijn:

  • Concilie van Trente, dertiende zitting: ‘Als iemand die wonderbare en unieke verandering loochent van de gehele substantie van het brood in het lichaam en van de gehele substantie van de wijn in het bloed, terwijl slechts de gedaanten van brood en wijn overblijven – welke verandering door de Katholieke Kerk zeer juist met de term ‘transsubstantiatie’ wordt aangeduid -, die zij vervloekt’ (canon 2).
  • Als Christus bij de instelling van het Avondmaal zo’n stukje filosofie beoogde, hoe kon Hij dan bidden: ‘Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U dit verborgen hebt voor wijzen en verstandigen en het onthuld hebt aan eenvoudigen’ (Mat.11: 25)? ‘Eenvoudigen’ begrijpen deze filosofie van de heiden Aristoteles niet. Christus zei ook: ‘Ik ben de deur, de wijnstok.’ Veranderde Hij daardoor in een deur of in een wijnstok?
  • ‘Als iemand ontkent dat in het sacrament van de Eucharistie het lichaam en bloed van Jezus Christus … waarlijk, werkelijk en wezenlijk tegenwoordig is, die zij vervloekt’ (canon 1).
  • Na de rede waarin Jezus sprak over het eten van zijn vlees en het drinken van zijn bloed gaf Hijzelf deze verklaring: ‘De woorden die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven.’ ‘Het vlees is van geen nut’ (Joh.6:63). Hij zegt dus Zelf dat we zijn woorden niet letterlijk, maar geestelijk moeten opvatten.

Over de communie onder twee gedaanten:

  • (21ste zitting): ‘Indien iemand beweert dat de gelovigen krachtens een bevel Gods … het sacrament van de Eucharistie moeten nuttigen onder beide gedaanten (= brood én wijn), die zij vervloekt’ (canon 1).
  • ‘Ook nam Hij een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun die met de woorden: ‘Drink er allen uit’ (Matth.26:27).

Over de mis als offer:

  • (22ste zitting): ‘Als iemand beweert dat in de mis niet een echt en waar offer aan God wordt opgedragen, die zij vervloekt’ (canon 1).
  • ‘Want door één offer heeft Hij voor altijd hen die zich laten heiligen tot volmaaktheid gebracht.’ (Hebr.10:14). ‘Het is het lot van de mens eenmaal te sterven en daarna komt het oordeel; zo is ook Christus eenmaal geofferd, om de zonden van allen op zich te nemen’ (Hebr.9:27-28).
  • ‘Als iemand beweert dat Christus de apostelen niet tot priester zou hebben gewijd, zodat zij en andere priesters Zijn lichaam en bloed zouden offeren, die zij vervloekt’ (canon 2).
  • ‘Bovendien moesten bij hen (de priesters van het O.T.) vele priesters elkaar opvolgen, omdat de dood hun belette in functie te blijven; maar Zijn priesterschap is onvervreemdbaar, omdat Hij in eeuwigheid blijft’ (Hebr.7:23-24). ‘Hij daarentegen is voor altijd gezeten aan de rechterhand van God, eens en voorgoed, door één enkel offer voor de zonden te hebben gebracht’ (10:12). 

De Biecht

In de Bijbel lezen we steeds dat wij de vergeving ontvangen door het geloof in Christus. Johannes 20:23 moet dus verklaard worden vanuit Lukas 11:52.

  • Concilie van Trente, 14de zitting: ‘Als iemand ontkent dat de sacramentele Biecht krachtens goddelijk recht is ingesteld en noodzakelijk is tot het heil, die zij vervloekt’ (canon 6).
  • Nergens lezen we in de Bijbel over een verplichting om de zonden aan een ambtsdrager van de kerk te biechten. Wél: ‘Belijdt daarom elkaar uw zonden’ (Jak 5:16). Maar ‘elkaar’ is iets anders dan ‘een priester.’

Het Oliesel (De ziekenzalving)

  • Trente, 19de zitting: ‘Als iemand beweert dat de ceremonie van de laatste zalving geen genade meedeelt en niet de zonde vergeeft, die zij vervloekt’ (canon 2). ‘Als iemand beweert dat met de presbuteroi die volgens Jakobus de ziekenzalving moeten verrichten, alleen maar ouderen in leeftijd zijn bedoeld en niet priesters, die zij vervloekt’ (canon 4).
  • ‘Zij (de oudsten van de gemeente) moeten een gebed over hem uitspreken en hem met olie zalven in de naam van de Heer. En het gelovige gebed zal de zieke redden en de Heer zal hem oprichten. En als hij zonden heeft begaan, zal het hem vergeven worden. Belijd daarom elkaar uw zonden en bid voor elkaar, zodat u genezing vindt’ (Jak.5:14-16). ‘Het gelovige gebed’, dus niet de zalving zelf, ‘zal de zieke redden.’

Het priesterschap

  • Trente, 23ste zitting: ‘Omdat de Katholieke Kerk in het N.T. krachtens de instelling van de Heer het heilige, zichtbare offer van de Eucharistie heeft ontvangen, moet men eveneens erkennen dat in deze kerk ook een nieuw, zichtbaar en uiterlijk priesterschap aanwezig is, waarin het vroegere priesterschap is overgegaan’ (Hebr.7:12 e.v.) (Caput 1).
  • Het N.T. onderstreept juist herhaaldelijk dat Christus door één offer voor altijd hen, die in Hem geloven, gereinigd heeft van de zonde. ‘Hij hoeft ook niet, zoals de hogepriesters, elke dag opnieuw …. offers op te dragen ….. want dit heeft Hij eens en voorgoed gedaan, toen Hij zichzelf offerde’ (Hebr.7:27). Daarom kunnen wij slechts ‘geestelijke offers opdragen, die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus’ (1 Petr.2:5).
  • ‘Als iemand beweert dat alle christenen van het Nieuwe Testament zonder onderscheid priesters zijn … zo iemand doet niets anders dan de kerkelijke hiërarchie die is ‘als een in slagorde opgesteld leger’ (vlg. Hooglied 6:3) verwarren alsof, tegen de leer van de zalige Paulus, allen Apostelen, allen Profeten, allen Herders, allen Leraars zouden zijn’ (vgl. 1 Kor.12:29 en Ef. 4:11) (caput 4).
  • Inderdaad, op grond van de leer van Paulus aanvaarden wij dat er in de gemeente onderscheid is tussen de verschillende bedieningen en gaven die Christus aan zijn gemeente geschonken heeft. Maar onder die bedieningen die aan de één wel en aan de ander niet gegeven is, noemt hij juist niet het priesterschap. Dat is, ook volgens Paulus, zonder onderscheid aan elke gelovige geschonken. Daarom zegt hij tot iedereen: ‘Wijd uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, Hem welgevallig … Dat is de geestelijke eredienst, die u past’ (Rom.12:1).

Het huwelijk

  • Trente, 24ste zitting: ‘Als iemand beweert dat de Kerk niet de bevoegdheid bezit om beletselen uit te vaardigen, die een huwelijk ongeldig maken, die zij vervloekt’ (canon 4).
  • Nergens blijkt in de Bijbel dat de bevoegdheid om te bepalen, wanneer een huwelijk wél of niet geldig is, door Christus aan zijn gemeente zou zijn verleend. Die bevoegdheid wordt nu uitgeoefend door de burgerlijke overheid. En dan geldt: ‘Want de overheid staat in dienst van God, voor uw welzijn.’ ‘Ieder mens moet zich schikken naar de gezagdragers die boven hem staan.’ ‘Wie zich dus tegen het gezag verzet, verzet zich tegen Gods verordening’ (Rom.13:1-7). ‘Om dezelfde reden betaalt u ook belasting; de beambten staan in dienst van God’ (v.6).

Het concilie spreekt verder over degenen die dit niet aanvaarden aldus:

  • ‘Hiertegen zijn goddeloze mensen als waanzinnigen te keer gegaan.’ ‘Het heilige Concilie wilde deze driestheid tegemoet treden en besloot daarom tot het uitdrijven van de voornaamste ketterijen en dwalingen van voornoemde scheurmakers, door het uitvaardigen van de volgende vervloekingen tegen de ketters zelf en hun dwalingen.’

Daarom verzetten de pausen zich tegen de gezagsdragers die in dienst van God staan, wanneer zij zich wederrechtelijk de bevoegdheid over de huwelijkswetgeving toe-eigenen en die bevoegdheid zo aan de gezagsdragers van God ontroven.

  • ‘Indien iemand beweert … dat allen een huwelijk kunnen sluiten die voelen dat ze de gave der onthouding niet hebben (ook al hebben ze een gelofte van celibaat afgelegd), die zij vervloekt’ (canon 9).
  • ‘Het is beter te trouwen dan van begeerte te branden’ (1 Kor.7:9). Mag een kerk dat dan veranderen: ‘Het is beter te branden van begeerte (omdat men in jeugdige overmoed de gelofte van celibaat heeft afgelegd zonder de gave van onthouding te hebben ontvangen) dan te trouwen’?