Een geschiedenisles

Een blik op het oude catechumenaat in de r.-k. kerk

Een studie van de gebruiken in de eerste tijden van het christendom laat zien hoe men zeer zorgvuldig het onderwijs en de vorming van de doopkandidaten vorm gaf. Die studie maakt ook duidelijk wat er allemaal aan te pas kwam voordat een bekeerling zich ‘gelovig’ mocht noemen. De Heer Jezus sprak over een enge poort en een smalle weg die naar het leven leidt. Er zijn nu veel evangelisten en voorgangers die de poort héél erg wijd maken. Zij stellen amper meer voorwaarden tot de ‘bevordering tot de adelstand van het kindschap van God’. Onze Heer raadde kandidaat-gelovigen aan om zich neer te zetten en éérst de kosten te gaan berekenen: alles van ons in ruil voor alles van God.

De praktijk van vandaag is helaas maar al te vaak een luidruchtig jubelen als er weer emotionele, impulsieve, niet-doordachte bekeringsbesluiten genomen worden. Het verschijnsel – dat het ‘succes’ van een campagne wordt aangegeven door het aantal mensen, dat op een avond tot een beslissing is gekomen – is ons bekend. Een blik op het oude catechumenaat in de r.k. kerk kan ons veel leren. Veel ellende in het gemeenteleven kan voorkomen worden als men conclusies trekt uit de lessen van de geschiedenis.

Het Nieuwe Testament

De apostelen hadden als opdracht om éérst het Evangelie te brengen en daarna te dopen. Voor de Joden was niets meer nodig dan Jezus te aanvaarden als hun Heer. In dat geloof in Jezus worden ze dan gedoopt (Hand.2:38; 8:16; 10:48) Dat gold ook voor de proselieten – de bekeerlingen uit de heidenen (Hand.8:27; 10:2). Het Nieuwe Testament geeft ons geen voorschriften voor het onderwijs aan pasbekeerden. Het zendingsbevel in Matth.28 eindigt met: ‘En leer hen onderhouden alles wat Ik u bevolen heb’. In Handelingen zien we een voorval, dat de doop al werd toegediend na één enkele les (Hand.8:26-38). Ongeacht het tijdstip van de doop blijft langdurig onderwijs voor de dopeling dringend noodzakelijk. Er zijn dan ook in het Nieuwe Testament al sporen van een min of meer georganiseerd en doordacht onderwijs aan pasbekeerden (bv. Gal.6:6; Hand.18:25; Luc.1:4).

Uit noodzaak voortgekomen

De omstandigheden en opgedane ervaringen noodzaakten tot het treffen van maatregelen en bepalingen rond het toelaten van geloofsleerlingen. Er waren perioden met zeer veel bekeringen tot het christendom. Er waren weer andere perioden van massale terugval tot heidense gebruiken (het probleem van de ‘lapsi’, de gevallenen). Er waren perioden van vervolging, met broeders met valse bedoelingen die voorzorgsmaatregelen en garanties noodzakelijk maakten, bijvoorbeeld in de tijd van Diocletianus. Vandaar dat in verschillende eeuwen er telkens weer andere maatregelen getroffen werden rond de opname van bekeerlingen.

Sinds wanneer

Sinds het einde van de tweede en derde eeuw zijn er veel aanwijzingen naar de doopkandidaten. Ze worden in het Grieks katèchoumenoi genoemd en in het Latijn catechumeni of audientes (toehoorders). Ze vormden in het gemeenteleven een aparte groep van personen. Vanaf de vierde eeuw krijgen ze ook wel de naam van photizomenoi (zij die verlicht gingen worden) of competentes (zij die toelating vroegen) of ook wel electi (verkozenen). Hoewel er dus zelfs zeer veel bronnen zijn uit de oudheid, waarin sprake is van maatregelen rondom de doopkandidaten, is de Traditio Apostolica van Hippolytus (circa 215 na Chr.) een van de duidelijkste in dit opzicht.

Tijd van vorming

In de eerste eeuwen kende men een ‘toelating’ tot de prediking van pasbekeerden. Ze werden zo ‘audientes’. Er werden programma’s voor de opname onder de catechumenen samengesteld en tijdens de vorming werden bepaalde bezweringen en handopleggingen telkens herhaald en er was apart onderwijs voor de geloofsleerlingen. De duur van dat catechumenaat verschilde nogal sterk en was afhankelijk van de plaats en omstandigheden. Volgens Hippolytus duurde de proeftijd drie jaar. Als iemand echter zeer ijverig was en zich van harte op de zaak toelegde, was niet de tijd bepalend maar dan werd zijn levenswandel criterium, met andere woorden de proeftijd kon verkort worden.

Volgens de Traditio Apostolica werden de geloofskandidaten allereerst aan de leraars van de gemeente voorgesteld. Dan volgde een onderzoek naar de motieven waarom men christen wilde worden. Dat bood de introducenten de gelegenheid om een getuigenis af te leggen. Daarna werd er een onderzoek ingesteld naar hun leven, werk en bezigheden. Zij die afgoden dienden, werden afgewezen. Zij die door een slecht leven irritaties bleven veroorzaken ook. Publieke zondaars en overspelplegers moesten openlijk aantonen dat zij hun zondig leven opgaven. Heidense priesters, tempelbewaarders, fabrikanten van afgodsbeelden, magiërs en astrologen moesten hun beroep opgeven. Zij die alleen uit nieuwsgierigheid kwamen, werden niet toegelaten tot de ‘mysteria’ van de christenen.

Scrutinia

Aan de vorming van de ‘competenten’ was bijzonder de veertigdaagse vastentijd vóór Pasen gewijd. Tijdens die vastentijd werden bijzondere bijeenkomsten voor doopleerlingen gehouden: drie, later zelfs zeven scrutiniën genaamd. Scrutinium betekent doorzoeking. Het waren even zoveel examens, die bij de doopkandidaten werden afgenomen. Een doorzoeking van geest en hart, gecombineerd met onderwijs en opvoeding. Tijdens de scrutiniën ontvingen de doopleerlingen de woorden van het ‘Onze Vader’, de geloofsbelijdenis van de apostelen en werden ze bekend gemaakt met de geheimen van het Koninkrijk der hemelen. Verschillende gedeelten moesten ze van buiten leren.

Het laatste scrutinium had plaats op de ochtend voor Paaszondag en ging onmiddellijk aan de doop vooraf. Het droeg de naam van Apertio aurium (opening van de oren) en bestond uit het plechtig opzeggen van de geloofsbelijdenis en van het ‘Onze Vader’, het aanraken door de priester van oren en neus, onder de woorden ‘Ephata…’ (wordt geopend) en de zalving met de catechumenenolie, wat de doopleerling moest maken tot een atleet van God. Bij deze gelegenheid vond de openlijke afvalligheid van de duivel (abrununtio diaboli) plaats midden in de Gemeente. Tot aan het laatste scrutinium mochten de doopleerlingen niet verder komen dan het voorportaal (het atrium). Alleen het laatste scrutinium had plaats in het baptisterium, de doopkapel. Het is ook merkwaardig dat de presentatie aan de gemeenteleraren een privékarakter droeg. Het gebeurde ‘voordat al het volk binnenkwam’. Géén stof voor ongezonde nieuwsgierigheid dus.

Een rangorde

Door zijn opname werd de kandidaat christen in de rangorde (orde) van de catechumenen. Hij beleed immers door zijn verlangen tot de volkomenheid van het geloof te willen komen. Dat beginnend geloof moest door de herders en leraars in de gemeente verzorgd en bevestigd worden. De catechumeen bekeerde zich tot Christus, hij werd openlijk Zijn leerling. Pas als dat geloof voldoende gegroeid en bevestigd was, mocht hij de naam ‘fidelis’ (gelovige) dragen – de definitief tot God in Christus gewende en bekeerde mens, van wie het geloofsleven door de doop in Christus verankerd werd. De catechumenen oefenden zich van begin af aan in het gebed.

Uitverkiezing

Tijdens de vormingstijd werd de zorg voor de doopleerlingen toevertrouwd aan hun introducenten (sponsores). Deze onderzochten of ze in eerbaarheid leefden als catechumenen, weduwen ondersteunden, zieken bezochten en elk soort van goed werk verrichtten. Als hun sponsors een goed getuigenis over hen konden geven, dan werden ze toegelaten om méér van het Evangelie te horen. Een uitverkiezing was dat! Géén parels voor de zwijnen…

Met deze uitverkiezing (electio) werd de tweede periode van het catechumenaat ingezet: de onmiddellijke voorbereiding op het doopsel. In de loop van deze laatste voorbereidingen waren er zelfs dagelijks exorcismen en handopleggingen met gebed. Verschillende riten vergezelden dit alles. Bij de Latijnen was bijvoorbeeld het bezwerend blazen (exsufflare) samen met een bezweringsformule en de oplegging van handen in gebruik. Ook werd wat bezweringszout op de tong gegeven en werd er gezalfd met olie. Bij de Grieken in de Oosterse kerk treffen we alleen de handoplegging, het gebed, het maken van kruistekens en het wegblazen aan.

Ontaarding

Vanaf de achtste eeuw handelen de oude documenten alleen nog maar over de babybesprenkeling. Maar de oude plechtigheden van het catechumenaat werden verweven met de liturgie van de veertigdaagse vasten, zodat de sporen van dat catechumenaat nog lang bleven voortbestaan in het Romeinse Rituaal. Voor kinderen en baby’s was het catechumenaat uiteraard zinloos, maar de oude gebruiken vind men toch héél duidelijk terug in de ritus van de r.-k. babybesprenkeling. In die ontaarding valt nog steeds te herkennen:

  • het verzoek om het geloof
  • korte onderwijs aan de ‘doopleerling’
  • uitdrijving van de duivel door uitblazing
  • brandmerken met het kruisteken
  • toediening van het gewijde zout
  • drie exorcismen
  • zalving met catechumenenolie

In latere tijden

De r.-k. zendelingen (missionarissen) hebben telkens opnieuw de behoefte gesignaleerd om terug te keren naar de praktijk van het catechumenaat uit de eerste eeuwen. De Romeinse curie heeft dat steeds opnieuw afgewezen. In 1879 zorgde kardinaal Lavigerie, stichter van de zogenaamde Witte Paters, voor een doorbraak. Hij vaardigde een instructie uit waarin drie rangen werden ingevoerd: postulanten, aan wie alleen de natuurlijke waarheden, door de Openbaring geleerd, zouden worden voorgehouden – catechumenen, aan wie de christelijke waarheid zou worden geleerd zonder te spreken over eredienst en sacramenten – gelovigen voor wie geen geheimhouding bestond.

En nu wij…

Uit dit brok geschiedenis kunnen we allereerst leren, dat er heel veel vrijheid is voor de plaatselijke gemeenten om huishoudelijke reglementen op te stellen voor toelating tot de gemeente. Niet ieder die ‘zegt’ Heer, Heer, is een gelovige. Onderzoek of de geesten uit God zijn, geldt óók voor pasbekeerden. Het opstellen van een soort van leerprogramma of een fundamentencursus is noodzakelijk om de eerste beginselen van de geestelijke wereld te leren verstaan. Het kan ook verstandig zijn om niet al te gauw hoera te roepen als iemand zich wil laten dopen. Onze Meester riep op tot bedachtzaamheid als iemand Hem wilde volgen. Soms lijkt de Heer zelf keihard: ‘laat de doden hun doden begraven’. Eén bijeenkomst voor doopleerlingen, zoals hier en daar gebruikelijk is, is al héél erg magertjes. Daarna moeten deze geestelijke baby’s het dan maar doen met de ‘vaste spijs’ van de prediking, voor hen die een geoefend oor hebben.

Hoeveel spanningen, hoeveel onrijpheid, hoeveel fouten in het plaatselijke gemeenteleven zouden niet terug te brengen zijn tot een veel te gemakkelijke toegang tot de kring van ‘gelovigen’. Natuurlijk kennen we allerlei kringen waar men wèl kieskeurig is met het toelaten, maar waar toch allerlei excessen of dwaalleer is. Goede begeleiding van nieuwelingen is dan ook geen garantie, maar het is toch wel een plicht die op elke evangelist en voorganger rust.