Een ex-Trappist

  • ‘Zie, hier is de Christus. Geloof dat niet!’ (Mattheüs 24:23).

Hier volgt het getuigenis van een ex-gevangene. Een ‘vrijwillige’ roomse gevangene wel te verstaan die door demonen op geraffineerde wijze werd misleid, maar die uiteindelijk zijn door God ingeschapen geweten vóór liet gaan boven de roomse kerkers. Dat zijn voorbeeld een bemoediging mag zijn voor massa’s Rooms-katholieken die eigenlijk niet weten waar ze mee bezig zijn en toch maar niet los kunnen komen uit de klauwen van satans Rome:

Ik was gedurende tien jaar Trappist. Heeft God zich vergist, toen Hij mij verloste uit dat monnikenleven? Of was het misschien helemaal niet Gods leiding, waardoor ik het klooster verliet? Als ik naar mijn oude abt luister, die op de charismatische conferenties van tegenwoordig als een bewonderenswaardig iemand naar voren wordt gehaald, moet ik mij inderdaad vergist hebben. Op deze charismatische conferenties bevindt zich een heerlijke broederschap, een verzameling van Godsmannen, die via een mix van oosterse en westerse mystiek en een mix van niet-christelijke en christelijke spiritualiteit het goede deel hebben gevonden. Ik lees in een plaatselijk blaadje: ’Op deze conferentie, dáár is het te vinden!’ Toch maar goed, dat er in mijn Bijbel staat: ‘Maar gelooft dat niet’ (Mattheüs 24:23).

Trappistenleven

Bij het begin van mijn monnikenleven heb ik – op twintigjarige leeftijd – zeer bewust gebeden: ‘O God, nu heb ik de wereld verlaten, help mij nu ook mijzelf te verlaten’. In een abdij draait men de wereld radicaal de rug toe. Géén TV, géén radio, géén krant, geen geïllustreerde tijdschriften. De monnik ontvlucht de wereld, maar leeft wel in gemeenschap met gelijkgezinden. De monniken willen God zoeken. En als zij God gevonden hebben, willen zij in beschouwing met Hem bezig blijven, vandaar de naam ‘beschouwend’ of ‘contemplatief’ leven. Om de inkeer, de bezinning en de omgang met God te bevorderen, aanvaarden deze trappisten een leven van altijddurend stilzwijgen. Destijds woonden we met meer dan honderd monniken in één abdij en nooit spraken we met elkaar. Als de een iets noodzakelijks mee te delen had aan de ander, gebeurde dit door middel van gebarentaal, waardoor de stilte gehandhaafd bleef en de medebroeders niet gestoord werden.

Gebarentaal…

Een prachtig doel met doelgerichte middelen? Een schitterend mooi gebouw met sfeervolle gangen en zalen was er voor ons gebouwd. Een grandioos mooie liturgie met voor 95% zuiver Bijbelse gebeden (psalmen) was er als bron voor meditatie en gebed. Dagelijks werden er bezielende toespraken gehouden door de abt. Hij sprak steeds over de ‘arctissima cum Deo coniunctio’, de allerinnigste omgang met God.

IJver voor God

Veel bladzijden zou ik vol kunnen schrijven over de ‘mooie’ kanten van het monnikenleven. Maar dat zou geen nut hebben. De realiteit, de nuchtere werkelijkheid, is namelijk dat ik daar te midden van zoveel sfeer en schoons, innerlijk zo arm en ellendig ben gebleven. Wis en waarachtig niet vanwege gebrek aan inzet! IJver voor God had ik volop, maar zonder verstand. Ik was onbekend met Gods gerechtigheid en probeerde een eigen gerechtigheid te doen gelden, waardoor ik mij niet onderwierp aan de gerechtigheid van God (Rom.10:3). Mijn hunker naar een innige omgang met God uitte ik onder meer in een radicale toeleg op de ingetogenheid. Ik had geleerd dat een voortdurend gebedsleven onmogelijk was zonder concentratie.

Onnodig opkijken? – Boete doen!

Daarbij hoorde onder meer het ‘beheersen van de ogen’. Onnodig opkijken bij onverwacht geluid, was een fout tegen de ingetogenheid. Zulke fouten heb ik toen de oorlog verklaard. Ik ging ze tellen en legde me vrijwillige boetedoeningen op als ik er bijvoorbeeld vijf op één dag geteld had, (vijf keer opkijken naar iets of iemand als dat niet strikt noodzakelijk was). De meest gevoelige boetedoening was, dat ik geknield aan de kerkdeur ging zitten na de middagmaaltijd, als de monniken van de refter (eetzaal) onder het zingen van psalm 51 in een lange rij naar de kerk gingen. Dat knielen bij de kerkdeur was een openbare straf, die de abt soms gaf voor ‘n bepaalde overtreding. Niemand wist dat ik daar uit eigen vrije beweging zat en ik knielde een hele tijd lang bijna elke dag bij die kerkdeur. Maar de ingetogenheid en de innerlijke rust kwamen niet op die manier. IJver, maar zonder verstand van Gods verlossende kracht. IJver, maar géén kennis van de werkelijke strijd in de hemelse gewesten. En daarom was en bleef ik diep ongelukkig.

‘Bid maar trouw tot Maria’

 Een opgeroepen demon uit de afgrond van het dodenrijk

Al die jaren was ik gebonden aan bepaalde zonden. Ik biechtte ze, ik verafschuwde ze, maar deed ze toch telkens weer. Dit was een peilloze ellende als men als enig doel heeft: God zoeken en God behagen. Ik bleef maar zondigen. Ik deed wat ik niet wenste. Ik deed waar ik een afkeer van had. Het bleef jaar in jaar uit de jammerklacht: ‘Ik ellendig mens!’ (Rom.7:24). Enerzijds zwelgen in uiterlijke schoonheid en tegelijk innerlijk omkomen van ellende. Op mijn noodkreten tegenover de geestelijke leidslieden werd ik gesust met telkens herhaalde aansporingen als: bid maar trouw tot Maria, zij zal je helpen. In feite een afstoten in steeds dieper duisternis, want het aanroepen van overleden mensen – al is het Maria – is niets meer en niets minder dan het door God verfoeide spiritisme.

De zeven ‘automatische’ roomse sacramenten

Het Bijbelse antwoord aan de ellendige mens, het: ‘God zij dank door Jezus Christus’ (Rom.7:25), kent de monnik ook wel, máár, de roomse weg naar Jezus Christus gaat door de zeven roomse sacramenten. Deze heten de genademiddelen bij uitstek. Zij werken ‘ex opere operato’, dit wil zeggen automatisch. Dus ging ik elke dag ter communie. Dus biechtte ik zelfs tweemaal in de week. Dus woonde ik elke dag drie of vier missen bij. En dat met een hunkerend hart, dus met de allerbeste gesteldheid, maar het baatte allemaal niets. Ik was zwaar gebonden en bleef gebonden. Ik ontving de zogenaamde lagere wijdingen, waaronder die tot exorcist (een speciale wijding en bevoegdheid tot het uitdrijven van duivelen), maar ik was zelf in de macht van de duivel en die leed daar echt niet onder. En elke dag bewonderden veel bezoekers ons mooie klooster, luisterden ze naar onze mooie gezangen, keken ze met bewondering naar onze prachtige witte kovels (koormantels). Men ging gesticht naar huis, maar ze lieten (God alleen weet hoeveel) monniken achter, die in een onvoorstelbare geestelijke nood waren.

Gruwelijke liefdeloosheid

Een bewijs van deze gemeenschappelijke geestelijke nood was de atmosfeer van gruwelijke liefdeloosheid in het klooster. Zeker, er waren uitzonderingen, maar er was een vaak trieste liefdeloosheid en ijverzucht waarover ik niet wil uitweiden. Monniken, die familie, gezin, bezit en wereld radicaal prijsgegeven hadden, klampten zich met grote felheid aan een ‘baantje’ als koster of als smid of als tuinman, vast. De mens, die God niet vindt, valt terug op zichzelf met alle uitingsvormen van de egoïstische afgeslotenheid. En al leeft men dan in gemeenschap en al heeft men dan de gewoonte van niet spreken, de niet-verloste mens vindt z’n uitweg toch wel via de ogentaal, de gebarentaal en via papier.

Achterhaald? Nee, geen alternatief!

Nu weet ik heel goed, dat menig rooms-katholiek dit armzalige en lege monnikengedoe ook afwijst. Dit blijkt uit het leeglopen van al die kloosters. Het zijn alleen de niet-katholieken, die zich door de schijn bedriegen laten. Maar al die ‘verlichte’ katholieken hebben geen alternatief! Men wijst wel veel roomse gebruiken af, maar men blijft rooms. Men zingt misschien de liedjes uit ‘Opwekking’ en men viert zelfs avondmaal met niet-roomsen, maar men is en blijft lid van een kerk, die gruwelijk is in haar leer, die gruwelijk is in haar praktijken, die gruwelijk is in haar verleden en die gruwelijk is in haar heden. Als er al rooms-katholieken zouden zijn, die een innige omgang met God hebben gehad, dan was dit ondanks de misleidingen van hun kerk. Als we dan weten dat de pausen van Rome een Theresia van Avila als lerares in de mystiek aanwijzen, dan moeten er toch wel heel grote vraagtekens komen. Die Theresia ging de duivel voortdurend te lijf met wijwater. Zij kwijnde van devotie tot Sint Jozef, de voedstervader van de Heer Jezus. Als dezen onze leraars moeten zijn….

Wees nuchter – Schijn bedriegt!

Aan al diegenen die naar abdijen trekken, wil ik zeggen: schijn bedriegt! U ontmoet er inderdaad heel lieve mensen. Ik heb kennis gemaakt met deze monniken. Maar ze zijn rooms – ze geloven in de heilloze roomse sacramenten – ze roepen de overleden roomse ‘heiligen’ aan, maar ze kennen de weg van de redding en verlossing zelf niet. U kunt er alleen maar stenen voor brood ontvangen. Wees nuchter en besef dat de rooms-katholieken er zelf wegblijven. Die abdijen hebben in de loop van de eeuwen bewezen, dat ze de weg naar de innige omgang naar God niet kennen, ondanks afscheiding van de wereld. De hemelse Vader heeft beter brood voor u! De realiteit van de verlossing in en door Jezus Christus mag en kan uw eigen ervaring worden midden in het normale, alledaagse leven. Volkomen verlossing!

Uw werkelijke vijand is niet uw ‘uzelf’, maar de satan. Dat is een overwonnen vijand! Overwonnen door het bloed van het Lam. Door het woord van uw getuigenis mag u die overwinning proclameren en u zult dan ervaren dat hij wijkt en vlucht. Zonder sacramenten, zonder sacramentalia (wijwater, medailles, kaarsen). In die overwinning mag u staan en leven! Gehuwd leven! In levende gemeenschap met de levende Jezus leven: daar is geen klooster voor nodig. Wel een onverdeelde toewijding aan Hem, Die Zichzelf ook onverdeeld gaf. Wie zó toegewijd is, wie zó liefheeft, wie zó Jezus woord bewaart, hem zal de hemelse Vader liefhebben en Jezus en zijn Vader zullen tot hem komen en bij hem wonen (Joh.14:23). U hoeft er niet voor naar Zundert, de Achelse Kluis, Diepenveen, Tegelen, Oosterhout, Egmond of welke andere abdij ook!