5. Leven en sterven bij de rooms katholieken

De geest gedoofd

Op zevenjarige leeftijd heb ik het Vormsel ontvangen. Op de vraag: wat is het vormsel, geeft de roomse catechismus ten antwoord:

  • ‘Het Heilig Vormsel is het sacrament, waardoor de Heilige Geest op een bijzondere wijze in ons komt om ons te versterken in het geloof.’

Bij het onderzoeken van de leer van de kerk van Rome is het van groot belang om na te gaan: wat doet Rome met Gods Heilige Geest? Men kan een dergelijk onderzoek in het licht van het Woord van God echter niet beëindigen zonder een diep verdriet om de grote zonden tegen Gods Geest, die zo aan het licht komen. De zonde tegen de Heilige Geest is de ergste zonde. Hoe verschrikkelijk is alles wat Rome leert over de vervulling van Jezus’ beloften over Gods Heilige Geest en Zijn gaven. Het vormsel, dat ik op jonge leeftijd ontving blijkt een weerzinwekkende namaak te zijn van dat wat God heeft gegeven. En die namaak moet enkel en alleen dienen tot zelfverheerlijking van de kerk van Rome.

De misvorming van het vormsel

Wat Rome leert over het vormsel is geheel in strijd met Gods Woord. God zegt in zijn Woord, dat de volgeling van Jezus de Heilige Geest en de werking van krachten ontvangt als gevolg van de prediking van het geloof en het persoonlijk gebed. Maar Rome leert, dat men de Heilige Geest uit haar handen moet ontvangen: door de zalving met charisma (een mengsel van olijfolie en balsem dat door de bisschop gewijd (en daardoor occult besmet is) en door het gebed van de bisschop. Rome leert, dat men door de toediening van stof en vorm van het vormsel ‘ex opere operato’, d.w.z. door de werking van het ‘sacrament’ zelf, de vervulling met de Heilige Geest ontvangt.

Eens in de twee of drie jaar of soms duurt het nog langer, komt een bisschop in de parochiekerk en dan worden alle kindertjes van zeven of acht jaar ‘gevormd’. Als zij onder de handen van de bisschop vandaan komen, dan heet het dat zij de Heilige Geest op een bijzondere wijze ontvangen te hebben alsook zijn zeven gaven! Op deze manier misvormt het roomse vormsel onschuldige kinderen, door hen wijs te maken, dat zij de zoetste vrucht van Jezus’ lijden en sterven hebben ontvangen: Zijn Heilige Geest met Zijn gaven, terwijl zij in feite niets ontvingen! Aan deze argeloze kinderen wordt wijsgemaakt, dat zij een bijzondere kracht hebben ontvangen, maar zij ervaren er op het moment zelf niets van en ook erna is er niets van te bespeuren. Deze kinderen wordt wijs gemaakt dat zij nu ‘tot ridders van Jezus zijn geslagen’ en dat zij nu geroepen zijn om voor Zijn Kerk (te verstaan als de Roomse kerk) te strijden. Elk teken van de doop met de Heilige Geest ontbreekt, zowel op het moment van het vormsel zelf als ook erna: géén spreken in talen, géén kracht en vuur om te getuigen, géén wonderen en tekens, die door de gaven van Gods Geest de vervulde christen zullen volgen. En toch heet het: je hebt het ontvangen. Wat een satanische list om elke dorst naar het levende water in de kiem te smoren door de verderfelijke kerkleer: ‘je hebt het al’.

Afleidingsmanoeuvre

Maar de duivel heeft nog méér om de mensen te misleiden en af te houden van het streven naar de geestelijke gaven. Satan weet, dat mensen, die gedoopt zijn in Heilige Geest en die aangedaan zijn met kracht uit de hoogte, gevaarlijke tegenstanders van hem kunnen zijn, die afbreuk kunnen doen aan zijn verderfelijke heerschappij. Hij heeft zich dan ook beijverd om de Bijbelse leer over de gaven van de Heilige Geest te vervangen door ersatz, door surrogaat, door namaak. Deze duivelse leer treffen wij aan in de leerboeken van Rome. Ook daarin wordt geschreven over ‘de gaven van de Heilige Geest’. De kerk van Rome bidt ook om de Geest met Zijn gaven, maar het is een afleidingsmanoeuvre van de duivel.

Knappe roomse theologen, met de grote Thomas van Aquino aan het hoofd, hebben in de loop van de eeuwen zulke voortreffelijke prestaties geleverd, dat er een indrukwekkende leer over de gaven van de Heilige Geest uit de bus is gerold, die zo goed als niets over heeft gehouden van de leer van de Bijbel over de gaven. Dit wordt al direct duidelijk bij de opsomming van de ‘gaven’, zoals deze door Rome geleerd worden. Niet de eerste brief van Paulus aan de Corinthiërs (Hst. 12 vers 8·10) is het uitgangspunt maar Jesaja 11 vers 2: ‘De geest van de Heer rust op Hem, een geest van wijsheid en inzicht, een geest van beleid en sterkte, een geest van kennis en ontzag voor de Heer.’ De zeven gaven van de Heilige Geest zijn dan ook volgens Rome:

  • de gave van de raad,
  • de gave van Godsvrucht,
  • de gave van sterkte,
  • de gave van vrees,
  • de gave van wetenschap,
  • de gave van verstand en
  • de gave van wijsheid.

Zoals de duivel bij de verzoeking van Jezus in de woestijn een Bijbeltekst klaar had, zo heeft Rome een Bijbeltekst voor het afhouden van de Bijbelse heerlijkheid. Als we echter de roomse commentator raadplegen om te zien wat hij dan wel zegt over de geestesgaven zoals zij in 1 Cor.12 worden opgesomd, dan zegt deze man:

  • ‘De eigenlijke periode der charismata eindigt in de 3e eeuw, toen de kerk voldoende gevestigd was om zich door de gewone prediking uit te breiden. Het verschijnsel der charismata (= geestesgaven) kwam tegemoet aan een behoefte, welke algemeen in de oude Grieks-Romeinse wereld bestond’ (Dr. Jos Keulers: de boeken v.h.N.T., deel 5, blz. 273).

Wat is de satan toch doorzichtig in zijn opzet als we er oog voor willen hebben! Een goedkope dooddoener voor de eigenlijke geestelijke gaven en een imposante leer over een oudtestamentische tekst, die handelt over het duizendjarige rijk, dat door Rome juist geloochend wordt. Wat ben ik blij, dat die behoefte van de Romeinen en Grieken uit Paulus’ tijd nu nog bestaat, dat er nu nog mensen behoefte hebben aan de gaven van de Heilige Geest tot beter dienstbetoon in de Gemeente van Jezus Christus. Wat ben ik blij, dat er mensen zijn, die zich niet laten misleiden door duivelse afleidingsmanoeuvres en integendeel streven naar de gaven van de Geest (1 Cor.14:1). Wat ben ik blij, dat God mijzelf dorstig heeft gemaakt naar dat levende water. Dat was nog in de roomse kerk. Maar ik kreeg pas te drinken buiten die kerk van Rome.

Persoonlijk getuigenis

Gods wegen zijn wonderbaar. Het is de Bijbelse leer over de gaven van de Heilige Geest, die de voornaamste oorzaak waren voor mijn uittreden uit de kerk van Rome. Ik had jarenlang doorgebracht in een zeer strenge kloosterorde. Ik had jarenlang met een totale inzet van mezelf gezocht naar heiligheid en volmaaktheid maar de resultaten waren allerbedroevendst. Ik kwam daardoor in grote nood. Ik biechtte tweemaal in de week en had bij die gelegenheid telkens lange gesprekken met mijn biechtvader. Er kwam echter geen uitweg en de nood en radeloosheid werd steeds groter. Het is in die periode, dat ik naar Gods Woord ben gaan grijpen. Ik moest filosofie studeren, maar ik had er een afkeer van en mijn hart hunkerde naar het levende brood, dat ik in Gods Woord had ontdekt. Elk ogenblik, dat ik van mijn studietijd af kon nemen, besteedde ik aan Bijbellezing.

Aan de hand van een concordante zocht ik allerlei teksten op over een bepaald onderwerp. Zo zocht ik ook alle teksten op, waarin het woordje ‘Geest’ voorkwam. Die studie werd het begin van mijn redding, Halleluja! Ik werd voor ál de heerlijke beloften van Jezus geplaatst over Gods Geest, de Geest van de Waarheid, de Trooster, de Leider, de Kracht uit de Hoogte, de Raadsman, de Heiligmaker. Ik las in de Bijbel wat Gods Geest allemaal gedaan had in het leven van Jezus: hoe Jezus’ leven door de Heilige Geest voorbereid en geleid was, hoe Jezus wonderen en tekens deed ‘in de kracht van de Heilige Geest’, hoe Jezus ‘in de Geest’ het uitjubelde voor Zijn Vader. Ik las dat ook Jezus’ éne, volkomen offer op Golgotha door de eeuwige Geest geleid was. (Hebr.9:14) Ik las hoe de Geest van Jezus Christus in de oerchristelijke Gemeente werkzaam was in de leerlingen. Ik las wat die Heilige Geest allemaal uitwerkte in de gelovigen en in de Gemeente en wat Jezus allemaal aangaande die Geest beloofd heeft aan ieder die gelooft.

Op zoek naar de bron

Toen ik dat alles gelezen had, toen had ik ook de oplossing gevonden voor mijn vastgelopen geestelijk leven. Ik was dorstig geworden en ben op zoek gegaan naar de bron. Jarenlang werd ik in mijn zoeken misleid door de leer van Rome. Ik ging een intense belangstelling tonen voor de roomse leer over de gaven van de Heilige Geest, maar dan volgens de leer van Thomas van Aquino. De duivel heeft alles gedaan om mijn zoeken op een dood spoor te leiden! Maar God is goed en eindeloos is Zijn barmhartigheid. Ik had in de Bijbel veel over de belofte van de Vader gelezen en ik was mij ervan bewust, dat die belofte in mijn leven niet in vervulling was gegaan. Dat ik daardoor al in strijd was gekomen met de leer van Rome over het Vormsel was ik mij helemaal niet bewust. Waar Rome leerde, dat ik al vervuld was en alle gaven al bezat, daar ben ik in het klooster al begonnen te bidden om de Heilige Geest. En dat niet zo maar eens een keertje, maar dagelijks. Heel mijn geestelijk streven stond in het teken van het verlangen naar Gods Heilige Geest.

Tot motto van mijn leven als priester had ik genomen ‘ACCENDATUR IGNIS’ (dat het Vuur ontstoken mag worden, Luc.12:49). Van de dag af dat ik priester gewijd ben heb ik in het klooster bijna elke dag de votiefmis van de Heilige Geest gelezen, iets, dat in de Cisterciënzerritus veel vaker is toegestaan dan in de z.g. Romeinse ritus. Elke dag las ik de mis in een rood kazuifel ter ere van de Heilige Geest en bad ik in dat Misformulier de gebeden om de Heilige Geest. En God is een hoorder van gebeden. Hij heeft de verdraaidheid van mijn denken voorbij gezien en heeft mijn gebed verhoord, geprezen zij zijn Naam.

Toen ik later als Kapelaan een afgedwaald schaapje van de kerk van Rome weer terug wilde voeren tot de ‘ene ware schaapsstal’, die Rome pretendeert te zijn, haakte God in op mijn vele gebeden van vroeger en op mijn nog steeds aanwezige dorst naar het levende water. Een ‘afgevallen roomse’ heeft mij mogen wijzen op mijn verschrikkelijke geestelijke toestand, op mijn geestelijke armoede. Zij was lid van een Pinkstergemeente en vertelde mij, dat de Geest van God nog steeds machtig werkzaam is in de Gemeente van Jezus Christus. Zij sprak mij over de realiteit van de geestesgaven, ook voor nu.

Eerst kon ik mijn oren niet geloven. Het was te mooi om waar te zijn. Toen ik echter, nadat ik tot overgave aan Jezus was gekomen, ook met haar mee gegaan was naar haar gemeente en de gaven van de Heilige Geest zag functioneren, had ik geen rust meer voor de belofte van Jezus ook in mijn leven een werkelijkheid was geworden. Er is een periode van rusteloos zoeken op gevolgd, waarbij ik zwaar gehinderd werd door de verminking in mijn denken, doen en laten en de vele gebondenheden, die ik uit mijn roomse tijd had meegenomen. Maar geleidelijk aan heeft Jezus alle dingen nieuw gemaakt en heb ik uiteindelijk ook mogen drinken uit de bron tot verzadiging toe. God gaf mij het spreken in talen en nu weet ik uit eigen ervaring, dat de leer van Rome over een Heilige Geest één grote leugen is, één en al uitdoven van de Geest van God.

Niet de Geest van Jezus Christus heeft de leiding in de kerk van Rome, maar de paus, zijn medewerkers, de roomse theologie, het roomse verstand, dat verduisterd is door de leugenaar vanaf het begin. En de Geest van God krijgt er geen kans. Voor de Bijbelse leer over de gaven van de Heilige Geest is er geen plaats en de werkingen van de Heilige Geest worden geloochend, omdat de Geest van God onontkoombaar leidt tot dingen, die niet overeenstemmen met de leer en de praktijken van de kerk van Rome. De Geest van God is uitgebannen uit de kerk van Rome omdat men de Geest de wet heeft willen voorschrijven hoe Hij te werken had. De Geest van God is gedoofd in de kerk van Rome als instituut. Het is ontroerend echter om te constateren hoe groot Gods barmhartigheid is als wij zien, dat de Geest van God toch nog zoveel bemoeienis heeft met mensen, met individuen, die lid zijn van die kerk, die zo zwaar tegen de Geest van God heeft gezondigd en nog steeds zondigt. Laten we de waarheid blijven vertellen, zodat de werking van Gods Geest onder de rooms katholieken steeds groter mag worden, zodat er steeds meer zullen vertrekken uit de r.k.- kerk, zowel leken als priesters, tot de volle waarheid.

Wonderen

Na mijn vertrek uit de R.K. kerk, passeerde ik tijdens een evangelisatiecampagne te Krefeld, Duitsland, het rooms-katholieke bedevaartsplaatsje Kevelaar en bezocht daar de kerk en kapellen. Ik kocht er het officiële pelgrimsboekje en maakte er verschillende foto’s. Daarna bracht ik enkele dagen in Krefeld door, dat voor enkele dagen ook een ‘bedevaartsplaats’ was geworden. Maar wat een verschil! Rooms katholieken zijn maar wat trots op hun bedevaartsplaatsen als Lourdes, Fatima, Kevelaar en veel anderen. Zij proberen vaak de mond te snoeren van de niet-roomsen door te wijzen op de wonderen die er in zulke pelgrimsoorden gebeuren. Zoiets gebeurt toch maar alleen in de rooms-katholieke kerk, zo menen zij dan, omdat zij nooit iets anders te lezen krijgen dan roomse lectuur. Deze z.g. ‘wonderen’ die op voorspraak van Maria en andere heiligen heten te gebeuren, vragen ook om een antwoord. Wij moeten daar een verklaring voor hebben, een verklaring in het licht van Gods Woord.

Uit het pelgrimsboekje

We kunnen niet beter doen, dan enkele zinnen weer te geven uit het officieel pelgrimsboekje van Kevelaar om het doel van de bedevaarten van Rooms-katholieken weer te geven. Onder het opschrift: ‘doel van de bedevaart’ lees ik:

  • ‘Wij gaan naar Kevelaar om er te bidden voor het genadebeeld van Onze Lieve Vrouw Troosteres van de bedroefden. Haar gaan wij om troost vragen in onze zorgen en moeilijkheden. Wij zullen dat gaan doen met het volste vertrouwen op haar Moederhart, dat slechts één zorg kent: ons onvergankelijk en onverwoestbaar geluk. Wat er ook mag gebeuren, wij kunnen er vast op rekenen dat zij alles zal doen wat in haar vermogen ligt, om ons te helpen dat geluk te bereiken. Daarom moeten wij er voor zorgen, dat wij niet met lege handen voor haar genadebeeld komen neerknielen. Dankbaar voor haar moederlijke bezorgdheid voor ons bieden wij Haar aan onze innigste overgave. We zullen het haar nog eens uitdrukkelijk gaan zeggen, dat het ons diepste verlangen is Haar kinderen te zijn, om door Haar geleid te worden naar haar goddelijke Zoon.’

Verder staat er:

  • ‘Een volle aflaat ontvangt iedere bedevaartganger als hij in de genadekapel, de kaarsenkapel of basiliek een gebed verricht volgens de mening van Z.H de Paus.’ Honderdduizenden pelgrims bezochten al dit genadeoord. Mag deze bedevaartsplaats er veel toe bijdragen, dat de naam van de Reinste der Schepselen, de Koningin van de Vrede, steeds dieper wordt gegrift in de harten van haar gelovige kinderen.’

Eén van de vele soortgelijke liedjes uit dat boekje luidt o.a. aldus:

  • ‘Lief’drijk aanminige, hemelse vrouw, wie ik ten eeuw’ge tijd uit heel mijn hart mij wijd, wie ik én lichaam én ziel toevertrouw, goed, bloed en leven wil ik U geven, al wat ik heb en ben, geef ik U nu, ‘k geef het vol vreugde, Maria aan U’.

Op die plaatsen gebeuren ‘wonderen’ … Op de plaatsen, waar op de hierboven beschreven manier de eer, die Jezus Christus alleen toekomt, aan een ander wordt gegeven, al is het dan de Moeder van Jezus, op die plaatsen gebeuren ‘wonderen’. En die ‘wonderen’ moeten dan het bewijs zijn dat Gods welbehagen rust op dergelijke bedevaartsoorden. In Lourdes is een heel wetenschappelijk apparaat aanwezig om de genezingen vast te stellen en ik heb geen enkele reden om te twijfelen aan de conclusies, die al vele tientallen malen zijn geweest: een ‘wonder!’ De ‘wonderen’ op voorspraak van de heiligen mogen dan een feit zijn, maar dat is van minder belang. Van meer gewicht is het te weten: waar komen zij vandaan en waartoe brengen zij ons? Het feit dat er ergens wonderen gebeuren bewijst op zichzelf niets. Voor wonderlijke gebeurtenissen zijn drie verschillende verklaringen mogelijk, die radicaal van elkaar verschillen:

  • Menselijke oorsprong (dan is het bedrog of zinsbegoocheling).
  • Duivelse oorsprong
  • en tenslotte Goddelijke oorsprong.

Wij moeten niet vergeten, dat de Bijbel ons uitdrukkelijk leert, dat satan een geweldige macht heeft. Hij kan wonderen en tekens doen, zo leert ons het Nieuwe Testament: 2 Thess.2:9 en veel andere Schriftplaatsen. Satan is het ook, die ziekten kan veroorzaken (Job en Luc.13:16). Is het dan vreemd, dat hij ook de macht heeft om wat hij zelf veroorzaakte weer te laten ophouden? Het is daarom dat wij niet automatisch Gods hand kunnen zien in wonderlijke gebeurtenissen, ook niet wanneer het zo goed als zeker is, dat ze niet van menselijke oorsprong zijn. Dan zijn er nog immers twee andere mogelijkheden: uit God of uit de duivel. De duivel kan en wil ook graag wonderen doen, als ze dienen om on-Bijbelse en Christusonterende praktijken aan te moedigen. De wonderen die in Lourdes en elders in de kerk van Rome gebeuren, hebben als vrucht een steeds grotere verheerlijking van Maria, aan wie de benamingen worden gegeven, die de Bijbel aan Jezus Christus geeft:

  • Spiegel van gerechtigheid.
  • Zetel van wijsheid.
  • Oorzaak van onze blijdschap.
  • Toren van David, Ivoren toren,
  • Deur van de hemel,
  • Morgenster,
  • Verlosser van de zieken.
  • Toevlucht van de zondaars enz.

Die vrucht is stinkend en daarom kunnen wonderen, die dàt als vrucht hebben onmogelijk uit God zijn, maar enkel en alleen uit de duivel. Jezus heeft ons gezegd: aan de vrucht leert men de boom kennen. De vrucht van de wonderen in de kerk van Rome is een grenzeloos vertrouwen op gestorven mensen, een algehele toewijding aan de gestorven Maria. Dat alles komt Jezus alleen toe en daarom zijn wonderen, die van Jezus afleiden, duivelswerk en niets anders.

Een verschil als dag en nacht

Het was nacht in Kevelaar toen wij die plaats op klaarlichte dag bezochten: mensen knielden voor het Mariabeeld, kaarsen werden gekocht en opgestoken, medailles, afbeeldingen van Maria en dergelijke werden verkocht. In dit jaar waren er 600.000 pelgrims. Arme misleide mensen, die met hun noden naar dergelijke duistere oorden met heidense praktijken komen! Stenen krijgen zij voor het Brood van het Leven dat zij zoeken. 

Jezus alleen

Het was stralend licht dat wij in Krefeld mochten zien, gedurende de evangelisatie-campagne daar. Het waren dagen, waarin massaal van Jezus alleen werd gezongen, omdat Hij de enige Bemiddelaar is tussen God en ons mensen. Het waren dagen, waarin op Jezus alleen werd gewezen als bron van al het goede. Het waren dagen waarop de ene na de andere oproep weerklonk om tot Jezus te komen. Honderden mensen kwamen in die paar dagen dat ik er kon zijn tot bekering. Honderden mensen schaamden zich niet om in het openbaar te kennen te geven, dat zij verloren zondaars waren en hun redding van Jezus alleen verwachtten. Telkens en telkens werd God verheerlijkt door het koor dat door duizenden werd gezongen: ‘Wie grosz bist Du”, Wat bent U groot.

Wat een verschil met dat massale ‘Ave, ave, ave Maria!’ in Lourdes. Wat een verschil tussen Kevelaar en Krefeld! Wat een verschil tussen de leer en de praktijken van Rome en het heerlijk Evangelie zoals dat in Krefeld werd gebracht. Het kon dan ook niet anders: ook in Krefeld gebeurden wonderen, ja grote wonderen. Maar de vrucht ervan was één loflied op Jezus, de Redder en Verlosser. Ja, dat was een heerlijke vrucht! De vrucht van die wonderen waren duizenden handen die werden opgestoken op de vraag, wie deze Jezus met heel hun leven wilden dienen en volgen. Wat een vreugde was het die zee van handen te zien! Nee, er was niet de minste twijfel in Krefeld over de oorsprong van die wonderen. Daar in Krefeld, tijdens de Evangelieverkondiging en bij het zien van de uitwerking, die het geloof had dat door die prediking werd opgewekt, werd ik mij weer opnieuw en scherper dan ooit tevoren bewust dat er verschil als van dag en nacht is tussen het eeuwig Evangelie, dat Jezus Christus redt, verlost en geneest en de leer en duistere praktijken van de kerk van Rome.

Het grootste wonder

Wat deed het mij goed, dat zo heel duidelijk en zo herhaaldelijk werd gezegd, dat het grootste wonder niet lichamelijke genezing was, maar dat dode zielen tot eeuwig leven worden verwekt als zij tot geloof en overgave aan Jezus Christus komen. De grote betrekkelijkheid van lichamelijke genezing werd heel duidelijk aangetoond. Jezus heeft zelf doden tot leven verwekt, maar zij moesten toch opnieuw sterven. Ook zieken die genezen worden, moeten eens sterven. Maar zowel zieken als gezonden moeten allen persoonlijk het allergrootste wonder zelf ervaren: de redding van hun zieke ziel, het levend worden van hun dode geest. Heel sterk en dringend was de oproep tot iedereen om zich tot dát grootste wonder uit te strekken, om dat grootste wonder van God te gaan vragen op datzelfde ogenblik door het gebed: ‘Heer Jezus, ontferm U over mij, ik geloof in U.’

Meer dan tachtig mensen kwamen naar voren die middag om te belijden dat zij in geloof dat grootste wonder hadden aangenomen. Uit tachtig monden klonk een gebed van algehele overgave, niet aan een mens, niet aan een heilige, maar aan Jezus Christus alleen. Daar was veel vreugde die middag, niet alleen in Krefeld, maar ook in de hemel om al die zondaren die tot bekering kwamen! Dezelfde avond lag ook weer het hoofdaccent op bekering, op het grootste wonder. Honderd en twintig mensen kwamen naar voren en beleefden dat grootste wonder. Honderd en twintig mensen riepen Jezus Christus aan om gered te worden. Honderd en twintig mensen wilden Jezus voor hun ziel hebben en ontvingen het eeuwige leven. Om dat allergrootste wonder gaat het op de allereerste plaats en de mensen hebben het niet misverstaan!

Men predikte het eeuwig evangelie: een blijde boodschap voor geest, ziel én lichaam. De prediker sprak hij over de tekst uit Marcus 9:23: ‘alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft.’ Het was geweldig zo helder en overtuigend de boodschap was: ruim alle boeken desnoods maar op, maar neem uw Bijbel en geloof wat daarin staat. Geloof wat God u zegt in zijn Woord. Geloven is aannemen. Geloven houdt in dat u met God meewerkt. En u kunt geloven want God eist geloof van u en de Heer verlangt niets van u dat u niet kunt. Kunt u geloven? Dan is alles u mogelijk.

Rond het sterfbed

Wanneer een rooms katholiek gestorven is, krijgt de naaste omgeving een ‘bidprentje’. Daarop is te lezen, dat men verzocht wordt om te bidden voor de ziel van zaliger die en die. Duidelijk wordt gemaakt dat de gestorvene is heengegaan ‘voorzien van de laatste heilige sacramenten van de stervenden’. Dat wil zeggen, dat de overledene voor zijn sterven misschien nog gebiecht heeft en de ‘heilige communie’ als viaticum heeft ontvangen, maar in elk geval, dat hij of zij het ‘heilig oliesel’ heeft ontvangen en de pauselijke zegen in articulo mortis. Dat zijn vreemde dingen voor de niet-rooms-katholiek, maar zelf zijn zij nergens meer op gesteld dan daarop. Het onmogelijke wordt vaak nog gedaan om een priester bij een sterfbed te kunnen krijgen, opdat de stervende ‘gesterkt’ zal worden door wat die priester met hem doet en over hem uitspreekt.

Vaak wordt er van roomse kant gewezen op de ontroerende zorg, die de ‘moeder de heilige kerk’ betoont aan het sterfbed van haar kinderen. Daar kunnen die protestanten toch maar niet tegen op: liefst drie sacramenten heeft Rome ter beschikking voor de stervende en als overmaat van goedheid wordt dan ook nog de pauselijke zegen gegeven met volle aflaat. Wie echter de moeite neemt om al deze dingen te toetsen aan het levende Woord van God, zal tot de slotsom komen, dat al deze ‘moederlijke zorgen’ niets anders zijn dan gemeen bedrog, listen van de duivel rondom het sterfbed, een laatste aanhalen van zijn verstikkende en dodelijke greep, waarin hij zoveel miljoenen mensen gevangen heeft.

De olie van de zieken

De goede ‘komaf’ van de kerk van Rome is vaak te zien aan allerlei sporen van zuiver Bijbelse elementen, die er zijn overgebleven. De kerk van Rome heeft méér van deze sporen dan menig andere ‘heel zuivere’ kerk van de reformatie, die zich met de helft van het evangelie tevreden stelt en aan de andere helft stilzwijgend of afwijzend voorbij gaat. Zo heeft de kerk van Rome nog sporen behouden van de doop met de heilige Geest als een apart verlossing- en reddingsfeit in haar sacrament van het vormsel, terwijl de meeste reformatorische christenen niet weten waar het over gaat als men het daarover heeft. Ook het roomse sacrament van het oliesel is zo’n verwijzing naar een zuiver Bijbelse ziekenzorg, die door de kerken van de reformatie schromelijk verwaarloosd wordt. Maar ook hier is het niet meer dan een spoor, dat in werkelijkheid op verkeerde wegen leidt. In Jacobus 5 wordt geschreven over het zalven van de zieken met olie. De kerk van Rome heeft deze zalving nog. Maar wat zij ervan gemaakt heeft, heeft niet het resultaat, dat de Bijbel ervan belooft: ‘En het gelovige gebed zal de zieke redden’ (vers 15).

Rome heeft deze zalving tot een ‘sacrament’ gemaakt, waar zij alleen de beschikking over heeft. Rome heeft van deze zalving opnieuw een middel tot uitbreiding van haar macht gemaakt, waardoor de greep op de zielen zelfs op het sterfbed nog eens wordt aangehaald. Men kan in de roomse literatuur veel lezen over de betekenis van de ziekenolie, over de wijding ervan door de bisschop, eens per jaar in de goede week. Minder bekend is dat elke pastoor geld moet betalen aan de bisschop voor deze ‘heilige olie’, maar dat is het ergste niet. Veel erger is dat, wat Rome rondom deze zalving van de zieken met de stervenden doet en leert.

De zorg van de ‘moeder’ 

Als een rooms-katholiek op sterven ligt, wordt de priester geroepen om hem te ‘bedienen’ of te ‘berechten’, zoals dat heet. De zieke biecht, als hij daartoe nog in staat is en ontvangt op die manier, zo leert Rome, vergeving van al zijn zondeschuld. Dan ontvangt hij de hostie, waardoor Jezus Zelf, zo leert Rome, onder de gedaante van brood met lichaam en ziel in de zieke komt om hem te sterken voor de laatste levensstrijd. Maar de ‘Moeder’ heeft nog meer voor haar ‘kinderen’. De priester zalft ogen, oren, neus, mond, handen en voeten, terwijl hij in het Latijn bidt, dat de zieke alles vergeven mag worden wat deze misdaan heeft door middel van al deze ledematen. Ook deze zalving sterkt de zieke voor de laatste levensstrijd en ‘als het hem zalig is’ zal hij er zelfs de genezing door ontvangen.

Maar nog is de ‘Moeder’ niet klaar bij dat sterfbed. De zieke ontvangt weliswaar kwijtschelding van zijn zondeschuld, maar, zo leert Rome, dat is wat anders dan de zondestraf. Deze is gebleven en als de straf, die de mens voor zijn zonden verdient, niet in dit leven uitgeboet wordt door werken van boetvaardigheid, blijft deze straf bewaard voor later, voor het hiernamaals, voor na de dood, voor het vagevuur. Maar zelfs hier is een doekje voor het bloeden, ook hier heeft Rome iets voor de mens, die al te bang zou worden over dat wat hem te wachten staat als hij straks in de handen van die wrede, wrekende God vallen zal.

Er zijn mensen, die in hun leven veel meer boete hebben gedaan dan nodig was voor hun eigen zonden. Dat zijn de roomse heiligen. Hun batig saldo aan boetedoeningen is de erfenis van de kerk van Rome. De paus van Rome mag over deze ‘schat’ van de kerk vrij beschikken en hij doet dat door het verlenen van aflaten. Soms worden deze aflaten gratis verstrekt en bij andere gelegenheden worden ze verkocht. Nog onlangs stond er in het blad, ‘In de Rechte Straat’ een fotokopie van een aflaatbrief, zoals deze vandaag nog verkocht wordt in Spanje. De meest voorkomende manier van verkoop van aflaten zijn de ‘Missen tot lafenis van de zielen’, waarover straks nog meer. Bij het sterfbed van haar kinderen heeft Rome echter een pracht van een gratis aflaat, omdat de bedroefde nabestaanden dat straks wel weer zullen vereffenen als zij hun missen voor de afgestorvene komen bestellen. De priester, die het ‘heilig oliesel’ heeft bediend is door de paus namelijk gevolmachtigd om de zieke een pauselijke zegen te geven, waardoor hij volledige kwijtschelding krijgt ook van alle zondestraffen. Sterker nog: de zieke krijgt deze aflaat niet op het moment dat deze zegen wordt uitgesproken, maar pas op het moment dat hij zijn laatste adem uitblaast. Wie hier even nuchter denkt en rekent, zal tot de slotsom komen, dat zo’n ziel dan wel regelrecht de hemel binnengegaan zal zijn: al zijn zonden waren vergeven, al zijn straffen zijn kwijtgescholden, het kan niet mooier. Daar kan de ‘protestant’ toch maar niet tegen op.

Bidt voor de ziel van zaliger 

Ondanks al deze ‘moederlijke’ zorgen rond het sterfbed, ondanks die overvloed aan sacramenten, ondanks die gratis aflaat, staat er op elk bidprentje van een gestorvene: bidt voor de ziel van zaliger … Wie hier oren heeft om te horen, wie hier ogen heeft om te zien, wie hier wil zien, die moet tot de erkenning komen, dat er rondom dat sterfbed bedrog is gepleegd. De ‘moeder’ is aan het sterfbed van haar ‘kind’ geweest met wat uiterlijk vertoon, met indrukwekkende maar lege ceremoniën, waaraan de radeloze stervende zich heeft vastgeklampt en een valse vrede heeft gekregen. Maar juist daardoor is die ‘moeder’ de oorzaak geweest, dat de stervende zich niet is gaan vastklemmen aan de enige, die redding en uitkomst biedt aan een zondaar: Jezus Christus. De stervende rooms-katholiek vraagt naar de priester en verlangt naar wat deze man rond zijn sterfbed zal doen, terwijl die zieke dan juist meer dan ooit zich in puur geloof moet vastklemmen aan wat Jezus heeft gedaan door zijn ene, volkomen volbrachte werk op Golgotha. De stervende wordt de dood ingesust door het bedrog, dat hij vergeving van zijn zondeschuld heeft verkregen door de absolutie van de priester en dat zijn zondestraf is kwijtgescholden door de volle aflaat van de pauselijke zegen.

De ware aard van deze roomse valse leer komt wel heel sterk uit in het feit, dat de dierbare nabestaanden hun portemonnee moeten openen ondanks al die ontroerende zorgen van de ‘moeder de heilige kerk’ rondom het sterfbed. Met een van hun vele spitsvondigheden komen dan de roomse theologen aandragen om de eventuele ontstane hoop in die mate de kop in te drukken, dat er geld op tafel komt. Je kunt nooit zeker weten, of de stervende wel in de juiste gesteltenis was, toen hij die sacramenten ontving en die pauselijke aflaat … daarom kon je er toch niet helemaal zeker van zijn dat hij regelrecht naar de hemel is gegaan. Dat betekent dus dat hij misschien (versta: waarschijnlijk) wel in het vagevuur zal zijn. Denk je eens in: een moeder, die haar geliefd kind in de verschrikkelijke pijnen van het vagevuur weet, of een liefhebbend kind dat zijn ouders in die gruwelijke kwelling van dat vagevuur weet zal men niet alles willen doen om de dierbare overledenen daaruit te halen? En dat kan, leert Rome. Ze zegt dat heel bescheiden: bidt voor de ziel van zaliger. Hier wordt de rooms-katholiek, aan wie het bidden nooit is geleerd en die groot is gebracht met allerlei formuliergebeden, ineens aangespoord om te gaan bidden voor zijn dierbare gestorvene. Met dat bidden weet men geen raad, maar Rome heeft daar een oplossing voor.

Eén moment van het vagevuur is veel erger dan al het leed van de hele wereld samen

Eén moment van het vagevuur is veel erger dan al het leed van de hele wereld samen, zo heet het; maar als men z’n dierbare uit die verschrikking wil verlossen, dan kan men niets beter doen dan misoffers te laten opdragen voor de zielenrust. Dan is die goede ‘moeder’ daar alweer met haar diensten, maar nu moet de portemonnee open! God heeft nergens zoveel welbehagen in als in het offer van Zijn Zoon. Welnu, de Mis is de onbloedige vernieuwing van dat offer: geen beter middel om God gunstig te stemmen om de gestorvene zijn straffen kwijt te schelden dan het offer van Zijn Zoon, dat Rome kan hernieuwen door haar priesters. Dat Misoffer heet dan ook al gratis te zijn, maar toch krijgt men het niet zonder te betalen. Dat is roomse economie, maar het is duivelse economie. Het is sjacheren rondom het lijden en sterven van Gods eigen Zoon. Het is geldklopperij door middel van het éne, volkomen en onherhaalbaar offer van Jezus Christus, dat men daartoe dagelijks door tienduizenden priesters ‘op onbloedige en mystiek wijze’ laat herhalen. Gratis, zo zeggen de bedriegers, maar het gebeurt toch alleen maar als er geld op tafel wordt gelegd.

Het bidden voor de ziel van de gestorvene neemt Rome wel van haar kinderen over en dat is haar allerbeste bron van inkomen. Hele kapitalen worden dagelijks besteed aan die missen tot lafenis van de overleden zielen. De zwendel wordt nog vergroot door de leer dat vijftig Missen ineens, die dan zonder enige onderbreking vijftig achtereenvolgende dagen gelezen moeten worden, effectiever zijn dan andere Missen. O wat erg!