Wanneer er bij rooms katholieken een kindje geboren wordt, wordt het meestal dezelfde dag nog naar de kerk gedragen. Men maakt haast om te dopen (besprenkelen) en men wordt tot die haast verplicht. Het uitstellen van de besprenkeling kan gevaarlijk zijn. De eeuwige zaligheid van de baby kan daar immers vanaf hangen. Deze roomse dooppraktijk (babybesprenkeling) en de roomse leer, die daarachter staat, roepen ook al weer veel vragen op bij iemand, die al deze dingen beziet tegen de achtergrond van de Woorden van God, de Bijbel. Deze vragen moeten beantwoord worden, omdat de dodelijke ernst van de rooms-katholieke dwaalleer anders onderschat wordt.
De misleiding van Rome begint al bij de doopvont. Elke gelovige moet weten, wat hij op grond van de Woorden van God moet denken van deze roomse babybesprenkeling. Dit oordeel op basis van het Nieuwe Testament zal hem dan bewaren voor de verzoeking van een verkeerde sentimentaliteit, waardoor velen zich laten verblinden. Het lieve babygehuil, als gevolg van het doopwater of van het zout in de mond, ontroert nog steeds veel harten en maakt deze ‘babydoop’ bijna tot een attractie voor de omstanders. Als de aansporing: ‘Wees nuchter en waakzaam’ ergens op zijn plaats is, dan is het wel hier.
De Roomse deur – Paus Eugenius IV
Zo komen we vanzelf bij de toegang tot de Kerk van Jezus Christus. De kerk van Rome heeft ook hier weer haar geheel eigen on-Bijbelse antwoord op de vraag naar die toegang. Paus Eugenius IV heeft op het Concilie van Florence in het bekende decretum pro Armenis het doopsel genoemd: ‘De deur van het geestelijk leven’ (Denz. §696). Er heerst een bijna ziekelijke angstvalligheid rondom het besprenkelen van een baby. Deze angstvalligheid wordt zelfs tot het walgelijke opgevoerd, waar men bij twijfelachtige uitslag van een bevalling ertoe over gaat het ongeboren kind nog in de moederschoot te dopen!
Achter deze onchristelijke praktijk staat namelijk de nog veel onchristelijker leer: zonder de doop geen nieuwe geboorte, geen kindschap van God, geen genade, geen behoud, geen hemel. Het doopsel is immers – volgens de kerk van Rome – de deur van het geestelijk leven! Wie deze deur niet doorgaat… wee hen! Deze deur, dit doopsel, is noodzakelijk voor de zaligheid van de mens zoals het middel noodzakelijk is om het doel te bereiken. Weliswaar zijn er nog twee achterdeurtjes, waarlangs men ook nog binnen kan komen (doopsel van bloed en van begeerte), maar deze gaan alleen open bij volstrekte onmogelijkheid van de gewone doop.
Rome leert dat de gevolgen van het besprenkelen van baby’s zijn:
- “De vergeving van de erfzonde en van alle persoonlijke zonden,
- de kwijtschelding van alle zondestraffen,
- de heiligmakende genade,
- het kindschap Gods,
- de wedergeboorte,
- de zegen van de goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde,
- het deelgenootschap aan de verdiensten van Jezus Christus,
- de bevrijding uit de macht van Satan,
- de opname in de kerk,
- het recht op de hemel,
- de zegen van de gaven van Gods Geest,
- en het eeuwigdurend merkteken in de ziel…”
Een verkrachting van het eeuwig Evangelie
Dat is dus wel heel erg veel tegelijk en dat allemaal door die paar druppeltjes water op het hoofdje van een baby van één dag, dat zelf nergens begrip van heeft. Wat een bron voor valse vrede! Wat een verkrachting van het eeuwig Evangelie met zijn niettemin onontkoombare eis: persoonlijke bekering en persoonlijk geloof.
- Bij Rome kan de nieuwe geboorte echter plaats hebben zonder bekering en zonder persoonlijke overgave aan de Christus van de Schriften.
- Bij Rome wordt een baby van één dag al opnieuw geboren. Maar het gaat het leven dan ook in met een ingebeeld kindschap van God, op grond van de Roomse babybesprenkeling.
De Satan lacht!
Het is hem gelukt om honderden miljoenen mensen door middel van deze roomse babydoop met een christelijke schijn tevreden te stellen. Mensen, die net als de dwaze maagden in het Evangelie rustig slapen, in valse vrede, wachtend op Christus, de Bruidegom, terwijl ze niet weten, dat zij geen olie hebben en niet klaar zijn voor Zijn komst. En dan zal de deur voor hen gesloten zijn! (Matth.25:1-13).
Een fatale deur – De misleidende sacramenten met haar vervloekingen
Niet alleen is de roomse babybesprenkeling de enige toegangsdeur naar al de genaden van Christus, het wordt nog erger door al de voorschriften waar Rome de geldigheid van de doop afhankelijk van heeft gemaakt. Het is nuttig om bij deze ergerlijke bepalingen eens stil te staan, zodat men gaat zien waartoe men onvermijdelijk komt, als men het pad, dat God ons in Zijn Woord heeft uitgestippeld, verlaat om menselijke bedenksels na te lopen. En deze zijn er dan ook naar!
- Net als bij elk ander van haar zeven ‘sacramenten’ onderscheidt de roomse theologie ‘stof’ en ‘vorm’ van het sacrament. Beide worden nauwkeurig omschreven en omgeven door ontelbare voorschriften, die het sacrament ongeldig of ongeoorloofd maken. De ‘stof’ van het doopsel wordt weer verder onderscheiden in verwijderde en naaste stof.
- Al deze dingen brengen veel hoofdbrekens met zich mee voor de roomse moraaltheologen. Zo worden allerlei vloeistoffen onder de loep genomen om te zien, of ze wel of niet als doopstof gebruikt kunnen worden. Ze maken dan uit wat zeker geldig is, wat zeker ongeldig is en wat twijfelachtig is. Zo mag men wel dopen met water, dat zich op de muur vertoont bij vochtig weer als ook met troebel water. Zeker ongeldig is het doopsel dat gebeurt met melk, bloed, vruchtwater(!), tranen, speeksel, schuim, inkt, wijn, bier. Twijfelachtige stof is: dunne soep, dun bier, slappe koffie en thee enz. Al deze zware problemen komen aan de orde als de roomse theologen het in hun moraalboeken over de doop hebben. Van het gebruik van water of thee kan het eeuwig leven van de niets vermoedende baby afhangen!
- Nog erger wordt het, als men het heeft over de ‘naaste’ stof van het doopsel. Ook hier hebben de roomse theologen weer problemen, die zonder meer belachelijk zouden zijn als de zaak tegelijkertijd niet zo diep treurig was. De ‘naaste’ stof is het afwassen van de dopeling door de doper. Het is voldoende, dat het water over de baby vloeit. Het is echter onvoldoende, als slechts één druppel afvloeit (God telt de druppels naar het schijnt…).
- Twijfelachtig is de doop, als men met een natte vingertop het voorhoofd van de dopeling aanraakt of met een natte spons of doek, zonder dat het water vloeit. Ook wanneer de druppels aan de huid blijven kleven en niet afvloeien (God ziet nauwkeurig toe of de druppels wel of niet rollen en Hij maakt daar de eeuwige verlossing van de dopeling van afhankelijk)!
- De celibataire priestertheologen concentreren ook hun volle aandacht op de doop in de moederschoot. Als alleen de baarmoeder of de vliezen geraakt worden of alleen de vetlaag van de schedel, dan is de doop ongeldig.
- Al dit fraais en nog veel erger dingen kan iedereen lezen als hij zich een roomse moraaltheologie aanschaft. Kennis van de Latijnse taal is daarbij wel aanbevolen, want als de moraaltheoloog wat al te zeer in seksuele details treedt, dan gaat hij al of niet blozend in het Latijn over omdat het al te onfatsoenlijk is voor onze Nederlandse taal.
- De ‘vorm’ van het doopsel levert ook al weer problemen op, die de dopeling het eeuwig leven kunnen kosten. Het gaat nu over de doopformule. Zeker ongeldig is het, als er gezegd wordt: ‘Ik wil u het sacrament van het doopsel toedienen in de naam van de Vader enz.’. Zeker ongeldig is de doop, als de woorden niet tegelijkertijd met het afwassen worden uitgesproken. Enzovoorts, enzovoorts.
Als de doop dus niet precies volgens de regels gebeurt, blijft de deur van Gods genade dicht, want dan is de doop ongeldig. Dan is die doop voor zo’n kind een fatale deur geweest, want de niets wetende baby groeit op in de mening een kind van God te zijn, maar het doopwater is niet goed geweest, of het water heeft niet goed gevloeid of de formule is niet goed uitgesproken en dus geen genade bij God. Als een passe-partout komen de roomse theologen bij deze al te dwaze gevolgtrekkingen uit hun eigen bedenksels dan wel met het vernuftige ‘doopsel van begeerte’ aandragen, maar wij luisteren liever naar wat God in Zijn Woord tot ons zegt.
De goede deur
Hoe heel anders en hoe duidelijk is dan de taal van de enige Blijde Boodschap! Daar treedt de Christus tevoorschijn, met die bemoedigende woorden op Zijn lippen: ‘Ik ben de deur van de schapen!’ (Joh.10:7). Hij, Jezus Christus, is de enige deur naar het eeuwig leven. Wie in Hem gelooft heeft het eeuwige leven, daar doet de roomse babybesprenkeling niets aan af of toe. Hij, Jezus Christus, is de bron van het levende water: wie dorst heeft en wie wil, die mag komen en die mag het Levenswater gratis drinken, zo zegt God in Zijn Woord. Hij, Jezus Christus onze levende Heer en Verlosser, Hij is de ware wijnstok. Zonder Hem kunnen wij niets dat God kan behagen, maar in Hem kunnen wij alles en hebben wij alles. En in Hem komen wij – niet door de roomse babybesprenkeling – maar door te doen wat Hij zegt, door een daadwerkelijk geloof, door een praktische erkenning van Jezus Christus als onze Heer en als onze Meester. Hij, Jezus Christus, Hij is de weg.
Niet de roomse babybesprenkeling is de weg die men moet gaan om tot God te komen. Hij, Jezus Christus, onze Verlosser, Hij is het leven. Niet de roomse babybesprenkeling schenkt ons het eeuwige leven maar het persoonlijke geloof, de persoonlijke overgave zonder voorbehoud aan Jezus Christus. Jezus, onze Redder. Hij leert ons de waarheid, omdat Hijzelf de waarheid is. Rome leert ónwaarheid en leugen vanaf de doopvont tot aan het graf. Niet door de roomse babybesprenkeling wordt men een kind van God, maar door het geloof in Jezus. Rome komt niet door dé deur binnen en is dus de dief, rover en slachter (Joh.10). De enige deur is Jezus Christus zelf. De enige toegang tot Jezus is het persoonlijk geloof na de bewuste bekering.
Welke deur heb ik gebruikt?
Het is erg belangrijk om uzelf in alle ernst de vraag te stellen: welke deur is de rooms katholiek doorgegaan? Er zijn veel ‘gedoopten’, maar zijn er ook zoveel ‘opnieuw geborenen’? Als dat zo was, wat zou de wereld er dan anders uit zien. Als het niet zo is, dan heeft het zin om zich af te vragen of men de enige deur van de verlossing, Jezus Christus, wel is binnengegaan. De misleiding van de roomse babybesprenkeling heeft verstrekkende en uiterst funeste gevolgen.
Jezus is dè deur van de schaapsstal
Wie die deur binnen is gegaan heeft deel aan de zorg van de Goede Herder. Hij heeft leven in overvloed. Hij kan drinken aan de Bron van het levend Water en krijgt geen dorst meer in eeuwigheid. Wie al deze heerlijkheden nog niet ziet, wie de vervulling van al Jezus’ beloften nog niet in eigen leven ondervindt, die doet goed zich af te vragen: ben ik de goede deur wel binnengegaan? Voordat wij de rooms katholieken soortgelijke vraag gaan stellen, moeten we eerst zelf met zo’n vraag volkomen klaar zijn, willen we enig recht van spreken hebben.


