Bekering van een gehersenspoelde Roomse priester
Bijbehorende artikelen en series:
- Een ex Trappist
- Een geschiedenisles
- De Rooms Katholieken
- Rooms Katholiek? Toets uw geloof!
- Marialogie
- Rome en de Bijbel
Een afvallige priester. Zo noemen mijn vroegere geloofsgenoten mij nu. Gelijk hebben ze tot op zekere hoogte. Ik ben afgevallen van de Rooms Katholieke kerk, zoals Paulus eens ‘afviel’ van het Jodendom. Men zou ook kunnen zeggen dat het geloof van Paulus als Jood, vervolledigd werd toen hij tot Christus werd bekeerd. Zo lijkt het mij juister en meer overeenkomstig de waarheid om mijn verlaten van de Rooms Katholieke kerk een zuivering van mijn christelijk geloof te noemen. Zoals Paulus door de ene groep een afvallige werd genoemd en tegelijkertijd voor de andere groep een bekeerling heette, zo is dat ook met mij het geval.
Het maakt mij blij om hier iets te berichten over de grote dingen die de Heer met mij gedaan heeft. Graag wil ik op deze manier het baanbrekend werk steunen dat mijn vriend en oud collega ds. H.J. Hegger in België samen met anderen heeft verricht. Maar dat is geen gemakkelijke taak! Ook Rooms Katholieken zullen dit lezen. Ik wil hen niet kwetsen. ‘De liefde kwetst niemands gevoel’ zo heet het in het Hooglied van de liefde (1 Cor.13:5). Ik wil niemand aanvallen en niemand iets verwijten. Ik wil alleen maar in alle eenvoud een getuigenis geven van de weg waarlangs de Heer mij geleid heeft van de manier waarop ik Hem mocht vinden. Ik wil vertellen wat ik ontdekt heb en hoe rijk en gelukkig ik ben geworden door deze ontdekking. Want het geluk dat ik zelf heb gevonden, zou ik graag iedereen ten deel zien vallen. Het is ook voor iedereen! Dáárom vertel ik er over, in de hoop dat ik iemand hongerig of dorstig kan maken. Dan zal de Heer hem of haar wel verder leiden, net zoals Hij dat met mij gedaan heeft.
De Achelse Kluis

Tien jaar lang was ik Trappist in de Belgische Abdij De Achelse kluis en daarna was ik nog ruim een jaar werkzaam als kapelaan in het Bisdom Haarlem. Toen werd voor het éérst een aanval gedaan op mijn Rooms Katholieke overtuiging, die als ogenblikkelijk resultaat had, dat ik met een nieuwe overtuiging de kerk verliet. De kerk die zich de alleenzaligmakende noemt. Gods wegen zijn wonderbaar! Hoe is het mogelijk dat iemand die tien jaar doorgebracht heeft in een strikt contemplatief (beschouwend) klooster, die vijf jaar theologie gestudeerd heeft en dus geheel doordrongen was van de Rooms Katholieke leer, dat zo iemand bij de allereerste aanval op zijn geloof aanstonds capituleert? Zoiets is alleen mogelijk door de leiding van Hem die harten en nieren doorgrondt en die een Hoorder is van het gebed. Vele jaren lang had ik Hem gezocht. Oprecht gezocht met inspanning van alle krachten. Maar dat laatste was juist het verkeerde ervan. Ik meende zèlf een heleboel te moeten doen, maar God heeft zich niet laten vinden. Tot ik het opgegeven had, Hem niet meer zocht. Ja mij praktisch van Hem had afgewend. Toen zocht HIJ mij! Sinds ik het woord van Jezus ben gaan geloven: ‘Het is volbracht’ (Joh.19:30) en ik ben gaan beseffen dat ik daar niets meer aan toe hoefde te voegen, heb ik Hem mogen vinden. Het is daarvan dat ik u nu vertellen wil.
Tien jaar Trappist

Geboren en getogen in een gezin met tien kinderen, ben ik van jongs af aan zeer godsdienstig opgevoed. Mijn vader was zelf tot het Noviciaat van een missionerende orde geweest. En de geestelijke vorming die hij daar ontving, heeft een stempel gedrukt op de opvoeding die hij aan zijn kinderen gaf. Op twintigjarige leeftijd trad ik uit eigen vrije keuze in de allerstrengste kloosterorde die er in Nederland en België is: de Cisterciënzerorde, beter bekend onder de naam van Trappisten. Het meest opvallende van deze orde is haar voortdurende stilzwijgen. Deze monniken hebben de regel van Sint Benedictus, die het strenge kluizenaarsleven van de woestijnvaders in groepsverband heeft willen voortzetten. Men kan over dit soort leven heel mooi schrijven. Doel en opzet zijn dan ook prachtig en heerlijk: men wil als Maria van Bethanië aan de voeten van de Meester blijven en zoeken wat hierboven is. Men wil een onafgebroken gebedsleven leiden, waartoe alle afleiding die de wereld biedt, vermeden wordt. Deze levenswijze van deze monniken krijgt pas zin, als men het hoofddoel in de gaten houdt. Want het stilzwijgen, de soberheid, het vasten, de volkomen afscheiding van de wereld, de strenge regelmaat, de volledige afhankelijkheid in alles, de urenlange gebedsoefeningen, het gemis aan verkwikkend comfort, de gestage arbeid enz., enz., moet dienen om alle zielenkrachten vrij en geconcentreerd te houden op dat enig nodige dat Maria van Bethanië zocht en waarvoor zij door de Heer werd geprezen. Ook ik wilde een man van het gebed worden. Ik wilde mij helemaal inzetten voor het geestelijke leven, voor het onafgebroken verkeer met God. Het verlangen daarnaar deed me besluiten Trappist te worden.
Een wanhopige strijd

Tien jaar ben ik Trappist geweest. Vol idealisme en met bijna grenzeloze edelmoedigheid ben ik er in getreden. Ja, dat strenge leven was mij zelfs nog niet streng genoeg. Met goedkeuring van mijn novicemeester deed ik er graag nog een schepje bovenop. Want ik wilde de ‘oude mens’ eronder krijgen. Ik wilde volkomen heerschappij krijgen over al mijn zintuigen. Wanhopige pogingen heb ik bv. ondernomen om de beheersing van mijn ogen te verkrijgen. Om ingetogen te worden, wat een noodzakelijke voorwaarde is voor het gebedsleven. Maar helaas ontbraken mij de mensen die mij op Paulus’ woord uit Romeinen 7 wezen. De mensen die mij wezen op mijn volslagen onmacht om dan ook maar iets te bereiken door al die eigen pogingen. De mensen die mij leerden alles van de Heer Jezus te verwachten en van de werking van Zijn Geest. Het is juist de tragiek van dat leven, dat zoveel monniken en monialen een utopie najagen. Dat ze heldhaftige offers brengen zonder dat hun doel op die manier bereikt kan worden. Dat drong al die jaren ook niet tot mij door. Totdat het voor mij duidelijk is geworden dat al mijn gerechtigheid in Christus is. Dat ik in Christus wijs, rechtvaardig, heilig en verlost ben (1 Cor.1:30). Dat ik in Christus vrijgemaakt hen van de wet van de zonde (Rom.8:2), beroemen kan bij God (Rom.15:17) en overwinning te allen tijde (2 Cor.2:14). Nee, nooit zal ik alleen volmaakt zijn. Nooit zal ik alleen iets te roemen hebben. Maar in Christus héb ik alles wat ik zou willen hebben en in Christus bén ik alles wat ik zou willen zijn!
Ik geef de strijd op

Ondanks de meest edelmoedige pogingen moest ik na zes à zeven jaar Trappistenleven ontdekken dat ik nog steeds een puur natuurlijk leven leidde en dat ik allesbehalve een man van het gebed was. Ik was uitgegroeid tot een neuroticus die zijn gevoelsleven geweld had aangedaan. Een geschonden persoonlijkheid was het enige resultaat van mijn rusteloze pogingen om iets te bereiken. De kloof tussen mijn ‘natuurlijk’ en mijn ‘bovennatuurlijk’ leven werd steeds groter. De spanningen werden steeds ondraaglijker, zowel inwendig als ten opzichte van mijn omgeving. In die tijd schreef ik dit alles echter toe aan mijn al te actieve natuur. Zodoende kwam ik tot de conclusie dat ik in het kloosterleven niet thuis hoorde.
Pas later ben ik gaan beseffen, waarom ik daar niet slagen kón en waarom ik tevergeefs heb uitgezien naar medebroeders die het gestelde doel wèl bereikten. Talrijk, zeer talrijk zijn de bewijzen waarmee ik kan aantonen, dat ik in het klooster God werkelijk gezocht heb. Dat ik geen ‘mislukte’ kloosterling ben, wiens eigen schuld het is dat hij God niet vond. Twee jaar heb ik moeten wachten voor ik verlof kreeg om over te gaan naar de ‘wereldse geestelijkheid’. Het waren twee verschrikkelijke jaren, waarin ik moreel gedwongen was het strenge Trappistenleven te leiden, terwijl ik het geloof in dat ideaal al kwijt was. Het waren twee jaren van ondraaglijke spanningen en problemen. Ik was Pater metselaar, de Trappisten werken met hun handen om de kost te verdienen – en een grote bouwschuld was voor mij een welkome gelegenheid om talrijke dispensaties te krijgen, zodat ik de vlucht kon nemen in de handenarbeid. Ik dwong mezelf tot urenlange afmattende arbeid om de gemeenschappelijke oefeningen (en de problemen!) te ontlopen. Tot voor mij de dag van de ‘bevrijding’ kwam en mijn Abt me verlof gaf heen te gaan.
Kapelaan

Ondanks de meest pessimistische verwachtingen werd ik onmiddellijk aangenomen in het Bisdom Haarlem. Ik werd assistent in mijn eigen parochiekerk, waar ik mijn jeugd had doorgebracht. Maar daarmee brak voor mij opnieuw een zeer donker jaar aan. In een overspannen en overwerkte toestand had ik de Achelse Kluis verlaten. En nu moest ik eerst de wrange vruchten plukken van de tien jaar waarin ik met de moed van de wanhoop gestreden had voor het bereiken van mijn ideaal. Want nu kwam de reactie: ik had niet de kracht om het hoofd te bieden aan de moeilijkheden van de nieuwe levenswijze. Het kloosterideaal, hoe mooi ook, was voor mij een utopie gebleken. En de middelen die de Roomse kerk aanprijst tot bereiking van dat ideaal, hadden mij moe gemaakt. Zó moe, dat ik er een hartgrondige afkeer van had gekregen! Zwaar gedesillusioneerd en volkomen ontmoedigd had ik het klooster verlaten. Ik zocht God niet meer. Ik bad zelfs niet meer. Ik kon eenvoudig niet meer bidden! Alles was me een last geworden. Van Rooms-katholieke zijde zal men wellicht zeggen dat ik ‘afgevallen’ ben, omdat ik toen niet meer bad. Maar de waarheid is, dat ik niet meer bad omdat ik te consequent Rooms-katholiek was geweest. Omdat de Roomse leer en moraal mij op een dood spoor hadden geleid. Ik walgde ervan en dáárom wilde ik niet meer verder.
Maar toen is God gekomen en heeft Zich over mij ontfermd. Ondanks het feit dat ik Hem niet meer zocht. Ondanks het feit dat ik niet meer bad. Ja, dat wat de Rooms-katholieken een ‘afval’ noemen, werd in werkelijkheid een bekering! God zij daarvoor alle eer en glorie! Was de begintijd als zielzorger al vol moeilijkheden; mijn eerste benoeming als Kapelaan op een klein boerendorp bracht mijn mislukking als priester eerst goed aan het licht. Misschien juist omdat ik daar voor meer dingen verantwoordelijk was en meer vrijheden genoot dan in de vorige parochie. Ach, het waren eigenlijk alleen mijn kleren nog maar waardoor ik een Rooms-katholiek priester was. In mijn hart was ik het in vele opzichten niet meer. Ik was zozeer met aardse verlangens en begeerten vervuld, dat ik geen rust meer kende. Mijn innerlijke leegheid speelde mij parten. In veel dingen zocht ik mijzelf en daardoor kwam ik herhaaldelijk in conflict met mijn werk, dat ik verwaarloosde omdat ik er geen vreugde meer in vond. Ik was in een volkomen dwangsituatie gekomen: Ik kon de spanningen niet meer verwerken en werd daardoor gedwongen een tijdlang volkomen rust te nemen. Maar buiten God is er geen ware rust! En het was juist in deze rustperiode dat de Heer mij gevonden heeft!
Smekend om Gods Geest

De overvloed van tijd die ik toen tot m’n beschikking had, heeft me er toe geleid de persoon op te zoeken die de Heer gebruikt heeft om mij tot Zich te trekken. Ik was priester. Ik kende God met m’n verstand, maar toch had ik nooit ervaren hoe goed en heerlijk de Heer Jezus is. Ondanks tien jaar beschouwend leven, was God in mijn leven eigenlijk nooit verder binnengetreden dan het voorportaal van mijn verstand. Alle eigen pogingen om daar verandering in aan te brengen hadden gefaald. Ik had dikwijls vroom nagedacht over het lijden en sterven van onze Heer Jezus Christus. Vooral onder het bidden van de kruisweg, die ik in de kloostergangen ontelbare malen ben gegaan. Maar toch bleef Christus eigenlijk een vreemde voor mij, omdat ik Hem nooit had aangenomen als mijn persoonlijke Verlosser en Redder. Nooit was er in het klooster iemand geweest die mij de zuivere verlossing- en genadeleer van de Bijbel onder de aandacht heeft gebracht. Hoe mijn ogen dáárvoor geopend werden zal ik in de bijbehorende artikelen en series uitleggen.
