6 De tirannie van Rome

Onder het voorwendsel, dat de paus de zichtbare plaatsbekleder is van Jezus Christus op aarde en dat hij en de bisschoppen het recht hebben om wetten te maken, oefent de kerk van Rome een gruwelijke tirannie uit over al haar onderdanen. Zij heeft een kerkelijk wetboek, dat dik twee duizend voorschriften bevat! De priesters moeten in hun opleidingstijd duizenden bladzijden bestuderen uit hun moraalhandboeken met daarin ontelbare voorschriften gegeven worden voor alle omstandigheden van het persoonlijk en openbaar leven. Van de wieg tot het graf wordt de rooms-katholiek omgeven door een haag van geboden en verboden, vergezeld heel vaak met de dreiging van eeuwige straf in de hel als hij zich niet voegt naar deze wetten. Op zondag zijn er rooms-katholieken in de kerken, waarvan het merendeel kennelijk verveeld zit te wachten tot de in het Latijn opgevoerde show is afgelopen. Toch gaat men er meestal nog heen, ondanks het feit dat de meesten er een gruwelijke hekel aan hebben, maar men doet een doodzonde als men wegblijft. Men gaat naar de hel als men die doodzonde niet gaat biechten.

Onder  dreiging van doodzonde wordt de rooms-katholiek ook verboden om iets te lezen, dat hem in zijn rooms-katholieke overtuiging zou kunnen schokken. Hij wordt onder dreiging van doodzonde tot de ‘genademiddelen’ van de kerk, de sacramenten, gedreven: minstens ééns per jaar moet hij biechten en communiceren. Als hij biecht moet hij alle ‘dood’-zonden biechten: het aantal moet precies aangegeven worden en alle omstandigheden, die de zonde van soort kunnen veranderen, moeten erbij vermeld worden. De biecht is ongeldig en geen enkele zonde wordt er vergeven, als men zich niet aan dit gebod onderwerpt. Zelfs het denken van de mens wordt gereglementeerd en bedreigd. Wie vrijwillig iets betwijfelt van alles wat Rome de gelovigen voorhoudt, die doet al een doodzonde, Men moet denken zoals Rome dat voorschrijft. Men moet geloven, niet wat God in Zijn Woord, maar wat Rome in haar leerstellingen de gelovigen voorhoudt. De gewetensdwang, welke Rome op deze manier uitoefent is gruwelijk. De lasten, die zij oplegt, zijn hemeltergend. De onverdraagzaamheid van Rome ten opzichte van mensen, die anders durven te zeggen dan Rome, is in landen waar Rome kan doen wat zij wil mensonterend.

De feitelijkheden in de voorbije eeuwen, de houding van Rome ten opzichte van de door haar genoemde ketters, de duizenden en duizenden, die door Rome vermoord werden, omdat zij zich niet aan haar wetten hielden, moeten ons toch wel duidelijk maken, wat er van de christelijke vrijheid bij Rome overblijft. Laat men door een leven, waarin de christelijke vrijheid niet wordt misbruikt, de rooms-katholieken toch jaloers maken op de heerlijkheid, welke Christus voor ons verworven heeft, zodat ook zij zich zullen gaan uitstrekken naar de waarheid van Gods geschreven Woord en alleen die waarheid zal hen vrijmaken (Joh.8:32)!

Wat moeten wij geloven?

Hoe vaak gebeurt het niet, dat men met de beste bedoelingen een gesprek begint met een rooms-katholiek, waarbij men zich dan wil gaan bedienen van het ‘zwaard van de Geest, dat is het woord van God’ (Ef.6:17). Men komt dan vaak tevoorschijn met een argument, waarvan men denkt dat het absoluut afdoende is. Het tegendeel blijkt dan waar te zijn. Wie tot een rooms katholiek zegt: ‘Hoe kan je dat toch geloven, daar staat immers niets van in de Bijbel’, kan het laconieke antwoord verwachten: ‘Nou, wat geeft dat?”  Het is juist hier, dat het meeste onbegrip schuilt. Men zal altijd langs elkaar heen blijven praten, als men niet éérst het uitgangspunt van het gesprek gaat bepalen. Het is vanzelfsprekend, dat het ENIGE uitgangspunt is: Gods geschreven woord, de Bijbel. En dat is inderdaad juist. Maar men moet tegelijkertijd toch wel weten, dat de rooms-katholieken een geheel andere basis hebben, waarop hun geloof steunt: de kerk van Rome.

Wat Rome leert over de geloofsbronnen

  • ‘Welke waarheden moeten wij geloven?’ ‘Wij moeten de waarheden geloven die God geopenbaard heeft en die de Heilige Kerk ons voorhoudt te geloven.’
  • ‘Waarin zijn de waarheden bevat die de heilige Kerk ons voorhoudt te geloven?’ ‘Zij zijn bevat in de heilige Schrift of de Bijbel en in de overlevering of traditie.’

Dat zijn twee vragen met antwoorden uit de roomse catechismus. Daaruit blijkt wat het meest fundamentele verschil is tussen christenen en rooms-katholieken. De rooms-katholiek put zijn geloof altijd twee bronnen: Bijbel én Traditie. De wedergeboren en Geestvervulde christen steunt op de Schrift alléén. Leerstellingen en praktijken, die in de Bijbel niet te vinden zijn, zijn niet minder gelovenswaardig voor de rooms-katholiek, àls de kerk van Rome ze maar te geloven voorhoudt. Vandaar dat het argument: ‘dat staat niet in de Bijbel’, helemaal geen indruk maakt op een rooms-katholiek. De traditie is even geloofwaardig als de Bijbel zelf. Zij hebben theoretisch allebei evenveel gezag, hoewel praktisch de traditie zelfs boven de Bijbel staat, omdat zij ook fungeert als de beste uitlegster van de Bijbel.

Dat er buiten de Bijbel nog andere waarheden kunnen zijn, die Jezus Christus en de apostelen hebben geleerd, daar zijn Bijbelse bewijzen voor aan te voeren. Jezus heeft nog veel méér gezegd en gedaan dan door de apostelen is opgetekend (Joh.21:25). Paulus schrijft aan Timotheüs, dat hij datgene, wat hij van Paulus gehoord had onder vele getuigen, moest toevertrouwen aan andere leraars (2 Tim.2:2). Maar niet het feit van het bestaan van een overlevering is in discussie, maar wel de inhoud, de waarde en de betrouwbaarheid ervan. Wat van het allergrootste belang is, is te bepalen of God buiten de Bijbel nog waarheden heeft doorgegeven via de mondelinge overlevering, die wij moeten geloven enkel op grond van deze mondelinge overlevering. Met andere woorden: kan de traditie ons ooit verplichten bepaalde dingen, die niet in de Bijbel staan, als onfeilbaar waar en als door God geopenbaard aan te nemen?

De inhoud van de mondelinge overlevering

Heel typerend voor het Roomse stelsel is, dat Rome alleen via de paus mag uitmaken wat de inhoud is van de mondelinge overlevering. Het putten uit de bronnen van de Openbaring zou het exclusieve recht van de kerk van Rome zijn. Bepalen wat door God is geopenbaard, dat komt uitsluitend de kerk van Rome toe, zo leert de roomse catechismus. Waar ze dat recht vandaan heeft, is in de Bijbel echter nergens te vinden. Waar men wel enkele Bijbelteksten aanhaalt om te proberen deze geweldige pretentie Bijbels te funderen, is het opnieuw de traditie die geloofwaardigheid van deze roomse Bijbeluitleg moet ondersteunen. Het is van belang, dat men hier een duidelijk beeld van krijgt. De kerk van Rome heeft mateloze pretenties. Daarbij beroept zij zich op de traditie als bewijsmateriaal. Wat echter de inhoud van de traditie is, heeft Rome zelf alleen te bepalen, uiteindelijk alleen de paus. Zo is men dus ,voor wat de inhoud van het geloof betreft, overgeleverd aan de willekeur van zondige mensen, ook al noemen zij zich ‘dienaar van de dienaren’ en ook al worden zij aangesproken als ‘heilige vader’. Bellarminus heeft gezegd:

  • ‘datgene moet voor gezaghebbend worden aangenomen, wat door allen, wat altijd en wat overal als waarheid werd aangenomen’.

Wat is echter overal, altijd en allen? De kerk zou dat moeten uitmaken. Maar wat is de kerk? Alle mensen? Alleen de ‘lerende’ kerk en niet de ‘horende’ kerk? Wie maken de ‘lerende’ kerk uit? Alleen de gezamenlijke bisschoppen? Eeuwen lang kwam men er niet uit, totdat men in 1870 de onfeilbaarheid van de paus tot een dogma verklaarde. Toen had de kerk van Rome een zelfgemaakt houvast en van toen af stemde het roomse systeem altijd overeen met zichzelf. Men zwijgt echter maar al te graag, dat er 150 bisschoppen waren, die tegen het leerstuk van de onfeilbaarheid van de paus waren. Toch werd dit dogma ‘doorgedreven’, wat men probeerde te bewijzen vooral uit de traditie. Eerst wordt vooral uit de traditie uitgemaakt, dat de paus onfeilbaar is en van dan af wordt die paus erbij gehaald om uit te maken wat onfeilbare traditie is.

Het gezag van de traditie

Wat de inhoud van de traditie is, bepaalt Rome zelf. Met wat voor een pure willekeur dat gebeurt kunnen zij, die de kerkvaders, bestuderen, het beste vaststellen. Een en dezelfde oude kerkelijke schrijver heeft meestal allerlei leringen; waarvan een deel wel en een ander deel niet bruikbaar is voor de kerk van Rome. Nu is het Rome zelf, die uitmaakt welke van de uitspraken van die kerkvaders wel of niet geloofd moeten worden. Nog erger wordt dit, als wij bedenken, wat voor gezag de kerk van Rome aan die ‘traditieleer’ hecht, waarvan zij de inhoud dus zelf bepaalt. Schrift en Traditie hebben theoretisch evenveel gezag. De goddelijke Openbaring is immers volgens Rome vervat in Schrift én traditie, zodat beiden even geloofwaardig zijn.

Men moet echter in het oog houden, dat het geschreven woord van God vaststaat en dat de inhoud van wat door Rome ‘de traditie’ genoemd wordt, door Rome zelf wordt vastgesteld. Telkens komen er weer nieuwe leerstellingen bij, die door Rome als door God geopenbaard worden vastgesteld en die elke rooms-katholiek moet geloven. Denk aan de onfeilbaarheid van de paus, de onbevlekte ontvangenis (= het zonder erfzonde geboren zijn) van Maria, de lichamelijke hemelopneming van Maria. Elk jaar opnieuw doet de paus verschillende ‘onfeilbare’ uitspraken m.b.t. de heiligheid van ‘bepaalde afgestorvenen, zodat elke rooms-katholiek moet geloven in de hele mikmak en santenkraam. Wie slechts één van die ‘onfeilbare’ uitspraken van de kerk van Rome afwijst of vrijwillig betwijfelt, moet weten, zo leert Rome, dat men volledig is afgevallen van het goddelijk en katholieke geloof. Doordat Rome evenveel waarde hecht aan leerstellingen, die zij uiteindelijk zelf vaststelt, als aan de Bijbel, is de kerk van Rome zelf de laatste norm geworden voor het geloof van de rooms-katholiek. Zij geloven niet omdat de Schrift dit zegt, maar omdat de kerk dat leert.

De onbetrouwbaarheid van traditie

Al in de allereerste tijd van het christendom waren er allerlei dwaalleraars. De apostelen waarschuwen er al voor in hun brieven. Daaruit volgt onmiddellijk, dat hoe oud een traditie ook is, ze nooit betrouwbaar kan zijn. Het feit dat bepaalde gebruiken en leerstellingen, waar niets van te vinden is in de Bijbel, wel aangetroffen worden in de alleroudste christelijke geschriften, is nooit een waarborg voor de apostolische oorsprong daarvan. Het zuurdesem van allerlei verkeerde gebruiken en leerstellingen was al in de allereerste christenheid en zelfs al gedurende het leven van de apostelen overal doorgedrongen. Hoe oud een on-Bijbels gebruik ook mag zijn, we hebben nooit enige garantie of we niet te maken hebben met een van de door de apostelen bedoelde dwaallering. Het enige betrouwbare uitgangspunt is dan ook Gods onfeilbare, geschreven Woord, de Bijbel. Al in het Oude Testament liet God het getuigenis van de profeten op schrift stellen, terwijl Jezus de traditie, die dat geschreven woord vergezelde, uitdrukkelijk afwees (Zie Matth.15:6; Marc.7:8).

Als tegenwicht tegen de dwaalleraars verwijst Paulus aan het einde van zijn leven niet naar de traditie maar naar de Schrift (2 Tim.3:14-17). Nooit kan iemand met zekerheid zeggen, wat de inhoud is van de mondelinge overlevering. Een pauselijke uitspraak daarover biedt niet de minste garantie, dat men inderdaad met een door Christus geleerde instelling of leerstelling te maken heeft. De traditie is dus een oncontroleerbare geloofsbron, met als enige die daaruit mag putten: de paus van Rome. Zo’n oncontroleerbare geloofsnorm past zeer goed in het rooms-katholieke stelsel. Dankzij de traditie heeft de kerk van Rome zich buiten de controle van de Bijbel geplaatst, ja, zij heeft zich met de Traditie als uitlegster van de Bijbel zelfs boven de Bijbel geplaatst. Want uiteindelijk oordeelt alleen de paus over hetgeen de traditie zegt over de Bijbel. Daardoor is het woord van God van zijn kracht beroofd en gebonden geworden aan tradities, die door zondige mensen zelf worden aangewezen.

De algenoegzaamheid van de Schrift

Nog veel verderfelijker wordt dit alles door het feit, dat Rome het eeuwige heil afhankelijk maakt van haar on-Schriftuurlijke leerstellingen en instellingen. Een rooms-katholiek is niet vrij om deze on-Bijbelse dingen wel of niet te belijden of te doen. Hij moet het doen, op straffe van de eeuwige verdoemenis, als hij zijn ‘ketterij’ niet herroept. Het is hier, dat Rome lijnrecht tegen de Schrift in gaat. Uiteindelijk is de geloofsbelijdenis en heel de inhoud van het christelijke geloof terug te brengen tot dit ene: dat Jezus Christus Heer is (Phil.2:11). Op het geloof in Jezus Christus als de Zoon van God is de Kerk van Christus gebouwd (Matth.16:16-18). Heel de Schrift is geschreven, opdat men tot deze belijdenis zou komen, opdat men daadwerkelijk Jezus Christus zal gaan erkennen als Heer, als Redder, als Meester, als de Weg, de Waarheid en het Leven. ‘Die welke u hier vindt, zijn neergeschreven opdat u zult geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leven zult bezitten in zijn naam’ (Joh.20:31). ‘Wie in de Zoon van God gelooft heeft het eeuwige leven’ (Joh.6:47). ‘Wie niet gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft’ (Joh.3:18.) De kerk van Rome maakt dat eeuwige leven echter afhankelijk van het geloof in de dingen, welke zij volkomen oncontroleerbaar uit de traditie geput zou hebben.

Rome vervloekt iedereen, die slechts één van haar leerstellingen verwerpt, hoewel zeer vele daarvan de eer van Jezus Christus rechtstreeks aantasten. Rome verplicht elke rooms-katholiek tot dingen, die in feite een verloochening zijn van de volkomen verlossing, die Jezus Christus tot stand heeft gebracht. Wat wij moeten geloven, heeft God zelf ons duidelijk gemaakt bij de verheerlijking van Jezus op de berg. ‘Luister naar Hem’, zo sprak de stem uit de wolk. De rooms-katholiek luistert echter uitsluitend naar zijn kerk en verwaarloost zelfs het lezen van de Bijbel ‘Luister naar Jezus’, zo spreekt God zelf; ‘luister naar Mij’, zo spreekt de kerk van Rome.

‘De kerk’

Wat het meeste naar voren komt in gesprekken met rooms-katholieken is ‘de kerk’. We kunnen met hen van gedachten wisselen, we kunnen getuigen, we kunnen praten als Brugman, alles stuit af op het feit: de kerk leert anders dan u zegt. De kerk is de basis waarop het geloof van de rooms-katholiek steunt. Roma locute causa finita (als Rome een uitspraak heeft gedaan, dan is de zaak afgedaan) is een bekend gezegde, dat grote werkelijkheid is in het leven van de rooms-katholiek. Omdat ‘de kerk’ iets leert, daarom is iets waar. 

Tijdens de tweede wereldoorlog, 1940-1945, heeft de paus een wereldbrief uitgegeven, waarin hij in de meest sterke bewoordingen de eigen roem van de rooms-katholieke kerk uitgezongen heeft. In de Encycliek ‘Mystici Corporis Christi’ wordt in zeer duidelijke bewoordingen de roomse opvatting over de kerk van Rome weergegeven: De Roomse kerk is het mystieke lichaam van Christus. Christus is de ‘Stichter’ van de (R.K.) kerk. Christus is het hoofd van dat lichaam, welke functie Hij op zichtbare wijze uitoefent door Zijn plaatsbekleder op aarde: de paus van Rome. Letterlijk schreef deze paus:

  • ’Wij moeten ons gewoon maken IN DE KERK CHRISTUS ZELF TE ZIEN. Want Christus is het, die in Zijn Kerk leeft, die ons door haar onderricht, bestuurt en heiligt; Christus ook is het, die Zich in Zijn verschillende maatschappelijke ledematen op verschillende wijze openbaart. Wanneer dus alle gelovigen zich beijveren werkelijk uit deze geest van geloof te leven, zullen zij niet alleen aan de hogere leden van dit mystieke lichaam de verschuldigde eerbied en volgzaamheid bewijzen, vooral aan diegenen, welke krachtens de hun door het goddelijk Hoofd toevertrouwde zending eenmaal rekenschap hebben af te leggen van onze zielen.’

Wie de blinde overgave van de rooms katholieken maar moeilijk kan begrijpen (waarom denkt de rooms katholiek niet zelf na, zou je zeggen…), moet het bovenstaande nog maar eens lezen. Christus spreekt tot de rooms-katholiek bij monde van de paus en bisschoppen en priesters. Het Bijbelse woord: ‘Wie U hoort, hoort MIJ,’ (Luc.10:16), achten zij van toepassing op de rooms-katholieke geestelijkheid.

Absolute superioriteit

De roomse kerk is de kerk van Christus, zo denkt de rooms-katholiek. Zij is de ene kerk. Door die diep gewortelde overtuiging heeft de kerk van Rome in de ogen van de rooms-katholiek dan ook die absolute superioriteit boven alle andere kerken: Rome alléén is immers de ene ware kerk van Christus. Dat betekent praktisch: wie de kerk van Rome versmaadt, versmaadt Christus Zelf. Dat wil zeggen: wie van de kerk van Rome afvalt, valt van Christus Zelf af. Nog véél erger is het: iets zeggen of schrijven of doen tegen die kerk van Rome staat gelijk met Christus Zelf vervolgen. Heeft Jezus tot Saulus, de christenvervolger, niet gezegd: ‘Saulus, waarom vervolgt U MIJ?’  (Hand.26:14). Wat de kerk van Rome zegt, zegt Christus en wat Christus zegt leert de rooms-katholieke kerk en zij alleen. Want de kerk van Rome is Christus en Christus is Zijn kerk. Daarom heeft de kerk van Rome ook die unieke onfeilbare autoriteit in de ogen van rooms katholieken, waardoor zij het recht heeft zo absoluut mogelijk te heersen op alle terreinen van kerk en maatschappij en waardoor zij en zij alleen het altijd bij het rechte eind heeft.

Wat zou de rooms katholiek zich zelf nog druk gaan maken, als hij lid is van zo’n voortreffelijk orgaan als de rooms-katholieke kerk, die niet kan dwalen? De kerk van Rome heeft alleen de waarheid, want, zij is het mystieke lichaam van Jezus Christus: zij is Jezus Christus zelf. Diezelfde overtuiging verklaart ook de principiële onverdraagzaamheid van de kerk van Rome jegens al degenen, die een ander geloof aanhangen dan het hare. Zelfs het verbranden van ketters is geen zonde, want dat is een verdediging van de ene ware kerk van Christus. Machtige kathedralen vertolken de voortreffelijkheid van de kerk van Rome. Buiten die kerk is er géén geluk en redding, zo is haar uitdrukkelijke leer, want zij, ja zij alleen is het mystieke lichaam van Jezus Christus.

Het legitimatiebewijs

Nu komt het er maar op aan om die geweldige bewering van de kerk van Rome aan het Woord van God te toetsen. De kentekens van de éne ware gemeente van Jezus Christus zijn de eenheid, de heiligheid, de algemeenheid en de apostoliciteit van de kerk. Rome beweert dan ook dat zij één, heilig, algemeen en apostolisch is. Zij heeft daar echter haar eigen opvatting over en weigert die te toetsen aan Gods Woord. De rooms-katholiek beroept zich op wat zijn kerk zegt over zichzelf. Het beroep op zichzelf is datgene, wat het meeste opvalt bij de rooms-katholieke kerk-beschouwing. Op het legitimatiebewijs van de kerk van Rome staat geschreven, dat zij de kerk van Jezus Christus is. Op de vraag waarom zij dat is en andere kerken niet, krijgt men tot antwoord: omdat Ik dat zeg, want Ik alleen heb de waarheid. Telkens en telkens herhaalt de rooms-katholiek haar stelling en standpunt: Ik ben de ene ware kerk, Ik ben de Kerk, die Jezus Christus heeft gesticht, Ik ben het mystieke lichaam van Christus.

De huidige psychologen (en de hedendaagse media met haar leugens), hebben de kracht ontdekt van dat onophoudelijk herhalen. De reclameontwerpers weten ook dat het publiek op de duur zonder bewijzen aanvaardt, wat hun onophoudelijk als een vanzelfsprekende waarheid wordt voorgehouden. Het is een soort van massahypnose, een soort van hersenspoeling. De rooms-katholiek is door deze methode er rotsvast van overtuigd, dat zijn kerk de ene ware kerk van Christus is, zonder dat hij naar een bewijs vraagt. Hun kerk is hun bewijs. De onbewezen onfeilbaarheid van zijn kerk met haar opperhoofd de paus is de grond van zijn zekerheid. Hij gelooft in zijn kerk, omdat zijn kerk van zichzelf zegt dat zij de ene ware kerk is. Wie probeert aan een rooms katholiek de onbewijsbaarheid van de roomse pretenties aan te tonen en de valsheid van haar legitimatiebewijs, die moet zich er wel van bewust zijn, dat hij daarmee de bodem van heel de zekerheid wegslaat van die persoon. Vandaar de vaak ongewoon felle reactie van rooms-katholieken, als hun ‘moeder’, de kerk, wordt aangevallen. Omdat heel hun geloof op die kerk is gebaseerd en niet op het onwankelbare geschreven Woord van God, de Bijbel.

Hieraan erkent u

Ja, de kerk van Jezus Christus is te vinden en is te herkennen. De kerk van Christus is inderdaad één, heilig, algemeen én apostolisch. Als we echter gaan luisteren naar de roomse uitleg van deze kenmerken van Christus’ kerk, dan wordt het, met de Bijbel in de hand, toch wel heel erg duidelijk, dat de kerk van Rome in géén geval de kerk van Christus kan zijn.

  • ÉÉN ….

In de roomse catechismus staat geschreven dat de kerk van Rome één is in haar leer, in haar genademiddelen en in haar leiding. Deze eenheid vooral wordt door de rooms katholiek gezien als de glorie van zijn kerk, waar arme verdeelde protestanten niet aan kunnen tippen. Voor zeer veel protestanten is de (overigens zeer betrekkelijke) eenheid in leer, instellingen, gebruiken en leiding erg imponerend. Dat maakt indruk! Daar is men vaak stiekem jaloers op. Maar denkt men er ook wel genoeg aan, dat die betrekkelijke eenheid, die er in de roomse kerk is, het product is van een meedogenloze en meest absolute dictatuur en van knappe organisatie? Heeft men wel in de gaten dat die ‘roomse eenheid’ niets te maken heeft met de ware christelijke eenheid: de eenheid met Christus Jezus door middel van de enigheid van het geloof, de eenheid met het geschreven Woord van God, waarin men onvoorwaardelijk gelooft? De ‘roomse eenheid’ is in feite een karikatuur van de eenheid van het geloof naar de Schrift. Wie die ‘éne’ leer van Rome durft te toetsen aan het Woord van God, zoekt tevergeefs naar de ‘eenheid in de waarheid, die ons door God is geopenbaard’.

  • HEILIG ….

Voor elke goede rooms-katholiek is de kerk van Rome de heilige Kerk. Zij alleen is heilig, omdat zij alleen het heilige mystieke Lichaam van Christus is. De heiligheid zou een bewijs moeten zijn van het ‘kerk-van-Christus-zijn’, maar die heiligheid wordt dan bewezen uit wat juist bewezen moet worden. De eigenschap die Christus en Zijn kerk toebehoort, de heiligheid, kent Rome zonder bewijs aan zichzelf toe. Omdat zij heilig zou zijn, daarom is ook haar leer heilig, zijn haar sacramenten heilig, is de paus heilig, zijn de door haar genoemde ‘heiligen’ heilig. Een argeloze toeschouwer kan onder de indruk komen van al die ‘heiligheid’. Laat men echter niet vergeten dat de ware heiligheid in de Schrift onlosmakelijk is van volkomen gehoorzaamheid aan Gods Woord: de Bijbel. Waar geen trouw is aan Gods Woord, kan van heiligheid geen sprake zijn, wel van een schijnheiligheid. De trouw van Rome aan Gods Woord is voor de rooms-katholiek echter buiten de discussie. Dat spreekt voor hem vanzelf, maar voor ons helemaal niet, integendeel zelfs! Het is daarom, dat de schijn ons niet bedriegt, ondanks het veelvuldig gebruik van het woordje ‘heilig’ in de kerk van Rome.

  • KATHOLIEK…

Katholiek (=algemeen) zou volgens Rome de uitgebreidheid van de kerk in de tijd en ruimte en haar verspreiding over de hele wereld beduiden. Dat komt dus neer op getalssterkte, op het massale, terwijl de katholiciteit van Christus’ Kerk in werkelijkheid de algemeenheid van het Lichaam van Christus aangeeft: slechts één Lichaam maar één Kerk, die over de hele wereld verspreid is. Rome heeft de pretentie dat zij alleen dat éne Lichaam vormt, al is er dan dat spitsvondigheidje van de theologen, waardoor ook niet-roomse christenen tot de ‘ziel’ van de Kerk, dus ergens toch nog tot Rome gerekend kunnen worden. In feite is de algemeenheid van de kerk van Rome de vrucht van een katholieke (=algemene) begraving van het Woord van God en van de zuivere eredienst onder talloze verzinsels. Vernietigend zijn dan ook de woorden van Calvijn: ‘Zij beroemen zich op de titel van katholieke kerk, zij, die van de gehele leer van de wet en van het Evangelie geen deel ongeschonden hebben gelaten, dat niet door hen bedorven is, die de gehele dienst van God ontwijd hebben door de walglijkheid van hun bijgelovigheden, die niet gevreesd hebben alle instellinnen van God met hun verzinsels te vervalsen ja, zo katholiek (algemeen) is de menigte der dwalingen, waardoor de gehele Godsdienst door hen onderste boven is geworpen.’

  • APOSTOLISCH…

De historische successie van de apostelen moet de apostoliciteit bewijzen van de kerk van Rome. Alsof het gaat om een opvolging van personen en niet van de voortduring van de léér van de apostelen. Hoe kunnen zij opvolgers van de apostelen genoemd worden, die van het geloof en de léér van de apostelen zijn afgeweken? Ook het onderzoek hiernaar wordt hooghartig door Rome afgewezen. De gemeente van Christus is juist apostolisch, omdat zij door de bijstand van de Heilige Geest uitsluitend leert wat door Jezus Christus en zijn apostelen in het Nieuwe Testament bekend is gemaakt en verzegeld. Wat is het toch belangrijk voor de rooms katholieken, dat zij Gods Woord gaan lezen en daarin gaan zoeken naar hun roomse kerk: zij zullen tevergeefs zoeken. Zij zullen bij een eerlijk onderzoek van de Schrift kunnen zien dat de kerk van Rome niet één is met het Woord van God en dus niet met Jezus Christus, dat zij niet heilig is, omdat zij zich niet onvoorwaardelijk buigt voor God in zijn Woord, dat zij niet katholiek is: omdat zij met het Lichaam van Christus niets gemeen heeft en dat zij niet apostolisch is, omdat zij een karikatuur heeft gemaakt van de leer van de apostelen.

Het is van belang, dat u zich niet laat intimideren door al die geweldige pretenties en schijn van de roomse kerk, doordat u goed weet hoe wankel dat bouwwerk is, wanneer u het zwaard van de Geest hanteert, dat is het Woord van God.