Nieuw Pinksteren en oecumene

Het verlangen naar Charismatische Oecumene

  • ‘We are one in the Spirit, we are one in the Spirit’ (We zijn één in de Geest, we zijn één in de Geest)

welt het op uit de mond van een gemengd gezelschap, dat opgepakt zit in een grote woonkamer. Mensen uit allerlei rangen en standen, oud en jong, met gevarieerde kerkelijke achtergronden, zijn hier bijeengekomen om God te loven en te prijzen. Ze begroeten elkaar met een ‘hug’, een stevige en hartelijke omhelzing, en met ‘prijs de Heer’ en ‘halleluja!’ Een sterk gevoel van vreugdevolle saamhorigheid en van verwachting is aanwezig, wanneer de dienst verder wordt voortgezet met levendige zang, met het voorlezen van Bijbelteksten, met het beluisteren van getuigenissen en met profetie en gebed. Aan het slot van de samenkomst wordt dan nog een toespraak gehouden door een van de leiders.

Wereldraad van Kerken

Bovenstaande korte beschrijving geldt slechts één van de vele charismatische gebedsgroepen of pinkstersamenkomsten, die vorige eeuw overal ontstonden. Een wereldwijd onderzoek dat onder leiding van de Wereldraad van Kerken naar de charismatische beweging gehouden werd, wees aan, dat haar invloed in alle landen merkbaar is. Zij die op de gestelde vragen antwoordden, te kennen gave dat de charismatische vernieuwing ook in Europa de aandacht trok, maar dat de belangstelling in Noord-Amerika groter was. Ook in andere delen van de wereld ontstonden de charismatische kringen. Volgens het Gallup-opinieonderzoek dat op verzoek van het tijdschrift ‘Christianity-Today’ plaatsvond, beschouwt 19% van alle volwassen Amerikanen, dus meer dan 29 miljoen personen, zichzelf als charismatisch christen of als pinkstergelovige.

Van de 29 miljoen pinkstermensen zijn er ongeveer een kwart rooms-katholiek en verder telt men er baptisten, methodisten, lutheranen en presbyterianen onder, om niet de klassieke pinkstergroepen te vergeten die ongeveer 10 miljoen aanhangers hebben. Van het totaal van de charismatische gelovigen spreekt slechts 17% in talen. In Nederland kan men dit binnen de eeuwig Evangeliegemeenten dit lage percentage zich nauwelijks voorstellen. Net als de oudere pinksterbeweging betreurt ook de nieuwe charismatische beweging het gebrek aan geestelijk leven in de kerken. Zij houdt de doop in Heilige Geest als hèt middel om nieuw leven te krijgen. In tegenstelling echter met de oude pinksterbeweging treedt de nieuwe charismatische beweging niet uit, maar blijft zij binnen de omheining van de in aantallen grotere en historisch gezien oudere kerken. Oecumene wordt onder hen niet geschuwd maar verheerlijkt. Zo merkte een charismatisch christen op:

  • ‘Je had er gisteravond bij moeten zijn: katholieken, presbyterianen, baptisten en zelfs methodisten loofden God in de geest’.

In het kader van de oecumene schijnt deze beweging de kenmerken te bezitten om de kerkelijke grenzen te overschrijden. Zij die aanvankelijk enthousiast over de oecumenische beweging waren, zijn nu teleurgesteld vanwege het vormelijke en officiële, theologische klimaat, want dit heeft gefaald om de kerken te verenigen, ondanks een grote mate van welwillendheid en overeenstemming. Ook de slogan: ‘dienstbaarheid verenigt, doctrines verdelen’ biedt geen alternatieve oplossing. De oecumenische beweging was deze weg wel ingeslagen, maar hij bleek een doodlopende straat te zijn. De Wereldraad van Kerken heeft deze route eigenlijk al in Amsterdam, vlak na de tweede wereldoorlog verlaten en het lijkt ons zeer onwaarschijnlijk dat gemeenschappelijke contacten op het sociale of politieke vlak het dominerende middel kunnen worden om de kerken te verenigen. Op een internationale conferentie te Rome waren zestig vooraanstaande oecumenische leiders en theologen, protestant, Grieks-orthodox en rooms-katholiek, uitgenodigd om de oecumenische ontwikkelingen van de afgelopen jaren te evalueren (op hun waarde te schatten).

De orthodoxe professor Nissiotis wees op de oorzaak van allerlei frustraties, door vast te stellen dat er geen dialoog mogelijk is, als de roomse kerk de protestantse genootschappen niet erkent als kerken in de theologische zin van het woord. Ondanks alle onvolkomenheid moet men toch in de andere kerken een historische realisering zien van de (schijn)kerk van Christus en hen dus erkennen. Een andere orthodoxe theoloog, Borovoi, sprak over de wijze waarop de rooms-katholieke kerk deze kwestie steeds probeert te omzeilen, zonder dat zij ingaat op hun claim van ‘historische continuïteit’.

  • ‘Het is waar’, zei Borovoi, ‘dat de Wereldraad in hoofdzaak protestants is, maar dit is gemakkelijk te veranderen. De rooms-katholieken raden ons aan om ons als Grieks-orthodoxen bij de Wereldraad aan te sluiten. Waarom adviseren jullie ons iets te doen, wat jullie zelf weigeren? Is dit omdat wij maar tweederangs katholieken zijn en jullie ons in de Wereldraad willen hebben om aan de protestanten enige katholieke waarheden te kunnen meedelen?’ Hij voegde er verder aan toe: ‘De rooms-katholieke kerk is apostolisch en heilig – en ik geloof dat ze heilig is – en ze is ook machtig en ze heeft de beste theologische denkbeelden in de wereld. Ik excuseer mij hiervoor bij mijn protestantse vrienden, maar het is waar, wanneer ze verklaart dat de kerk van Christus in haar voortleeft, maar klaarblijkelijk is ze hier toch niet helemaal van overtuigd, want ze is bevreesd. Was ze werkelijk overtuigd dat Christus in haar is, dan zou ze zelfs naar de duivel durven gaan’.

De vraag komt op of het werkelijk angst is, die de rooms-katholieke kerk op een afstand van de Wereldraad houdt, of zijn haar ‘avances’ van deze afstand, bedoeld om uiteindelijk haar protestantse tegenspeelster door de knieën te doen gaan? Op dezelfde conferentie werd over de geestelijke dimensie van de oecumene gesproken. Er werd voorgesteld om hiervoor een grotere plaats in het oecumenische streven in te ruimen. De spreker Vilmos Vajta wees op de spontane oecumenische gemeenschappen en groeperingen, vooral op die van de charismatische beweging, waarvan de leden samengebundeld zijn door een intensieve deelname aan humane en religieuze activiteiten. Hij suggereerde echter dat deze kleine gemeenschappen, waarin men de christelijke fellowship zo krachtig beleeft, juist gemakkelijk een struikelblok voor de oecumene kunnen worden. Zij kunnen immers zonder problemen de officiële kerken loslaten, en daarmee ook de oecumenische beweging, als nauwelijks de moeite waard om je er nog druk over te maken.

De schrijver /frater Kilian MacDonnell die van deze conferentie een verslag maakte, toont ons echter de mogelijkheden van de charismatische beweging. Hoewel hij er niet bij hoort, is hij bijzonder goed op de hoogte vanwege zijn onderzoekingen, die hij in de pinksterbeweging verricht. Hij is onder andere medevoorzitter van de Internationale Dialoog tussen de pinksterkerken en het Vaticaans Secretariaat tot bevordering van een ‘christelijke eenheid’. Juist vanuit deze diepe en brede contacten die de kerkelijke kaders ver overschrijden, beweert frater MacDonnell, dat ‘de charismatische vernieuwing de enige en meest samenbundelende kracht is op het oecumenische terrein. Haar betekenis is echter nog niet tot het bewustzijn van de professionele oecumenische leiders doorgedrongen’. Wil daarom de oecumene uiteindelijk slagen, dan zal ze ‘de charismatische geest’ in zich moeten opnemen.

Wie vormen de pinksterbeweging?

De herontdekking van de ‘geestelijke gaven’ in onze moderne tijd bracht de stroming tot stand, die bekend geraakt is als de pinksterbeweging of de charismatische beweging. Zij blijkt drie verschillende vertakkingen te hebben of drie verschillende groeperingen te hebben opgeleverd:

  • Oud-pinksteren of het klassieke pinksteren, dat getypeerd wordt door de ‘Assemblies of God’, in Nederland de broederschap van pinkstergemeenten geheten. (Het ‘nieuw-pinksteren’, met de vernieuwde inzichten, zoals wij deze in Eeuwig-Evangeliegemeenten in Nederland kennen, is in het buitenland tot nu toe nog maar spaarzaam te vinden, Webb.)
  • Protestants nieuw-pinksteren, gekenmerkt door Lutherse en Presbyteriaanse charismatische gelovigen die in hun kerken blijven (charismatische beweging genoemd).
  • De charismatische rooms-katholieken, de pinksterbeweging in de rooms-katholieke kerk.

Oud-Pinksteren

Het was in het jaar 1900 dat de jonge methodistenvoorganger Charles F. Parham tot de erkenning kwam dat er iets aan zijn geestelijk leven moest worden veranderd. Hij had juist het boek van de Handelingen van de apostelen en de brieven van Paulus doorgelezen en de machteloosheid in zijn eigen bediening vergeleken met de kracht die in de eerste christengemeenten werd gemanifesteerd. In zijn streven om het geheim van deze gelovigen terug te vinden, opende hij een Bijbelschool, waarvan hij zich zowel directeur als student beschouwde. Toen Parham zijn bijbelschool te Topeka in Kansas voor een driedaagse reis verliet, gaf hij zijn studenten de opdracht om het boek Handelingen door te lezen en iedere gebeurtenis die te maken had met het ontvangen van de Heilige Geest, nauwkeurig door te nemen. Toen hij terugkwam, merkte hij dat zijn studenten unaniem tot de slotsom waren gekomen, dat in de vijf verschillende beschrijvingen in Handelingen waar sprake was van het ontvangen van de Heilige Geest, ook het spreken in talen als een duidelijke gebeurtenis is vermeld, of dat dit uit de beschrijving kon worden afgeleid. De atmosfeer in de Bijbelschool was geladen met verwachtingen.

Toen de jonge studente Agnes N. Ozman als consequentie van de besprekingen over de doop in Heilige Geest, dan ook aan Parham verzocht haar de handen op te leggen, kwam er een stroom van woorden over haar lippen, die niemand van de aanwezigen kon verstaan. Enkele dagen later ontvingen ook Parham en met hem nog een twaalftal andere voorgangers uit verschillende kerken de doop met Heilige Geest en spraken daarbij in talen. Charles Parham begon vervolgens met straatprediking. Hij noemde zijn bediening een ‘volle-evangelieboodschap’. Hij bedoelde daarmee aan te geven dat het evangelie in zijn geheel diende te worden verkondigd, zonder dat men het spreken in talen of de goddelijke genezing erbuiten liet.

312 Azusa Street, Los Angeles

Een door zijn kerkgemeenschap aangestelde negerpredikant, W.J. Seymour, ook student aan de bijbelschool van Parham, bracht de pinksterboodschap naar Californië, naar het beroemdste adres in de hele pinkstergeschiedenis: 312 Azusa Street, Los Angeles. Hier begonnen mensen in een oude, verlaten stal, in 1906 de doop in Heilige Geest te ontvangen, terwijl ze naar Seymour luisterden. De opwekking in Azusa Street was begonnen en spoedig kwamen honderden en daarna duizenden nieuwsgierigen zowel als serieuze pelgrims, de tocht naar deze meetings, die gedurende drie jaar dag en nacht doorgingen. De mensen van Azusa Street vertegenwoordigden het gewone volk, dikwijls arm en meestal ongeschoold. Wanneer zij echter naar hun huizen terugkeerden, bleek dat de getuigenissen die zij uitspraken, overal een vuur deden ontstaan.

Al snel had men in iedere plaats waar deze pinkstermensen woonden, dan ook kleine samenkomsten: in Chicago, Winnipeg, New York en Little Rock en nog verder verwijderd, in Londen, Sunderland, Amsterdam, Oslo, Calcutta en Mukti. Waar leden van de traditionele kerken probeerden in eigen kring het pinksterevangelie te introduceren, werden zij uit hun gemeenschap gezet of verlieten zij deze, ontmoedigd door de felle tegenstand. Desondanks groeide de pinksterbeweging in de twintigste eeuw, zodat er nu wereldwijd tal van groeperingen zijn en in ieder land vele pinkstergemeenten worden gevonden, ja, de pinkstersamenkomsten zijn overal de snelst groeiende van alle christelijke denominaties.

De charismatische beweging of Nieuw Pinksteren

De charismatische beweging of nieuw Pinksteren kwam plotseling en nog wel uit een onverwachte hoek te voorschijn. De eerste manifestaties van deze moderne geestelijke beweging vond plaats in een parochie van een protestantse, episcopale kerk in Californië onder leiding van gemeenteleden. Allen hadden zij een goede positie en hoge salarissen, maar zij waren niet tevreden met hun geestelijke levensstandaard. Hun samenkomsten werden gestimuleerd door hun voorganger, ds. Dennis J. Bennett. Deze ontving zelf de doop in Heilige Geest, toen hij met enkele van zijn vrienden in gebed was.

Een tijd later vertelde Bennett in zijn gemeente iets over deze charismatische vernieuwing, die hij en andere gemeenteleden hadden ervaren. Tijdens de dienst ging alles goed, maar aan het slot van de bijeenkomst rukte een medewerker zijn ambtsgewaad af, gooide dit op het altaar en liep het kerkgebouw uit onder het uitroepen van de woorden: ‘Ik kan niet langer met die man samenwerken’. Bennett vermeldt deze gebeurtenis in zijn boek ‘Nine o’clock in the morning’ (Negen uur in de ochtend). Hij nam zijn ontslag als predikant en ging daarna een zeer zware tijd in. Hij verliet echter de Episcopale Kerk niet en werd in juli van hetzelfde jaar aangesteld in de episcopaalse St. Lucaskerk in Seattle, waar hij met een opvallende bediening voorging in een tot bloei gekomen gemeente.

Na deze eerste uitstorting van de Heilige Geest in de Episcopale Kerk drong de nieuw-Pinksterbeweging met kracht onder het traditionele protestantse kerkvolk door. De bekende ds. Larry Christenson, predikant in de Lutherse Synodale Kerk, ontving de doop in de Heilige Geest. Deze nodigde ongeveer zestig Lutherse predikanten uit om David du Plessis, een pinkstervoorganger, te beluisteren. Zo kreeg de beweging in Zuid Californië vaste voet. Hoewel Christenson in zijn kerk en ook vanuit de synode tegenstand ondervond, werd zijn aanbod om dan maar af te treden, niet geaccepteerd. Ook zagen de baptisten en methodisten op vele plaatsen in de Verenigde Staten de symptomen van de charismatische beweging onder hun leden.

De opstelling van de kerkleiders varieerde van vijandigheid tot onverschilligheid. Er waren slechts weinigen onder hen die blijk gaven van belangstelling of van begrip. Ondanks de officiële tegenstand won de charismatische beweging in al deze richtingen terrein. Door de bezoeken van ds. Bennett aan Canada, kwam ook daar de charismatische vernieuwing. De mensen die tijdens zijn bediening een pinksterervaring ontvingen, gaven te kennen dat ze liever in hun eigen kerken bleven dan zich aan te sluiten bij de historische pinksterkerken. De consequentie van deze keuze was dat men overging tot het vormen van gebedsgroepen.

Een Anglicaanse priester (in de U.S.A. noemt men de Anglicanen episcopaal) en zijn vrouw, Ron en June Armstrong, werden in Etobicoke, een buitenwijk van Toronto, met Heilige Geest gedoopt. Spoedig leidde dit echtpaar tientallen anderen in een meer levende gemeenschap met God. Zij begonnen met het houden van vrijdagavondbidstonden, waaraan honderden mensen deelnamen. De voorganger van de United Church (Bijeenvoeging van presbyterianen en methodisten), Bernard Warren in Etobicoke hoorde over de doop in de Heilige Geest. Toen hij in gebed was, begon hij spontaan in talen te spreken en spoedig daarna was er ook een gebedsgroep in Alderwood.

In Vancouver waren ds. Robert Birch en andere charismatische broeders in de St.-Margaret’s Reformed Episcopal Church, die ook een roeping hadden voor de ‘Jesus People’. In Toronto vergaderde de nieuwe christenheid eerst in het huis van een highschoolleraar en diens vrouw, de bekende Merv en Merlan Watson. Deze gebedsgroep groeide uit de woonkamer en werd bekend als de ‘catacombengroepen’, die ruim tweeduizend mensen van allerlei groeperingen aantrokken. Week na week kwamen ze om onderwezen te worden, om bevrijd te worden van verslavingen, om de doop met de Heilige Geest te ontvangen en om de Heer enthousiast te loven en te prijzen.

De charismatische vernieuwing begon eerst onder de Anglicanen, maar is het sterkst geworden onder de rooms-katholieken met ongeveer tweeduizend gebedsgroepen waar meer dan honderdduizend mensen toe behoren. De meerderheid van deze meetings vindt men in Québec. Er zijn een kleine honderd Anglicaanse gebedsgroepen over heel Canada verspreid en verder nog enkele tientallen uit andere richtingen, zoals United, Luthersen, gereformeerden, presbyterianen en Grieks-orthodoxen.

De charismatische vernieuwing in de rooms-katholieke kerk

De charismatische vernieuwing in de rooms-katholieke kerk begon toen een groep rooms-katholieke professoren aan de Duquesne-universiteit te Pittsburgh, de doop in Heilige Geest ontvingen. Deze leken hadden verscheidene maanden met elkaar gepraat en gebeden en geprobeerd erachter te komen wat nu eigenlijk aan hun individueel christelijk leven ontbrak. In verband met deze gesprekken bezochten sommigen een charismatische gebedsgroep in hun omgeving. Twee van hen kwamen hiervan terug na de doop met de Heilige Geest te hebben ontvangen. Op hun beurt baden zij met hen die niet aanwezig hadden kunnen zijn en ook zij ontvingen toen ‘de vervulling met de Geest’. Kort erop verbreidde zich deze beweging onder dertig studenten van de Duquesne-universiteit.

Het nieuws van deze geestelijke ervaring vond zijn weg van Duquesne naar de Notre Dame-universiteit in Indiana, waar een grote charismatische groep ontstond. Sommigen van deze studenten gingen naar Ann Airbor, Michigan, waar nu een gemeenschap is van ongeveer duizend leden. Deze rooms-katholieken waren zeer verbaasd over alles wat onder hen gebeurde, want ze hadden in hun kerk immers nooit hierover horen spreken. Vanaf deze tijd begon dan ook de charismatische vernieuwing binnen de muren van de rooms-katholieke kerk door te dringen. Een Canadese non van de orde van Providence (voorzienigheid), Flore Crête, was aanwezig op de eerste conferentie te Notre Dame. Zij bracht de vernieuwing naar de rooms-katholieken in Montreal, terwijl anderen gebedsgroepen begonnen in Windsor, Sault St.Marie, Regina en Vancouver.

Ontwikkelingen

De charismatische beweging wordt gekenmerkt door een los netwerk van wekelijkse bijeenkomsten. De orde van handelingen in zo’n samenkomst varieert van groep tot groep en ook nog van bijeenkomst tot bijeenkomst, maar de belangrijkste zaken zijn ongeveer overal hetzelfde: er zijn lofzangen, soms uit een bekend hymnboek, of uit een charismatische bundel, maar dikwijls zingen de aanbidders liedjes die ze uit het hoofd kennen. Ze staan dan met gesloten ogen en met armen en handen ten hemel geheven. Leden van zo’n gebedsgroep getuigen hoe de Heer hem of haar in een speciaal geval heeft geholpen, soms was de uitredding door het lezen van een Bijbelvers, dan weer door het in stilte wachten op de stem van de Heer of wel door middel van profetie.

Men noemt deze wijze van onderlinge deelname aan de dienst ‘sharing’. Een van de leden speelt een melodie op de piano, op de viool of op de fluit, en allen stemmen ermee in door ‘in de Geest te zingen’. Iedere persoon zingt dan in talen, zodat de klanken samenvloeien tot een welluidend harmonisch geheel. Lofprijzingen, gebeden om genezing, om kracht, om redding of om bevrijding ten behoeve van familieleden en vrienden worden opgezonden tot God. Dit alles gebeurt op zo’n avond heel spontaan, terwijl daarnaast ook onderricht wordt gegeven aan de hand van een te voren bestudeerd Schriftgedeelte. Na de samenkomst is gewoonlijk gelegenheid voor ‘fellowship’ met koffie en koekjes, voor de verkoop van boeken of Cd’s te lenen van vroeger uitgesproken preken.

De diensten worden gewoonlijk geleid door leden van de kerngroep. Ook kan de voorganger of de predikant in zo’n team zitten. Gebedsgroepen zijn vrijwel altijd bij hun ontstaan interkerkelijk, maar later zijn ze minder gespreid. Bovendien zijn veel groepen als samenkomst in een woonkamer ontstaan, maar ze groeiden uit tot christelijke gemeenten. In deze onafhankelijke, autonome charismatische kerken zijn dan weer de kleinere fellowship-groepen of huissamenkomsten, die zich ontwikkelen als onderdelen van de grotere gemeenschap.

In de katholieke charismatische beweging vond ook een dergelijke overgang plaats. Ook hier besloten enigen uit de groeiende gebedsgroepen meer dan huissamenkomst te worden. Zij stelden zich tot doel een plaatselijke belichaming van het lichaam van Christus te worden. De katholieke pinkstercommune te Ann Arbor, Michigan, ‘The Word of God’ genoemd, is het model van zo’n ‘covenant’ of verbondsgemeenschap geworden. Zij is een vorm van levensgemeenschap of commune. Men deelt dus met elkaar ook het huiselijke leven. De principes van zo’n communauteit zijn: dagelijks gebed, gemeenschappelijke maaltijden, wekelijkse bijeenkomsten om het hoofd te bieden aan persoonlijke moeilijkheden en om elkaar deelgenoot te maken hoe de Heer in het leven van ieder lid werkt en wat Hij heeft gedaan (sharing). Zo’n commune staat onder het toezicht of onder de supervisie van de ‘teamleiding.

Vanuit het rooms-katholieke gezichtspunt kan men deze convenanten zien in het licht van een reformbeweging, dus een soort hervorming, net als destijds de Benedictijnen in de 6e eeuw, de Franciscanen in de 13e eeuw en de Jezuïeten in de 16e eeuw waren. Het karakter van deze communes varieert overeenkomstig de behoeften van de tijd waarin men leeft.

Is Pinksteren een ervaring?

Het oecumenische karakter van de charismatische beweging zowel als haar groei zijn in belangrijke mate bevorderd door de activiteiten van de ‘Full Gospel Business Men’s Fellowship International’ en de ‘Women’s Aglow Fellowship’. De F.G.B.M.F.I. werd in 1953 gesticht door de Californische zuivelboer Demos Shakarian. Hij zag in een visioen dat grote aantallen Amerikaanse mannen tot de Heer kwamen. Zij gingen van Hem getuigen en kwamen tot de volheid van het leven door de doop in Heilige Geest. Dit gezicht werd de reden dat hij met een groep gelijkgestemden de F.G.B.M.F.I. oprichtte. Deze vereniging was een fellowship van mannen, die tijdens het houden van openbare samenkomsten hun leden getuigenissen van hun geloof lieten afleggen. Deze christelijke zakenlieden wisselden dan openlijk hun ervaringen uit, dikwijls tijdens massale diners in restaurants, teneinde de meegekomen bezoekers te winnen. Deze organisatie was van begin af aan internationaal. Zij had ‘chapters’ of afdelingen door alle delen van de Verenigde Staten, Canada en over de hele wereld.

Tegelijkertijd kwam in de vijftiger en zestiger jaren de pinksterbeweging vanuit haar onbekendheid te voorschijn, en wel hoofdzakelijk in de persoon van David du Plessis, een voorganger van een pinkstergemeente in Zuid-Afrika. Over hem werd in 1936 door een lid van zijn gemeente de volgende profetie uitgesproken:

  • ‘Je bent lang genoeg in Jeruzalem geweest. Ik zal je naar het uiterste der aarde zenden. In de laatste dagen zal je de pinksterboodschap naar alle kerken brengen en hiermee de wereld in beroering brengen’.

Sinds die tijd is du Plessis een van de meest bereisde christelijke leiders in de wereld geworden. In de vijftiger jaren bezocht hij de Wereldraad van kerken, daarna was hij in Duitsland aanwezig op de eerste oecumenische conferentie onder auspiciën van deze raad, vervolgens werd hij uitgenodigd om de wereldconferentie te Evanston, Illinois, als staflid bij te wonen. Hij werd ook als bezoeker uitgenodigd op het tweede Vaticaans concilie. Sinds die tijd heeft hij met vertegenwoordigers van alle christelijke groeperingen in de gehele wereld gesproken en hun een nieuwe openheid tot de pinksterbeweging gegeven.

De Heilige Geest en de leer

Een algemeen aanvaarde opvatting onder veel charismatische christenen is, dat pinksteren geen kerkelijke denominatie is, geen nieuwe leer brengt, maar een ervaring is. Daarom kan nieuw pinksteren zich aan iedere leerstellige omlijsting aanpassen. James W. Jones, episcopaals predikant en professor in geschiedenis en theologie, die tal van jaren bij allerlei aspecten van de charismatische beweging betrokken geweest is, wees op de geest van de tijd, die de oecumene wil realiseren door middel van een samenbundeling van historische kerken. Hij is ervan overtuigd dat de charismatische beweging niet tot scheuringen zal leiden, zoals dit gebeurde bij het oude pinksteren, dat de leden van hun kerken losmaakte. Jones spreekt nu echter over ‘de oecumenische beweging bij uitstek’, want de charismatische beweging schept een nieuw besef van gemeenschappelijk leven voor het gehele volk van God. Hij vindt het zeer belangrijk om duidelijk uiteen te zetten dat de pinksterervaring in nieuw pinksteren geheel anders is dan wat men in het klassieke pinksteren eronder verstaat. Zij is onderworpen aan de gezonde interpretatie binnen de anglicaanse, rooms-katholieke, gereformeerde en lutherse theologie!

In de rooms-katholieke kerk gaf de al eerder genoemde frater Kilian MacDonnell, een theologische adviseur van de ‘National Service Committee’ van de ‘Katholieke Charismatische Vernieuwing’ op verzoek van kardinaal Suenens, zo’n interpretatie in zijn ‘Verklaring van de theologische grondslagen van de katholieke vernieuwing’. Deze uiteenzetting zegt onder andere:

  • ‘De meest algemeen aanvaardbare uitleg van de dubbelzinnige uitdrukking ‘doop in de Heilige Geest’ is, dat deze doop een ‘ja’ zeggen betekent tijdens de ingespannen verwachting op wat de rooms-katholieken bij hun initiatie ontvingen.

(Hier wordt het ‘vormsel’ mee bedoeld, een woord dat afgeleid is van het werkwoord ‘vromen’ dat ‘sterken’ betekent. Eén voor één komen de vormelingen dan voor de bisschop te staan. Deze legt zijn hand op hun hoofd en zalft met chrisma hun voorhoofd. Het chrisma dat de geur van de dóórdringende Geest symboliseert, zalft hen tot volkomen lidmaat van ‘een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk’. Met dit gebaar geeft men aan de christen Gods Geest met zijn zeven gaven. Ontleend aan ‘De nieuwe catechismus’, webb.).

MacDonnell verklaart het voor niet-katholieken zo:

  • ‘om historische redenen hebben vele katholieken in de charismatische vernieuwing de uitdrukking ‘doop in de Heilige Geest’ die in oud- Pinksteren gangbaar was, overgenomen om een ervaring aan te duiden waardoor zij tot een nieuwe bewustwording kwamen van de aanwezigheid en de kracht van de Heilige Geest, die al in hun leven was’.

Bij het omschrijven van de doop in Heilige Geest verandert men deze doop tot een bewustwording, want anders zou men tot de conclusie moeten komen, dat alleen de charismatische kerkleden in de Heilige Geest waren gedoopt. Dat zou in strijd zijn met de leer van de kerk, die zegt dat al haar ingewijden de gave van de Geest hebben ontvangen. Nadat men op deze wijze het wezen van de pinksterervaring veranderd had, zocht men tegelijkertijd naar meer passende benamingen:

  • ‘Het vrijgeven van de Geest’,
  • ‘vernieuwing van de sacramenten der inwijding’,
  • ‘een vrijgeven van de kracht om te getuigen van het geloof’,
  • ‘de activering van gaven die de mens reeds latent bezit’,
  • ‘manifestatie van de doop waarbij de verborgen genade, gegeven in deze doop, dóórbreekt in een bewuste ervaring’,
  • ‘herleving van het sacrament van het vormsel’.

Deze benamingen klinken alle zeer onorthodox, in aanmerking genomen dat wij met zo’n oud verschijnsel te doen hebben. Het klassieke Pinksteren houdt het beslist niet voor vaststaand dat iedere institutionele kerk vanzelfsprekend ook een uitdrukking is van het lichaam van Christus en dat ieder lid automatisch vervuld is met de Heilige Geest. Het axioma dat een inwijding door babybesprenkeling in een historische kerk tegelijkertijd een inwijding in de gemeente veronderstelt, wordt niet door deze pinkstermensen aanvaard. Voor hen bestaat het lichaam van Christus uit ‘veranderde’ personen. In de doop door onderdompeling hoort ieder gelovige getuigenis af te leggen dat hij of zij bij de ‘ecclesia’ hoort, tot de ware gemeente, die tot uitdrukking komt in de plaatselijke gemeente. Bovendien leren zij, dat zoals ze in water werden gedoopt, Jezus hen doopt in de Heilige Geest (Matth.3:11).

Oud Pinksteren gelooft ook dat het spreken in talen zoals de Geest dit geeft uit te spreken, het eerste, maar in geen geval het laatste teken is van de doop in Heilige Geest. Spreken in talen wordt daar verder als een normale ervaring van de christen die in Heilige Geest gedoopt is, beschouwd. In het nieuwe Pinksteren wordt echter geleerd, dat het spreken in talen niet noodzakelijk met het ontvangen van de Heilige Geest gepaard gaat. Het spreken in talen is daar vrijblijvend. MacDonnell zegt dat het spreken in talen voor de katholieke traditie geen enkel probleem is:

  • ‘Wanneer de katholieke charismatische leden deze gave hoogschatten, is dit omdat ze dan beter kunnen bidden. Het charisma van tongen helpt hen om dit beter te kunnen doen’. Verder zegt hij: ‘Omdat het de minste van de charismatische gaven is, moet men zich dus niet verwonderen dat het tongen spreken zo algemeen is’.

Dit laatste is de laatste jaren echter sterk veranderd. Het al eerder aangehaalde Gallup-opinie-onderzoek onder leiding van ‘Christianity Today’ wees erop, dat slechts een tiende van de charismatische katholieken in talen spreekt. MacDonnell merkt hierbij op dat een grotere verintellectualisering op theologisch gebied, zowel als een aanvaarding van de geringe plaats die het spreken in talen in het christelijke leven inneemt, geleid hebben tot een nieuwe kijk op deze gave. De meeste waarnemers met inbegrip van de pinkstermensen, verwonderen zich daarom over het groot aantal personen dat zichzelf pinkster-charismatisch noemt. Zij vragen zich daarbij af, wat deze mensen nu eigenlijk precies met deze term bedoelen.

Eén ding is echter duidelijk: de pinksterbeweging moet wel zeer grote offers brengen ten aanzien van de centrale gedachte over de doop in Heilige Geest, om in de traditionele schijnkerken te worden geaccepteerd als de charismatische vernieuwing.