Maatschappelijke culten in de eeuw van de wetenschap

Oorspronkelijke titel: Cults in the age of religion

In zijn boek ‘Die Zukunft einer Illusion’ wijst Sigmund Freud, de vader van de psychoanalyse (1865-1939), iedere religie van de hand. Hij noemt godsdienst een neurotische manier om zich te behelpen. Zonder enig bewijs hiervoor aan te voeren ,gaat hij van de veronderstelling uit dat religieuze gedachten voortgekomen zijn vanuit de behoefte om zichzelf te verdedigen tegen de superieure, vernietigende krachten van de natuur. Denk bijvoorbeeld aan die van de dood. Daarom zou godsdienst de ontwikkeling van de mensheid belemmeren. De wetenschap zou daarentegen hét middel zijn om enige kennis omtrent de werkelijkheid van de wereld te verwerven. Alleen door haar zouden wij onze macht kunnen uitbreiden en in overeenstemming hiermee ons leven kunnen inrichten. Door middel van de menselijke wetenschap zou ieder tot zijn bestemming komen. Freud besloot zijn boek met de opmerking: ‘Nee, onze wetenschap is geen illusie, maar het zou wel een zinsbegoocheling zijn om te veronderstellen, dat wij de dingen die de wetenschap niet in staat is ons te schenken, elders zouden kunnen gaan halen.’

Artikelen:

  1. Kenmerken van een cult
  2. De cult tegenover het gezinsleven
  3. Christus – een cultleider?

Inleiding

Een halve eeuw vóór Freud had ook de Franse filosoof en socioloog Auguste Comte (1798-1857) iedere religie geminacht. Hij sprak van een illusoir geloof, dat door de wetenschap in het algemeen en door de sociologie of maatschappijleer in het bijzonder zou worden verdrongen. Comte, die de term ‘sociologie’ bedacht, drong er op aan dat de ontwikkeling van de sociologie als wetenschap in het raamwerk van een algehele oriëntatie van het menselijk denken zou plaatsvinden. Elke tak van wetenschap zou volgens hem door drie stadia heen moeten, voordat hij volgroeid was:

  1. het theologische, fictieve of denkbeeldige stadium,
  2. het metafysische of bovenzinnelijke stadium,
  3. het wetenschappelijke of positieve stadium.

Het eerste stadium verklaart de verschijnselen uit goddelijke oorzaken; het tweede uit abstracte beginselen; het derde erkent als enige verklaringsbeginsel de wetenschappelijk vastgestelde betrekking tussen de verschijnselen. Pas in het laatste stadium is er echte wetenschap.

Op het eerste gezicht schijnt Emile Durkheim (1859-1917), de voorloper van het functionalisme in het sociologisch onderzoek, nog sympathiek ten opzichte van de religie te staan. Hij toont aan dat godsdienst noodzakelijk is voor onderlinge saamhorigheid in het maatschappelijke leven en daarom van essentieel belang. Toch geeft hij de evolutionaire theorie van Comte door, want hij veronderstelt ook dat religie geleidelijk voortkomt uit menselijke wisselwerkingen en dat eredienst tenslotte leidt tot de aanbidding van de samenleving. Sociale wetenschappen zoals antropologie, sociologie en psychologie zijn in de eerste plaats gericht op het bestuderen van de mens. Hun theorieën en methoden zijn voornamelijk ontleend aan de natuurwetenschappen en wel zo volledig, dat de basisgedachte ervan is, dat het gedrag van de mens gedetermineerd is, dit wil zeggen dat in principe iedere menselijke handeling een gevolg is van voorafgaande factoren en haar dus onvermijdelijk doen zijn. Dit determinisme is de onderliggende ideologie van de sociale wetenschappen.

Erkend moet worden dat de wetenschapsmens zelf deze voorbeschikking waarschijnlijk wel van de hand zal wijzen. Wanneer de sociale wetenschappers gebruik maken van een omschrijvende research methode, hoeft deze deterministische beschouwing van de mens niet consequent aanvaard te worden. Wanneer men echter de dingen wil verklaren, gaat men toch steeds van oorzaak en gevolg uit. Uiteindelijk is de existentie van het universum, van de natuur en ook van de mensheid niet te verklaren, want de mens kan bepaalde oorzaken en gevolgen slechts tot op zekere hoogte naspeuren. Daarom blijven er zelfs vanuit dit perspectief nog voldoende aanwijzingen over om in het bestaan van God en in een bovennatuurlijke dimensie te geloven. De sociale wetenschappen zijn niet in staat de uiteindelijke en wezenlijke oorzaken van het bestaan van de dingen te ontdekken en daar waar zij het laten afweten, ligt het beginpunt van de religie.

Voor de socioloog die zich bezighoudt met de mens als maatschappelijk wezen dat invloed uitoefent op de medemens door middel van het taalgebruik van een bepaalde cultuur, is er maar één sfeer van realiteit waarin de waarheid omschreven wordt, namelijk die als iets logisch kan worden aangetoond en proefondervindelijk kan bewezen worden. In het algemeen schrijft de religie de uiteindelijke oorzaak van het bestaan met die van zijn onderhoudende krachten, toe aan een bovennatuurlijke realiteit. Dit standpunt houdt echter geen ontkenning in van een empirische werkelijkheid, maar wat meer is, zij erkent twee manieren van zijn: het natuurlijke en het geestelijke.

Het oosterse denken kent onze westerse onderscheiding tussen wetenschap en godsdienst niet. Het ziet de kosmos als een eenheid. In het westerse denken is niet alleen een onderscheid tussen wetenschap en religie, maar Glock en Stark, twee bekende sociologen, verzamelden gegevens, die aantoonden: ‘Dat de mensen handelen alsof religieuze en wetenschappelijke ontwikkelingen onverenigbaar zijn’.

De definitie van wetenschap die door deze schrijvers gebruikt wordt, heeft niet alleen betrekking op de natuur en op de fysische kennis, maar omvat ook de sociologie. Er is een tijd geweest dat de geleerden discussieerden over het feit of de sociologie al dan niet rechtmatig onder de wetenschappen mag gerekend worden. Langzamerhand werden de beoefenaars van de sociale wetenschappen minder gevoelig op dit punt, terwijl de geleerden in de natuurwetenschappen voor het merendeel genoegen namen met de stand van zaken. Ze ruzieden er niet meer over. Op deze subtiele wijze sloop een filosofie over de mens binnen, waarop de sociologie was gebaseerd, onder de beschermende vlag dat zij tot de wetenschappen moest worden gerekend. Door zich zo als wetenschappelijk aan te dienen, heeft de sociologie zichzelf een respectabele en autoritaire positie aangemeten. Niettemin concluderen Glock en Stark:

  • ‘In verhouding tot de natuurwetenschappen staan de sociale wetenschappen in de kinderschoenen en zijn er nog maar weinig stellingen, waardoor zij met gezag kunnen waar maken dat het menselijke gedrag gedetermineerd is, dus zonder wilsvrijheid is’.

Toch wordt niet alleen aanvaard dat ze recht van spreken hebben vanwege het gedisciplineerde wetenschappelijke denken, maar ook dat iedere religieuze oriëntatie als onwetenschappelijk aan de kant moet worden gezet. Wanneer deze manier van denken gevolgd wordt, kan het niet anders zijn dan dat niemand zich meer interesseert of God al dan niet bestaat. Hij is dan immers niet meer relevant voor het dagelijkse leven. Waar de wetenschap tekortschiet om de hogere doelstellingen van de mens te bevredigen, zullen volgens deze twee geleerden de humanistische beschouwingen de religieuze opvattingen verdringen.

Ondanks bovenstaande voorspelde afloop, worden de godsdiensten doordrenkt met wat de sociale wetenschappen leren omtrent het menselijke gedrag. Deze inwerking kan men waarnemen als men de inspanningen opmerkt, die de godsdiensten zich getroosten om het traditionele geloof aan te passen aan het researchwerk van de sociale wetenschappen: pastorale psychologie, het introduceren van cursussen in sociale wetenschappen aan de leergangen van de theologische onderwijsinstellingen. De trend is dat de wetenschapper tegenwoordig tot een cultuurheld wordt gemaakt, tot een leidinggevende genius van de vooruitgang. Dit heeft natuurlijk tot gevolg dat de mannen van de wetenschap grote invloed uitoefenen op onze cultuur en het waardesysteem ervan. Hieruit vloeit weer voort dat de maatschappij in toenemende mate ongodsdienstig wordt of dat de religie in grote mate veranderingen ondergaat en aangepast wordt.

Toch legden echter een groep van ongeveer 25 professoren van universiteiten, onder wie sociologen, psychologen en theologen, de vinger op de ontbrekende dimensie in de maatschappij en op de in het oog lopende gevolgen ervan. Een krantenkop vermeldde namelijk het volgende: ‘De geleerden zeggen dat de explosie van nieuwe culten op een geestelijk gemis wijst’ (New York A.P.).

Een groep wetenschappers constateerde dat de toename van religieuze culten wel meer voorgekomen is tijdens rumoerige perioden in de geschiedenis van Amerika en dat de onverwachte uitbreiding van deze groepen wijzen op een leegte in de moderne cultuur. Marvin Bressler, een socioloog van de Princeton-universiteit, die de conferentie leidde, merkte op: ‘Men veronderstelt dat er een grote honger is naar geestelijk voedsel, die in de tegenwoordige maatschappij niet gestild wordt’. Hij en andere deelnemers moesten concluderen dat de algemene indruk was, dat de culten tegenwoordig een aanwijzing zijn, dat de maatschappelijke bevrijdingsleer volkomen heeft gefaald. Klaarblijkelijk heeft de moderne maatschappij met haar overvloed, haar emancipatiebewegingen en technische mogelijkheden geen geestelijke voldoening geschonken. De mensen zoeken naar nieuwe middelen om hun geestelijke noden te bevredigen. De culten proberen het antwoord te geven aan het tekort van een godloze maatschappij.

Kerken, groepen en de maatschappij

In de sociologie heeft men verschillende religieuze organisaties bestudeerd en geclassificeerd. Dit houdt dan beslist geen verband met hun diverse leringen en het al of niet verkondigen van de waarheid. Geprobeerd wordt de typische verhoudingen vast te leggen, die tussen kerken en groepen enerzijds, en de maatschappij anderzijds bestaan. Het is bijzonder interessant om na te gaan, hoe steeds in de kenmerkende eigenschappen van bepaalde godsdienstige groeperingen, de invloed van de maatschappij merkbaar is, en hoe men in andere gemeenschappen juist weigert zich aan de normale menselijke samenleving te conformeren.

De indeling van kerken en sekten vanuit een sociologische gezichtshoek gaat uit van hun fundamentele verschillen. Men kan beide beschouwen als de eindpunten van een onafgebroken lijn. De kerk is dan een religieus orgaan dat de aantrekkingskracht van de wereld erkent en deze probeert te beïnvloeden door juist de voornaamste elementen van haar sociale structuren te accepteren. De kerk verweeft de kenmerkende bestanddelen van de staat en van de heersende klasse met haar eigen opvattingen en gebruikt ze tot haar eigen nut. Op deze wijze wordt ze zelf een integraal deel van de gevestigde maatschappelijke orde. Vanuit deze situatie oefent de kerk een stabiliserende invloed uit en helpt ze mee deze orde te bepalen. Hierdoor wordt zij afhankelijk van het maatschappelijke establishment en van zijn ontwikkeling.

Een persoon is meestal door geboorte automatisch lid van een kerk. Hoewel de nadruk van de kerk ligt op de sacramenten en de geloofsbelijdenis, is haar bestaan toch opgetrokken met hulp van compromissen. De kerk probeert mobiel te zijn door zich aan te passen. Hierdoor domineert zij in de wereld en daarom domineert de wereld in de kerk!

De sekte bestaat uit een groep mensen die de compromissen van de kerk afkeuren en verwerpen. Zij verkiest het isolement boven de minnelijke schikking. Haar ledenaantal is klein en op vrijwillige basis. Zij legt het accent op goed gedrag en wordt veelal geassocieerd met de lagere volksklasse. De sekte is de religie van de leek. Zij is vrij van wereldse autoriteit en staat onverschillig of zelfs vijandig tegenover de staat.

 

In de sociologie onderscheidt men wel de volgende typen van religieuze organisaties:

  1. de universele kerk,
  2. de ecclesia,
  3. de denominatie,
  4. de sekte,
  5. de cult.
  • De universele kerk

De universele kerk of de wereldkerk is ‘een algemene (christelijke) kerk’ in de betekenis, dat zij alle soorten mensen uit de maatschappij omvat en in het feit dat in haar de verschillende belangrijke godsdienstige begrippen en functies met elkaar verbonden zijn. In haar worden de doelstellingen van kerk en sekte op een systematische wijze bijeengebracht. De beste illustratie van een universele kerk in de westerse beschaving is de rooms-katholieke kerk van de 13e eeuw. Deze kerkformatie heeft namelijk met succes de sekte in zich opgenomen, voornamelijk in de vorm van het kloosterleven. Op deze wijze bewaarde zij haar universeel karakter. Zelfs heeft de rooms-katholieke kerk de charismatische vernieuwing in haar greep weten te krijgen, toen paus Paulus VI deze beweging in de kerk incorporeerde, in plaats van haar te verwerpen, zoals men dit in de protestantse kerken eerder met de pinksterbeweging had gedaan. De dissidente elementen werden onder de auspiciën en de autoriteit van de moederkerk teruggebracht. De universele kerk belijdt de eenheid, heiligheid, katholiciteit en apostoliciteit in de zichtbare wereld. Haar eenheid openbaart zich in die van een uiterlijk geloof onder een onfeilbaar leerambt, in eenheid van cultus en eenheid van bestuur.

  • De ecclesia of volkskerk

De ecclesia of volkskerk (in Nederland de Hervormde Kerk) waarover Handelingen 7:38 spreekt, heeft minder succes met het in zich opnemen van sektarische neigingen. Zij heeft zich zo goed aangepast aan de heersende meningen in de maatschappij, dat de noden van veel van haar leden, speciaal die van de lagere arbeidersklasse, over het hoofd worden gezien. Er is dan ook een wijd verbreide onverschilligheid t.o.v. deze kerk te constateren. In haar zijn protesterende sektarische minderheden en ook bezit zij een oppositie die als wereldgelijkvormig kan gezien worden. Over het algemeen neigen de gevestigde nationale kerken naar dit ecclesiastische type, dat de zichtbare eenheid van de universele kerk mist. De ecclesia als een alles omvattende maatschappelijke structuur is ten nauwste verbonden met nationale en economische belangen. Omdat zij appelleert op de massa, is zij van nature bereid om haar ethiek aan te passen aan de moraal van de wereld waarmee zij verbonden is. Zij zal dus de zedelijkheidsnormen van de ‘respectabele’ meerderheid vertegenwoordigen (zoals bijv. ten opzichte van de homofilie, echtscheiding).

  • De denominatie

De denominatie onderscheidt zich meestal door haar naam die de richting aangeeft (In Nederland bijv. de verschillende gereformeerde kerkelijke instituten). Zij is een klasse- of familiekerk en in het algemeen genomen conventioneel, fatsoenlijk en acceptabel. Hoewel er sektarische elementen in haar zijn – vele denominaties begonnen immers als een sekte – heeft zij zich op de weg van het compromis begeven. Men kan de denominatie echter nog kerk noemen, want zij leeft in wezenlijke harmonie met de wereldse machtsverhoudingen. Desondanks is zij minder universeel dan de ecclesia, want zij beperkt zich door een bepaalde klasse, bijvoorbeeld weinig handarbeiders en veel intellectuelen. Haar leden horen meestal bij hetzelfde ras en vreemdelingen voelen zich er niet gemakkelijk thuis. Zij heeft ook vaak gewestelijke grenzen. De denominatie bouwt haar godsdienstige gemeenschap meestal op vanuit het principe van vrije aaneensluiting van geestverwanten. Haar leden zijn meestal verdraagzaam t.o.v. andersdenkenden. Zo spreekt men in de Engelstalige wereld wel van ‘interdenominationalism’ (interkerkelijk), maar men zal nooit spreken van intersektarisch! De denominatie: ‘heeft een duidelijke voorkeur voor de veelheid der kerken boven de kerk van de veelheid des volks’, aldus dr. A. Kuyper.

  • De sekten

De sekten kunnen onderverdeeld worden naar de drie mogelijke reacties op de ongewenste toestanden in de maatschappij: het aanvaarden, het bestrijden of het wegen zoeken om ze te vermijden. Wij onderscheiden dan:

  • De accepterende sekte
  • De agressieve sekte
  • De zich isolerende sekte

Desondanks kunnen wij de fasen noemen wanneer, en het patroon afschilderen waarnaar de sekten zich toch weer gaan seculariseren, dat is hun eigen compromissen met de wereld sluiten. De uitbreiding van de gezinnen door kinderen, de snelle aanpassing aan nieuwe levensmogelijkheden in de toenemende welvaart en de tijdsduur dragen er toe bij, dat de sekte een soort routine proces ondergaat en zo in een gevestigd sociologische bestaansvorm terecht komt. Eventueel kan dan de meer of minder onstabiele sekte een denominatie worden. De sekte als establishment is wat minder exclusief, wat minder wereldvreemd en zij kent meer structuren. Daarom benadert zij geleidelijk de denominatie. Zij kan er in slagen zichzelf geruime tijd te handhaven door in een bepaalde oppositionele houding te volharden en een afwijzend standpunt in te nemen ten opzichte van wereldse maatstaven en waarden. Sekten vertegenwoordigen een breuk met de officiële religieuze organisaties in hun cultuur, maar zij breken niet met de algemeen aanvaarde godsdienstige tradities. Bij het verstrijken van de jaren verdwijnt steeds meer de weigering om een compromis aan te gaan met de wereldse standaard en maakt het afwijzende standpunt plaats voor een geleidelijke acceptatie ervan. Dit heeft als gevolg dat de sekte zich dan meer of minder met de wereld heeft verzoend. Dit proces wordt bespoedigd door de toenemende rijkdom en door het respect dat wordt opgewekt door haar leden en hun sobere sektarische levenswijze. Een kerk kan echter haar establishment zien verdwijnen, wanneer zij haar greep op de maatschappij verliest door uit de pas te gaan lopen. Er kunnen dus om zo te zeggen in de samenhang van kerk-sekte in beide richtingen verschuivingen plaatsvinden.