Verward in het web
Zoals dat meestal gaat, was mijn eerste contact met de organisatie aan de deur. Ik kocht wat lectuur en verdiepte me erin. Het viel me op, dat de stof doorspekt was met Bijbelteksten. Dat gaf mij de indruk dat de wachttorenexegese onomstotelijk was. Ik had, helaas, toen nog niet door dat met losse, uit hun verband gerukte Bijbelteksten, letterlijk van alles te ‘bewijzen’ is. Al snel werd ik uitgenodigd voor een van de wekelijkse bijeenkomsten van de getuigen. Zij noemden deze bijeenkomst ‘Gemeenteboekstudie’, een huissamenkomst waar een van de boeken van het Wachttorengenootschap besproken werd.
Ik werd direct in de kring van aanwezigen opgenomen. Niemand liet mij merken, dat ik in hun ogen eigenlijk nog niet veel wist van ‘het geloof’. Telkens wanneer ik een on-Bijbelse (lees: niet aan de lectuur van het genootschap geconformeerde) opmerking plaatste, werd dit rechtgezet. Dit gebeurde meestal met de nodige tact en altijd in volkomen eensgezindheid. Zij spraken met gezag. Ik maakte daaruit op dat ze allemaal dezelfde visie deelden, omdat zij allemaal Jehova’s licht ontvangen hadden. Daarom spraken ze allemaal dezelfde geestelijke ‘taal’. Later besefte ik dat deze geestelijke eenheid het gevolg was van hun geestelijke slavernij aan het genootschap uit Brooklyn.
De Organisatie van Jehova’s Getuigen leert immers dat zij Jehova’s kanaal zijn waardoor het ‘waarheidswater’ tot de mensen komt. Door middel van dit kanaal worden zij allemaal door Jehova zelf onderwezen (Joh.6:45). Deze gedachte wordt er bij de getuigen als het ware in gehamerd. Steeds weer wordt dit herhaald in de lectuur en tijdens de samenkomsten. Hierdoor wordt de getuige eigen gemaakt met de leugen dat hij de Bijbelse boodschap alleen maar kan begrijpen door de visie van het Wachttorengenootschap. Door dit geraffineerde systeem wordt hem, als bij een hersenspoeling, een bepaald idee ingepompt en wordt hem ‘liefde tot de organisatie’ bijgebracht. Hetzelfde zien we bij alle dwalingen waarbij de satan het denken heeft vergiftigd en de mens – vaak met medeweten – zijn ingeschapen geweten heeft afgesloten.
Er schuilt overigens een wondere symboliek in deze aanduiding van het wachttoriaanse ‘kanaal’ met het ‘waarheidswater’. Het is God die de rivieren heeft geschapen, grote stromen met bruisend water, vol dynamiek. Ook zijn de rustig kabbelende beekjes, waar de gehaaste mens rust en verstrooiing kan vinden, scheppingen van Zijn hand. En Openbaring 22:1 spreekt over een rivier, waar de bomen tot ‘genezing van de volken’ aan de oever staan. Kanalen echter zijn waterwegen, die door mensen aangelegd zijn. Star en rechtlijnig. Berekend, recht op het doel af. Zo is ook het ‘kanaal’ van de getuigen een product van de menselijke geest, geïnspireerd door de duivel. Het ‘waarheidswater’ in dit kanaal is daarom niet geput uit de Levensbron, Jezus Christus, maar komt voort uit de poel van menselijke overleggingen. Door dit troebele water, aanvankelijk aarzelend, later met volle teugen te drinken, raakte ik al snel bedwelmd. Mijn gezonde verstand scheen min of meer beneveld te worden. In beeldspraak uitgedrukt: ik raakte verward in het verraderlijke web dat de spin uit Brooklyn ook voor mij gesponnen had. En wee de vlieg die in het web gevangen zit! Hij heeft geen verweer bij het naderen van de spin.
De spin slaat toe
Ik bezocht alle vergaderingen van de plaatselijke gemeente van de getuigen in Dordrecht (in die tijd was er daar nog maar één gemeente). Op zondagochtend (later vanwege de ‘velddienst’ verzet naar de zondagmiddag) ging ik naar de Wachttoren Bijbelstudie in de Koninkrijkszaal. Op zo’n studiebijeenkomst wordt een gedeelte van ‘De Wachttoren’ door middel van vraag en antwoord besproken. De vragen staan onder de tekst gedrukt; de antwoorden haalt men uit de paragrafen. Op deze manier is men er zeker van dat de ‘waarheden’ van het genootschap naar voren komen. Eventuele eigen gedachten van de diverse sprekers worden niet toegestaan. Dezelfde methode wordt gebruikt op de ‘Gemeenteboekstudie’ met de boeken van het genootschap.
Elke woensdagavond bezocht ik de Gemeenteboekstudie en elke donderdagavond de Dienstvergadering en de ‘School der Theocratische Bediening’. Op de Dienstvergadering wordt de dagtekst besproken (aan de hand van daarop corresponderend commentaar uit ‘De Wachttoren’). Daarna wordt een dienstlezing gehouden. Er worden eventueel rollenspelen opgevoerd hoe men wel en hoe men niet van huis tot huis moet gaan of nabezoeken moet brengen. Ook wordt geleerd hoe men zich moet voorbereiden op studiebijeenkomsten en dergelijke. Schema’s voor de programmaonderdelen vindt men in het dienstblad ‘De Koninkrijksdienst’, dat aan elke getuige wordt meegegeven.
Mijn oude Commissie van Ontvangst
Op dezelfde avond wordt ook nog de School der Theocratische Bediening gehouden. Deze school begint men met een door de schooldienaar of door een andere ‘bekwame broeder’ te houden instructielezing. Deze lezing is gebaseerd op lectuur van het genootschap. Twee van de op de school ingeschreven broeders houden een oefenlezing en één leesoefening uit de Bijbel. Daarna geven twee van de ingeschreven zusters een getuigenis van huis-aan-huisbezoek of van een opnieuw bezocht adres, dan wel van een zogenaamde huis Bijbelstudie. Alle deelnemers ontvangen kort feedback van de schooldienaar. Dit commentaar kan gaan over de behandelde stof, maar kan ook slaan op de manier van brengen of de persoonlijke omgang met mensen. Men moet immers leren in het publiek op te treden!
In het begin ging ik ook nog naar de kerk, de Hervormde Gemeente. Ik was daar lid van de Commissie van Ontvangst en ook een van de mentors van de Jonge Kerk. Ik speelde een tijdje met het idee dit evangelie van Gods Koninkrijk ook aan de Jehova’s uit te dragen. Al snel werd mij echter door mijn nieuwe geestverwanten duidelijk gemaakt, dat dit een onmogelijke opgave was. Zij attendeerden mij op Jeremia 51. Men liet mij Jeremia 51:9 lezen:
- ‘Wij hebben Babel proberen te genezen, maar het is niet te genezen; verlaat het en laten wij gaan, een ieder naar zijn land.’ En vers 45: ‘Trek eruit weg, mijn volk en laat ieder zijn leven redden voor de brandende toorn van de Heer.’
Aan de hand van Openbaring 17 maakte men mij duidelijk, hoe met de grote hoer waarmee de koningen van de aarde gehoereerd hadden, de christenheid bedoeld wordt. Deze hoer, Babylon genaamd, beeldt volgens de wachttorenleer, de tegen zichzelf verdeelde, zich christelijk noemende kerkelijke groeperingen uit. Er is daarom (zo doceert het Wachttorengenootschap) geen redding te vinden in de (valse) christenheid, maar alleen in het zuivere christendom, dat door de reine religie van Jehova’s Getuigen wordt gerealiseerd! Mijn ‘medestrijders in de theocratie’ brachten mij aan het verstand, dat de keuze van religieuze organisatie geen vrijblijvende aangelegenheid is. Maar het is, vooral in het licht van Openbaring 18:4 en 5, een kwestie van levensbelang. De Nieuwe Wereldvertaling van Jehova’s Getuigen geeft deze tekst als volgt weer:
- ‘Ga uit van haar, mijn volk, als u geen deel van haar plagen wilt ontvangen. Want haar zonden hebben zich helemaal tot aan de hemel opgehoopt en God heeft zich haar ongerechtigheden herinnerd’.
Om dus geen deel te hebben aan de zonden van het christendom en om te vermijden dat ik haar plagen mee zou moeten ondergaan, schreef ik een uitgebreide brief aan de kerkenraad van de Hervormde Gemeente te Dordrecht. In dit schrijven spuide ik een deel van mijn pas verworven ‘kennis’ en bedankte ik ook voor het lidmaatschap van de kerk. Helaas pakte de dominee die mij hiervoor bezoeken kwam, de zaak volslagen verkeerd aan. Hij benaderde de zaak emotioneel door te wijzen op mijn overleden moeder. Hij drukte mij op het hart, om als een goed zoon van haar, in hetzelfde spoor te blijven lopen. Dit gaf voor mij de doorslag! Vanaf dat moment voelde ik mij een echte getuige voor de naam van onze God.
Ik had niet door dat ik alleen maar een gemakkelijke prooi was voor de macabere vorst van de duisternis, die zich aan mij voordeed als een engel van het licht. Vooral doordat hij een meester was in het citeren van Bijbelteksten. Deze meesterlijke camouflage demonstreerde hij ook in de dagen van Jezus op aarde. Bij Jezus had hij echter geen schijn van kans: Hij kende de satan en zijn streken. De Heer pareerde de satan met het wapen dat hij zelf hanteerde: het Woord van de levende God. Het Woord dat zich tenslotte keert tegen degene die het gebruikt om anderen te misleiden. Maar ik? Ik ging voor de bijl en had het niet eens in de gaten! Ik dacht God een heilige dienst te bewijzen door van huis tot huis te proberen mensen de ogen te openen voor de misleidingen van deze vals religieuze organisatie van de satan, terwijl ik zelf een slachtoffer was van zijn verderfelijke propaganda. Ik zat verstrikt in het fatale stelsel van de Wachttorensprookjes.
Uiteindelijk werd mijn geest gevuld met de theorieën van de Brooklyn organisatie. Heel mijn doen en laten, mijn woorden en zelfs mijn gedachtewereld, werden na verloop van tijd bepaald door het besturende lichaam in Amerika. De spin had toegeslagen: ik was gebonden, bij stukjes en beetjes ingesponnen in het web van dwaalgedachten en menselijke overleggingen. En dat terwijl ik dacht ‘in de waarheid’ te zijn, als een van de ‘ambassadeurs van Gods Koninkrijk’, als een gezant van de zogeheten ‘maatschappij van de nieuwe wereld’.


