Jehova’s Getuigen aangeklaagd

Met mierenvlijt proberen ze hun lectuur en leer te slijten, deur aan deur: Jehova’s Getuigen. En niet zonder gevolg. De meer dan twee miljoen getuigen van Jehova weten hun product goed te verkopen. Hun organisatie hoorde tot voor kort tot de snelst groeiende religieuze organisaties in de Verenigde Staten. Maar er zijn veranderingen te bespeuren. Het jaar 1975 dat voor hen de grote omwenteling in de geschiedenis moest brengen, ging zonder wereldschokkende gebeurtenissen voorbij. Sindsdien zijn heel wat Jehova’s Getuigen gaan twijfelen aan het Brooklyn Genootschap en aan de waarheid waarop de leiding in Amerika het patent heet te hebben.

Vandaag de dag begint het machtige bolwerk scheuren te vertonen. Teleurgesteld verlaten Getuigen de organisatie, ontgoocheld en verbitterd. In ons land bestaat zelfs een ‘Nederlandse Vereniging van Ontgoochelden’ – Jehova’s Getuigen die elkaar steun geven in de moeilijke periode na de losmaking of uitsluiting. In ‘Jehova Getuigen aangeklaagd’ beschrijft Nico Klein de worsteling die hij doormaakte vanaf het moment dat het bij hem duidelijk werd, dat het Genootschap wel eens zou kunnen dwalen.

Bij een eerste kennismaking met de Getuigen, raakte Nico diep onder de indruk van de Bijbelkennis van de man die bij hem aan de deur kwam. En dat nog wel juist in de tijd dat de problemen in zijn leven zich opstapelden. Hij liet zich overhalen om mee te doen aan een Bijbelstudie. Daar werd hij grondig getraind in de leer van het Genootschap. Op het laatst was in zijn leven alleen nog maar plaats voor de ‘waarheden’ die door ‘Gods kanaal’ tot hem kwamen. Toen de dag van zijn doop kwam, werd hem gevraagd: ‘Zul je altijd opvolgen wat het Genootschap vraagt?’ Met volle instemming van zijn hart antwoordde hij daar bevestigend op.

Nico werd een vurig prediker, een trouw en kritiekloos Getuige. Zo er al twijfels bij hem opkwamen aan wat hem geleerd werd, z’n ouderlingen wisten ze hem vriendelijk maar beslist uit het hoofd te praten. Er mocht geen tijd verloren gaan met het napluizen van wat er allemaal geleerd werd. De leidende broeders wisten wat goed voor hem was. En altijd was er de angst voor ‘Armageddon.‘ Zo zwoegde Nico voort. Deur na deur. De boeken en tijdschriften die hij van het Genootschap (tegen vooruitbetaling) betrok, moesten tegen elke prijs verkocht worden. Hij was een ijverig verkondiger van de ‘Koninkrijksboodschap’. Maar toch kwam hij nog wel eens in botsing met de voorschriften en de richtlijnen die het Genootschap uitvaardigde om de Getuigen maar zoveel mogelijk te laten ‘produceren’.

  • Toen hij eens aan de deur christenen ontmoette die van de zekerheid van hun geloof getuigden, voelde hij een heimwee naar een andere geloofsbeleving in zich opkomen. Door de groeiende kontakten met deze gelovigen begon Nico zelf zijn Bijbel te onderzoeken. En kritische vragen te stellen. Dat werd hem niet in dank afgenomen. ‘Is het Genootschap een organisatie die zich kan gronden op de Bijbel?’ Nico stelde zichzelf die vraag wel honderd keer. Op zijn (privé)speurtocht door Gods Woord leerde hij het liefhebben. Langzaam aan gingen zijn ogen open. Hij begon het Genootschap te zien als een ‘puur menselijke organisatiestructuur met enkele knappe koppen aan de top, uit op macht en geld.’ Ook voor Nico was ’1975′ de druppel die de emmer deed overlopen en daarna volgde zijn uitsluiting. Pogingen door het Genootschap om Nico te ‘paaien’, liepen op niets uit. Nico had de waarheid geproefd en was vastbesloten die weg verder in te slaan.

Het verhaal van Nico geeft aan dat er onder Jehova’s Getuigen veel (onderdrukte) nood leeft. En geestelijke honger! Vandaar dat het niet wijs is met hen in discussie te gaan over allerlei onpersoonlijke leerstukken. Trouwens, ze luisteren slecht. Ze kunnen en mogen alleen praten over wat hen geleerd is. Als een Jehova’s Getuige zich in zijn opvattingen bedreigd voelt, gaat hij snel op iets anders over.

Vervulling met Gods Geest? No way!

Wij hadden eens een gesprek met een leidinggevende Jehova met 35 jaar ‘deurervaring’ en vroegen hem of hij wel vervuld was met Heilige Geest. Zijn antwoord was dat hij dit als een normaal proces bij zijn bekering tot het genootschap beleefde, maar van een persoonlijk Pinksteren had hij nog nooit gehoord.  Wij vertelden hem dat hij zonder Gods Geest een loslopend leeg vat was waar God en Jezus niets mee kunnen. Een antwoord had deze man (en zijn vrouw) hier niet op en verlieten onze voordeur. Na herhaaldelijk terugroepen (Ja, het kan, Jehova’s terugroepen tot je voordeur), wist hij nog steeds geen antwoord. Hij moest wel erkennen dat de doop in Heilige Geest hem na bijna 40 jaar onbekend was en dit door Brooklyn ook nooit was geleerd. Of hij (en zijn vrouw) ooit nog terugkomt betwijfelen we zeer, maar laten hun door God ingeschapen geweten henzelf oordelen. Het Bijbels fundament is immers niet simpel te verdraaien tot het verderf van anderen. Ieder ziet zijn eigen werken en als deze slechts rampen voortbrengen weet hij of zij dat ze goed of fout zijn. Aan de vruchten hertekend men immers de boom…. En als deze bomen geen enkele vruchten voortbrengen worden ze omgehakt. Gelukkig maar.

Voor ons (vrije!) gelovigen geldt te spreken over onze geloofsbeleving met een levende Heer. Dat zal hen doen nadenken over wat het Genootschap daar tegenover te stellen heeft. Wie met deze mensen in gesprek wil raken, zal echter ook iets moeten weten van hun achtergronden. Niet alleen van hun leer, maar (vooral) ook van de sfeer waarin zij leven. Van het systeem waarin ze zich hebben moeten schikken. Van het keurslijf waarin hun levenspatroon is geperst. De ‘bekeringsgeschiedenis’ van Nico Klein kan daarbij goede informatie bieden, zoals die alleen door een insider kan worden neergezet. Aanbevolen lectuur voor wie er in kontakten met Jehova’s Getuigen niet op uit is om een woordenstrijd te winnen. Maar er voor vecht zielen te winnen voor de Heer.