Jehovah’s Getuigen en het spreken in nieuwe talen

Een vrouw gaf ons enkele weken geleden ‘De Wachttoren’, waarin een artikel stond gericht tegen het spreken in nieuwe talen. Zij verzocht mij hierop in te gaan, omdat een aantal mensen in haar buurt, die zo’n blad hadden gekocht, hierover met haar hadden gesproken. Nu is het al heel lang geleden dat wij ons hebben beziggehouden met dit exclusieve Amerikaanse tijdschrift, wier aanhangers menen dat zij vanwege hun organisatie het monopolie hebben om de nieuwe aarde te bevolken. De nieuwe hemel is met de 144.000 excellente Jehovah’s getuigen immers al bijna vol. De rest van de mensheid, die niet bij deze uitverkoren gemeenschap hoort, houdt na het sterven op te bestaan net als een koe of een hond.

Een ongeestelijke leer

De Jehovah’s getuigen hebben een ongeestelijke leer, omdat over een hemels Koninkrijk vrijwel nooit wordt geschreven. Geen wonder dat de gave van het spreken in nieuwe talen dan ook radicaal door hen wordt verworpen. Natuurlijk kunnen ze de Bijbelse achtergrond ervan niet loochenen, maar ze beweren net als veel evangelische christenen, dat deze gave alleen voor de tijd van de apostelen was en nu als zeer gevaarlijk moeten worden gezien. Ik wil nu op enkele uitspraken van ‘De Wachttoren’ ingaan. Zo beweert dit blad dat de gave van het spreken in nieuwe talen, in verband zou staan met het zendingsbevel, alleen voor een korte tijd na de dagen van Jezus op aarde:

  • ‘U zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judéa en Samaria en tot de uiteinden van de aarde’ (Handelingen 1:8):
  • ‘De kleine groep leerlingen telde geen personen die de talen van elke streek op aarde spraken. Maar in vervulling van Jezus’ belofte werd zo’n tien dagen later, op de dag van het pinksterfeest, de heilige geest uitgestort op ongeveer 120 discipelen van hem die in een bovenkamer in Jeruzalem bijeen waren. Wat had dit tot gevolg? Zij ‘begonnen in verschillende talen te spreken’ en konden dus onmiddellijk aan de slag gaan om zich van het hun opgedragen getuigenis werk te kwijten (Handelingen 2:14). Het is duidelijk dat de hier genoemde talen bekende talen waren en geen onverstaanbare spraak.’

Wanneer het talenwonder alleen ervoor was om het zendingswerk mogelijk te maken, wijs ik erop dat dit op de Pinksterdag beslist niet nodig was, want alle aanwezigen spraken Grieks. Het spreken in ‘talen’ was daar alleen een teken van de tegenwoordigheid van Gods Heilige Geest. De grote rede die Petrus daarna hield, werd door allen gevolgd en verstaan. Het is bovendien onmogelijk om door middel van het spreken in talen met vreemdelingen te communiceren. Veronderstel dat ik aan een Chinees het evangelie zou verkondigen in zijn eigen taal, welke ik zelf niet heb geleerd maar slechts op bovennatuurlijke wijze zou kunnen spreken, dan zou zo’n Chinees mij wel verstaan, maar als hij mij dan in zijn eigen taal antwoorden zou, zou ik hem niet kunnen volgen. Dit middel tot het bedrijven van zending zou slechts hoogst gebrekkig werken. Bovendien zou dan mijn persoonlijkheid in de evangelieverkondiging zijn uitgeschakeld. De leerlingen evangeliseerden niet in talen, maar zij maakten in vreemde talen de Heer groot en deze lofprijzingen werden door de buitenlandse Joden opgevangen. Wanneer zij nu eens in hun eigen ‘dialect’ geantwoord hadden, zouden de apostelen dit niet hebben begrepen. Ook Filippus had geen gave van talen nodig om met de kamerling uit Ethiopië te kunnen converseren. Deze verstond ook Grieks, de wereldtaal van die tijd, getuige dat hij de rol van Jesaja zat te lezen. ‘Maar hoe verklaart u dan Paulus’ woorden in 1 Corinthiërs 14:2?’ zullen sommigen vragen. ‘Zei Paulus niet: ‘Want wie in een taal spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God?’

In de eerste plaats zij opgemerkt dat Paulus hier niet spreekt over persoonlijke gebeden maar veeleer over het gebruik van de gave van nieuwe talen op een gemeentevergadering (zie 1 Corinthiërs 14:23). Als u het hele 14e hoofdstuk van 1 Corinthiërs leest, zult u opmerken dat de talen waarover wordt gesproken, bekende talen waren en geen onverstaanbare spraak en de gave niet in besloten kring gebruikt moest worden, maar ten behoeve van ongelovigen’. Ook wij gaan er vanuit dat de glossolalie geen gebrabbel is, maar dat de talenspreker in bestaanbare talen zich uit. Hij kan zelfs God verheerlijken in een taal van een volk waar het evangelie nog nooit is gebracht. In het nieuwe gezang dat de 144.000 zingen, wordt in alle talen van de aarde de naam van het Lam verheerlijkt. Men zingt dan een lied dat iemand niet langs de normale wijze kan leren. Dat deze 144.000 alleen Jehovah’s getuigen zouden zijn, is wel een zeer benauwde en enge opvatting.

Het spreken in talen van engelen

Wij wijzen erop dat Paulus in 1 Corinthiërs 13:1 spreekt over het spreken in talen van engelen. Dit is toch wel een taal die men op het zendingsveld niet kan gebruiken! Verder schrijft hij: ‘Ik zal bidden met mijn geest maar ook bidden met mijn verstand; ik zal lof zingen met mijn geest, maar ook lofzingen met mijn verstand’ (1 Cor.14:15). Hier wijst hij dus op een gebruik van deze gave om de Heer groot te maken. Hij dankt God zelfs ervoor dat hij in zijn persoonlijke omgang met Hem, meer in talen spreekt dan de Corinthiërs dit deden, maar dat hij in de samenkomst van de gemeente liever in een bekende taal spreekt (1 Cor.14:18,19). Ook wij mogen zoiets doen!

Verder wordt geponeerd:

  • ‘De Schrift laat zien dat de wonderbaarlijke gaven die aan eerste-eeuwse christenen werden geschonken, slechts van tijdelijke aard waren. ‘De liefde faalt nimmer. Maar hetzij er gaven van profeteren zijn, ze zullen worden weggedaan; hetzij er talen zijn, ze zullen ophouden’ (1 Cor.13:8).

‘Het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie’ staat in Openbaring 19:10. Jezus en niet Jehova, blijkt tot het laatste toe nog zijn dienstknechten te inspireren. De profetie heeft dus nog niet op korte termijn afgedaan! De talen zullen verstommen, maar ook de kennis zal afgedaan hebben. Waarom vermeldt de schrijver dit laatste niet in ‘De Wachttoren’? Paulus voegt er nog aan toe om elk misverstand uit de weg te ruimen, dat dit alles gaat gebeuren als het volmaakte zal zijn gekomen, want dan ‘zal het onvolkomene afgedaan hebben’. Dit ziet dus op een toestand waarin wij ons nog niet bevinden. Verder stellen wij dan de vraag, op welke Schriftgedeelten de Jehova’s getuigen het avondmaal in de praktijk hebben afgeschaft? Ook zegt de schrijver:

  • ‘U zult opmerken dat bij elke gelegenheid één of meer van de apostelen van Jezus Christus aanwezig waren. Volgens Handelingen 8:18 werd door middel van de oplegging der handen van de apostelen de geest gegeven. Het is dan ook logisch dat bij de dood van de apostelen het doorgeven van de gaven van de geest, met inbegrip van de gave van tongen, ophield’.

In de Handelingen van de apostelen is uiteraard sprake van het werk van deze dienstknechten van God. Dit wil echter niet zeggen dat bij hun sterven de geestelijke gaven zouden zijn opgehouden. Neen, de duidelijke bedoeling is dat het werk van de apostelen zou worden voortgezet op dezelfde wijze zoals zij dat van Jezus hadden gedaan. Paulus werd door het spreken in talen gezegend, want door de Geest geleid sprak hij geheimenissen uit en wist hij zich verbonden met God (1 Cor.14:2). Men kon zelfs een zegen uitspeken door middel van de nieuwe talen (1 Cor.14:16). Wat voor de apostel goed was, is ook voor ons nuttig. Het ware christendom functioneert in de hemelse gewesten, dus in de onzienlijke wereld. Ons is daar een plaats gegeven (Ef.2:6). Daar wandelen en strijden wij, daar verzamelen wij onze schatten en loven door middel van nieuwe talen onze God. De Jehovah’s getuigen hebben geen inzicht in het Koninkrijk der hemelen. Het evangelie van dat Koninkrijk dat Jezus verkondigde, blijft voor dit materialistische Amerikaanse geloof verborgen. Zouden de geestelijke gaven na de dood van de apostelen zijn verdwenen, dan geldt dit ook voor de gave van wijsheid, van kennis, van geloof en van onderscheiding van geesten, om maar geen andere te noemen. Dan zou de Heer de geestelijke toerusting waardoor wij kunnen opgroeien in de genade en dienstbaar kunnen zijn, weer hebben terug genomen. Dan vervalt men alleen tot de natuurlijke dingen. Wel een armzalig geloof. Jezus sprak, wij citeren de ‘Nieuwe-Wereldvertaling’ van de Jehova ’s getuigen:

  • ‘Voorts zullen deze tekenen hen vergezellen die geloven: Met gebruikmaking van mijn naam zullen zij demonen uitwerpen, zij zullen in talen spreken en met hun handen(??) zullen zij slangen opnemen’ (Marc.16:17).

De gelovigen van álle tijden zullen in talen spreken, zullen demonen uitwerpen. Niet met hun handen zullen zij in de natuurlijke wereld slangen opnemen, want dat staat er niet! In de geestelijke gewesten zullen zij de demonen van de duisternis bestrijden en overwinnen. Het opnemen van slangen is slechts een beeld. Tenslotte komt men met de verdachtmaking dat de mensen die in talen spreken, niet zouden deugen. In Amerika, waarom niet in Nederland?, zou volgens een enquête:

  • ’44% van degenen die in talen spreken, de Bijbel niet als de hoogste autoriteit op religieus gebied bezien. 51% van degenen die nu in talen spreken, praat niet eens eenmaal per week over hun geloof en 58% vindt het niet belangrijk pogingen te doen om anderen voor Christus te winnen.’

Dit laatste oordeel dan over een beweging die een toename kent zoals geen enkele groepering in de christenheid heeft. Zo iets komt in ons land onder de pinksterchristenen die zich juist erg Bijbelgetrouw noemen, wel heel vreemd over. De vraag of het spreken in nieuwe talen ook een ‘occulte, demonische’ oorsprong kan hebben, wordt bevestigd door te wijzen op het levenspatroon van de pinksterchristenen. Zo beweert de Amerikaanse enquête:

  • ‘dat 19% van degenen die nu in talen spreken, seksuele betrekkingen vóór het huwelijk goedkeuren.’

Wij hebben jarenlang tal van Amerikaanse pinksterbladen gelezen, maar zulke beweringen nooit aangetroffen, waarbij wij natuurlijk niet willen zeggen, dat genoemd kwaad niet voorkomt. Dit soort insinuaties kan gelukkig de doorwerking van Gods Geest niet tegenhouden. De talenspreker Paulus zegt echter:

  • ’Wordt mijn navolgers, zoals ook ik Christus navolg’ (1 Cor.11:1).