Herders zonder erbarmen

Tien jaar Jehova Getuige

Josy Doyon is van huis uit rooms-katholiek. Deze Zwitserse kwam, via een betrekking bij protestanten, in de Vrije Evangelische Gemeente terecht. Daar werd zij ook groot gedoopt. In Engeland kreeg zij echter contact met Jehova Getuigen en eer zij het in de gaten had, raakte zij in de strikken van het Wachttorengenootschap verward. Tien jaar lang is Josy een slaaf van Brooklyn geweest. Net als haar lotgenoten moest zij de huizen langs om bladen en boeken te verkopen. Al gauw kwam zij tot de ontdekking hoe onmenselijk dit systeem is. Elke Jehova Getuige moet langs de huizen, want anders haalt hij zijn verplichte aantal uren ‘velddienst’ niet. Zelfs ziekte en zwangerschap ontsloegen Josy Doyon niet van deze kwelling. Er is momenteel geen enkel boek dat de methode van het Wachttorengenootschap zó aan de kaak stelt als ‘Herders zonder erbarmen’, het boek van Josy Doyon. Hier volgen enkele flitsen uit dit onthullende relaas:

Zenuwslopend jagen en jachten

Wij werden in de vergadering geschoold om de mensen door vragen uit hun tent te lokken. Uit hun antwoorden leerden wij hun religieuze instelling kennen en dan was gemakkelijk uit te vissen waar de prooi het gretigst zou bijten. En elke getuige is zeker dat hij door intensieve training op de vergadering tot een succesvolle ‘visser van mensen’ wordt. Al na korte tijd kon ik al zoveel huis-Bijbelstudies op touw zetten, dat ik er zelf bang van werd. Ik wist helemaal niet, waar ik de tijd vandaan moest halen om al deze geïnteresseerde schaapjes te verzorgen. Ik moest immers ook nog voortdurend nieuw terrein bewerken en bovendien was mij een lectuurquotum voorgeschreven. Nooit was ik alle exemplaren van de ‘Wachttoren’ en ‘Ontwaakt’ kwijtgeraakt, als ik alleen nog maar de mensen had opgezocht, die inmiddels welwillend naar me luisterden. Vaak dacht ik nog nauwelijks de tijd te hebben om adem te halen. Een soort paniek greep me steeds vaker aan als ik de bergen werk voor me zag. Haasten, prediken, discussiëren, leren en onderricht geven. Wat een leven!

Spoedig begon het lectuurquotum een nachtmerrie voor me te worden. Als ik ‘s middags van kantoor thuis kwam, was ik al moe van het inspannende hoofdwerk. Bovendien moest ik dan nog snel mijn lectuur inpakken, mijn toespraken doornemen, om aan de deuren niet te blijven steken. Dan moest de keuken nog opgeruimd worden voordat ik weer van huis ging, want moeder moest direct na het eten naar school. En ze mocht niet kunnen zeggen dat ik geen hand uitstak in de huishouding. Bij al dit jagen verging mij natuurlijk alle lust tot eten. Als ik dan ‘s avonds moe en afgemat thuiskwam van de pioniersdienst, was ik meestal zó uitgeput, dat ik niet meer in staat was nog iets voor mezelf te koken. Dikwijls gooide ik mijn tas op een stoel als ik alleen was en liet me languit op bed vallen, om althans een half uur uit te blazen. Daarna moest ik mijn tas weer op orde brengen, de lectuur en de uren rapporteren en alles voorbereiden voor de vergaderingen. Dan opnieuw er op uit, weer of geen weer. Als ik dan laat van de vergadering thuis kwam, kon ik meestal urenlang niet in slaap komen. En sliep ik eindelijk in, dan stond ik in mijn droom voor de huisdeuren en argumenteerde met duizend toepasselijke Bijbelteksten.

In die tijd woog ik nog maar 47 kilo. Mijn moeder stond er op dat ik ‘s avonds voor mezelf zou koken, zodat ik minder tijd had om te prediken. Zij had natuurlijk geen idee hoe moe ik wel was en nog minder wat het Genootschap van mij als pionier eiste. Ik kreeg de lectuur van het Genootschap tegen gereduceerde prijs, want als je honderd uur per maand predikt, heb je bijna evenveel tijdschriften nodig, bovendien veel boeken en brochures. Die zou men zich met een klein salaris nooit hebben kunnen aanschaffen voor de normale prijs. Als tegenprestatie eiste het Genootschap echter ook zonder meer dat je de honderd uur per maand haalde. Natuurlijk zou je aan de deur het punt van vrijwillige bijdragen kunnen en moeten aanroeren, maar dat kon ik meestal met de beste wil van de wereld niet opbrengen. Veel getuigen lieten de lectuur gratis bij de mensen achter, omdat zij zich generen bij het prediken over geld te praten. Het Genootschap is dit om het even, want het krijgt zijn geld voor alle lectuur tot op de laatste cent. Daarvoor moeten de gemeentedienaren zorgen.

Vrome leugens

Men had mij in Londen al duidelijk gemaakt dat het Genootschap geen tegenspraak duldde. Het zag ook niet graag, dat broeders bepaalde dingen zélf bij voorbaat al wilden weten. Men moest geduld hebben. Het Genootschap zou op tijd en plaats de nieuwe waarheden wel bekend maken. Men moest niet op de waarheid vooruit lopen, dat gaf maar wanorde en dat duldde Jehova niet in zijn organisatie. Men moest dus de resultaten van alle berekeningen geloven, ook als men er moeite mee had en er heimelijk steeds weer aan twijfelde. In de vergadering mocht men dergelijke twijfel natuurlijk niet te berde brengen. Daar werd met behulp van demonstraties immers ook getoond, dat een getuige geen levensverzekering moest afsluiten, daar dit, met Armageddon in het vooruitzicht, overbodig en nutteloos was. Ook moest men niet beginnen met spaarbankboekjes voor de kinderen. Die zouden ze immers toch niet meer gebruiken. Een waar getuige moest zijn geld beslist niet naar de bank brengen, maar met dat geld de belangen van het Koninkrijk bevorderen. Dat deed hem loon verwerven in de nieuwe wereld. Er waren dan ook getuigen die hun huizen verkochten, alleen om aan een wereldcongres te kunnen deelnemen. Dát was pas waarachtige waardering voor de waarheid. Dikwijls duizelde het mij bij het horen van zulke indrukwekkende voorbeelden. Ik vond me klein en nietswaardig. Dan schaamde ik mij voor m’n fiasco’s en mijn moeheid, maar nam me voor opnieuw te beginnen.

Voor onze nieuwe kringdienaar moest ik alle gegevens van mijn pioniersdienst meebrengen. Hij begroette mij vriendelijk en zei dat hij blij was dat ik deze wonderbare dienst had aanvaard. Vervolgens keek hij mijn rapport door en prees het feit dat ik het vereiste aantal punten bereikt had. De voorgeschreven hoeveelheid lectuur stond er op, de honderd uren per maand, de nabezoeken bij geïnteresseerden en verscheidene huis-Bijbelstudies. Daarna gaf hij me adviezen hoe ik mijn pioniersdienst nog beter kon volbrengen. ‘Het zou goed zijn als je zo mogelijk nog méér dan honderd uur per maand kon prediken, zodat je in geval van ziekte een reserve aan uren hebt en dan niet onder het quotum blijft. Want het Genootschap heeft graag dat pioniers minstens hun 1200 uren per jaar prediken. Wie dit quotum tijdens een langere periode niet kan bereiken, die kan het Genootschap de lectuur niet meer tegen de gereduceerde prijs verschaffen.

Tijdens hun aanwezigheid ging ik meermalen met de vrouw van de kringdienaar de dienst in. Ze vroeg me onder meer of ik moeite had met het quotum van honderd uur. Ik gaf toe dat het mij dikwijls onzegbaar zwaar viel dat aantal te halen. Voor ik in mijn gebied kwam, was er vaak al een uur of meer voorbij. En dan weer de lange weg terug. Dikwijls was ik zo moe dat ik nauwelijks meer op mijn benen kon staan. ‘Ik zal je nu een raad geven’ zei ze, ‘maar je mag er niet met de verkondigers over spreken. Die mogen het namelijk niet weten. Het is immers zo, dat jij de pioniersdienst je leven lang zult verrichten. Daarom moet jij je krachten steeds zó verdelen, dat je nog vele jaren kunt werken. Daarom is het de pioniers toegestaan, dat ze de tijd die zij onderweg zijn naar hun werkterrein ook meetellen. Maar slechts op voorwaarde, dat ze eerst bij een huis aanbellen vóór ze hun eigen gebied binnen gaan. En ook als ze naar huis keren, moeten zij eerst nog ergens bij een huis een toespraak houden. Op deze wijze mogen ze met een rustig geweten de hele tijd meetellen en zo komen zij gemakkelijk aan hun vereiste aantal uren. We hebben dat in Amerika ook steeds zo gedaan. Als we ‘s morgens uit huis gingen, belden we eerst aan bij een van de huizen in de buurt en hielden daar een korte toespraak. Dan pakten wij de fiets en reden meestal drie uur, tot we in ons gebied aankwamen. We predikten daar een tot twee uur, reden terug en zochten nogmaals een huis in de buurt uit’.

“Telt dat werkelijk mee? vroeg ik twijfelend. ‘Je hebt dan voor zo’n dag wel zes uur gerapporteerd, waarin je niet hebt gepredikt!’ ‘Ja, het is echt in orde’ verklaarde zij, ‘daardoor hebben wij het in de pioniersdienst kunnen uithouden. Anders waren wij allang te gronde gegaan. Maar voor de gewone verkondigers geldt dit niet. Die mogen slechts de uren opschrijven die ze werkelijk aan de deuren hebben gepredikt. Daarom moet je hun ook nooit zeggen dat ik je deze raad heb gegeven; dat moet onder ons pioniers blijven”.

Ik ruik de vrijheid

Josy Doyon trouwde met een Jehova Getuige, maar in de loop der jaren ontdekte zij hoe on-Bijbels en onmenselijk de leer van de Wachttoren was. Zij voelde zich enorm bevrijd toen zij zich innerlijk had losgemaakt van dit systeem. Zij vertelt hierover:

  • “Nauwelijks had de kringdienaar bespeurd dat mijn liefde en achting voor het Wachttorengenootschap begonnen te tanen, of hij kwam op een vroege morgen onverwacht de bergweide op. Ik was die morgen al heel vroeg met onze geit naar boven gegaan. Vervolgens ging ik weer terug naar huis om de kinderen te wekken. De wandeling in de frisse morgenlucht had me goed gedaan en het jubelde in me: Nu hoef je nooit meer aan die verschrikkelijke uren te denken en bang te zijn voor Armageddon. Nu heb je tijd om je huishoudelijke plichten met plezier te doen. In plaats van met angst dat je door zulke ‘nevenwerkzaamheden’ de belangen van het Koninkrijk verwaarloost. Nu mag je weer door de weiden wandelen zonder gewetenswroeging, en genieten van de natuur. Zo jubelde het in mij. En de wereld leek me, ondanks de grijze regen, een paradijs. Tevreden was de geit achter mij aan getippeld en ik had terloops overwogen hoeveel zulke simpele dieren me al geleerd hadden. Als ze op de zonovergoten weiden graasden, in alle rust en tevredenheid, waren zij stomme getuigen van het feit dat de schepping sedert eeuwen en eeuwen haar gang ging.”

Ja, na tien jaar lang te zijn afgebeuld door een dictatoriaal systeem, mocht Josy Doyon eindelijk weer mens zijn. Ze mocht weer genieten van haar kinderen, van de reine berglucht en van alle andere goede dingen die God de mensenkinderen geeft. Wij zijn dankbaar dat zij het relaas van haar tienjarige gevangenschap op schrift heeft gesteld. Iedere christen moet hiervan kennis nemen!