Het vuur van de hel

‘Is er werkelijk vuur in de hel?’

Op de site van één van de vele kerken in dit land kwamen we de vraag tegen: ‘Is er werkelijk vuur in de hel?’ Hoewel wij vroeger veel contact hadden met deze groeperingen, merken we dat wij ongelooflijk uit elkaar zijn gegroeid. Ons denken is in de afgelopen tijd enorm veranderd en zijn blij dat we meer inzicht gekregen hebben in de geestelijke zaken van het Koninkrijk der hemelen. Wie werkelijk leven wil, kijkt niet achterom en blijft ook niet stilstaan bij het oude, maar groeit geestelijk steeds door.

De fundamentalist

De titel ‘Is er werkelijk vuur in de hel?’, laat ons intuïtief weten, dat we hier te maken hebben met de kloof, die het denken van kerkenmensen – door hun fundamentalisme – zich van onze inzichten scheidt. Voor de fundamentalist geldt: letterlijke geloven in de Bijbel en deze concreet in de natuurlijke wereld uitleggen. De fundamentalist meent immers dat men bij het vergeestelijken van Bijbelse voorstellingen, eigenlijk bezig zou zijn deze te ontkennen. Omdat hij geen kennis van de onzienlijke wereld bezit, komt het zuiver geestelijke als onwezenlijk en ongrijpbaar bij hem over. Hem is geleerd om te lezen wat er staat en alles zoveel mogelijk in de natuurlijke wereld te verklaren.

Zo schrijft men in het bewuste artikel onder andere:

  • ‘De hemel is een plaats en dus moet ook de hel een bepaalde plek zijn. Jezus zegt in Johannes 14:2: ‘Ik ga heen om u plaats te bereiden’; we lezen dat daar straten, muren, torens, bomen en vruchten, een rivier, woningen en een troon zal zijn’.

Wanneer God in het begin eerst de hemel en dan de aarde schept, betekent dit, dat de onzienlijke geestenwereld aan de zichtbare, natuurlijke wereld vooraf is gegaan. Daarom is de hemel geen plaats die men op een kosmische kaart kan lokaliseren. Dit is even dwaas als wanneer een biologisch leerboek in een afbeelding van het menselijke lichaam, ergens een plaats zou aanwijzen voor de ziel en de geest. Als opnieuw geboren en Geestvervulde christenen zijn wij nú al met onze inwendige mens in de hemel. Wij belijden dus ook geen ‘eeuwigheidszondag’ voor de overlevenden, zoals de nieuwste hype heet.

‘Eeuwigheidszondag….’

De opnieuw geboren christen IS al overgezet naar het koninkrijk van Gods geliefde Zoon (Col.1:13,14). Er staat immers dat God ons een plaats gegeven hééft in de hemelse gewesten (Efeze 2:6). Daar ‘ter plekke’ hebben wij ons burgerschap, onze wandel, onze strijd, onze overwinning of ook (nog) wel onze nederlaag en verzamelen wij onze schatten. Men stijgt niet op naar de hemel door een aantal sterren en planeten te passeren, of ‘door het Ozongat boven de Zuidpool’ van de aarde te verdwijnen. Ook astronauten op de maan (of katoenplantjes op de achterkant), satellieten op Mars of langs Saturnus zijn niet in de hemel. Deze voorstelling van zaken zijn onzinnig, ook al menen velen dat dit toch in de Bijbel staat zoals bv. de vrouw op de maan (Openb.12:1).

In Johannes 14 spreekt de Heer over het huis van Zijn Vader, een uitdrukking die Hij ook voor de tempel had gebruikt (Joh.2:16). Hij bedoelde niet dat God in een stenen gebouw zou wonen, want ‘de Allerhoogste woont niet in wat men met handen maakt’ (Hand.7:48). Ook woont Hij niet in een sprookjesachtig gouden paleis, zoals men dit met handen zou kunnen maken. Het verblijf dat de Vader Zich tot woning heeft gekozen, is de mens. God is geest en zijn tent of woning is bij de mensen (Openb.21:3). Een ontelbare menigte uit alle volken en uit alle talen zal zijn huis vormen. Dit danken wij aan het feit dat Jezus een (stand)plaats heeft bereid voor onze innerlijke mens in de hemel of onzienlijke wereld. Door de verzoening van onze schuld heeft God ons getrokken uit de macht en uit het domein van de satan hier op aarde en overgezet in het Koninkrijk van zijn geliefde Zoon. Jezus had ook kunnen zeggen: ‘Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een tempel waarin de Vader woont. De levende stenen zijn de gelovigen die vervuld zijn met zijn Heilige Geest. In hen woont God’.

Ook was het aardse Jeruzalem een beeld van het hemelse. Het zuivere goud van de ‘straat’ of liever het (tempel)plein, wijst op de gerechtigheid, de heiligheid en de heerlijkheid van deze stad. De majestueuze muur doelt op een afgesloten plaats en op een voltooid plan. Jezus bouwt eerst de tempel met levende stenen en daarna wordt ook de stad en haar muur vervuld met Geest en leven. Het oude Jeruzalem bevatte geen kerk-’torens’; de torens stonden op de muren als versterking. Er is dan sprake van hoge ‘hoektorens’ (Zef.1:16). Koning Uzzia vervaardigde te Jeruzalem kunstig bedachte oorlogswerktuigen om op de torens en hoeken geplaatst te worden (2 Kron.26:15). In het Nieuwe Testament is sprake van ‘de toren van Siloam, een bouwwerk in de muren van Jeruzalem bij de fontein of het badwater van Siloam’ (Lucas 13:14 en Johannes 9:7).

Het hemelse Jeruzalem

De muur van het hemelse Jeruzalem is zo hoog en sterk dat geen versterkingen nodig zijn. De stad wordt trouwens niet meer bedreigd. Kerktorens van de verschillende christelijke denominaties worden echt niet in deze geestelijke stad gevonden. De Bijbel spreekt wel van de toren van Babel dat hij tot de hemel zou reiken, maar die hoorde dan ook bij een occult volk. Bij bomen, of bij het levensgeboomte, denken wij aan de zonen van God, die gelijkvormig zijn aan de Levensboom, beeld van de Zoon van God. Hun bladeren wijzen op de ontplooiing van de geestelijke gaven, waardoor allen die beschadigd zijn, genezen worden. De troon van God is geen gouden stoel met baldakijn, maar hij is het centrum van zijn macht.

De schrijver concludeert:

  • ‘Dan zal de hel ook een plaats met bepaalde kenmerken moeten zijn. Er zal onder andere een bepaalde temperatuur heersen, want dat is een vaste eigenschap van alle materie. In het heelal heeft iedere steen, iedere aardklomp, ja ook water en lucht een eigen temperatuur. Dan moet het ook daar dus òf heet, òf koud, òf gematigd zijn. Denkt u, dat de temperatuur daar 20 graden zal bedragen of dat er thermostaten zullen zijn om die te regelen? Meent u dat deze plaats ontworpen werd om de bewoners die Christus tijdens hun leven hebben verworpen als hun Verlosser, een vreugdevol bestaan te geven? Zal niet de daar heersende temperatuur in overeenkomst zijn met de bedoeling ervan?’

De fundamentalist ziet de hel als een  grote houtkachel met een enorm hoge temperatuur, zeven maal zo heet gestookt als de verhitte oven van Nebukadnezar. Hij maakt hiermee het beeld tot werkelijkheid. Hij ziet niet in dat het vuur met zijn ontbindende en vernietigende werking bij uitstek een illustratie is van de inwerking van de demonenwereld. Hij weet niet dat er nu al mensen in de hel leven, omdat ze zo zwaar aangevallen worden door boze geesten. Of de pijniging komt van de demonen, die ze zelf aanbidden  (verg. Openb.9:1-12).

Het roomse vagevuur

Wanneer wij het schild van het geloof moeten opheffen om de vurige pijlen van de duivel te doven, zijn die niet in zwavel en pek gedompelde brandende voorwerpen, maar ze stellen een geestelijke zaak voor, een betrokken zijn in de strijd in de hemelse gewesten, die zeer concreet is. Jezus sprak over de hel als van een vurige oven waar het geween en het tandengeknars is. Het onuitblusbare vuur wordt gevormd door een concentratie van demonen, in wier klimaat alles ontbonden en wetteloos gemaakt wordt. Om in dit verband te spreken over Celsius of Fahrenheit is even simpel als om bij de engelen een koortsthermometer aan te leggen.

Het (dichtgeschroeide) geweten en de gevolgen

Wanneer de mens heel bewust het kwaad – de satan met zijn demonen – aanbidt en met deze is vergroeid, heeft hij het door God ingeschapen geweten dichtgeschroeid. Hij (of zij) heeft dan de duisternis liever dan het licht en bij het eindoordeel zullen demonen én hun aanbiddende mens, samen overgegeven worden aan een eeuwige destructie en liquidatie. Iedere eigenschap die nog enigszins herinnert aan verhevenheid en kracht, worden dan door eigen zelfdestructie vernietigd. Hun worm alleen blijft over, dat is het verschrompelde, het naakte, het ontledigde, het restant van wat eenmaal zijn wezen was. ‘De worm die niet sterft’ is beeld van de ontluistering van de menselijke en de demonische geest, waarvan geen enkele grootheid of aanzien overblijft (Jesaja 5:20; Matth.12:31,32; 1 Cor.10:20,21; 1 Timotheüs 4:2; 1 Johannes 5:16,17; Openbaring 13;1, 13,14, 20:14,15).

De schrijver heeft geen inzicht in het onderscheid tussen de onzichtbare, onstoffelijke wereld van de geesten en de zintuiglijk waarneembare, natuurlijke, stoffelijke schepping. De eerste is niet aan plaats en tijd gebonden en wij kunnen ons daarvan alleen een voorstelling vormen aan de hand van beelden en gelijkenissen die ontleend zijn aan de materiële schepping. Deze beelden zijn niet de werkelijkheid, maar een hulpmiddel om iets van de geestelijke wereld te verstaan. God heeft de mens het vermogen geschonken om achter de gelijkenis of de schaduw de geestelijke realiteit te herkennen. Jezus verkondigde het Koninkrijk der hemelen niet als een plaats maar als een toestand.

Is het Koninkrijk van God een ‘plek’? Nee, want het kan in ons zijn. Is de hades of het dodenrijk een plaats? Nee, want velen zijn tijdens hun biologisch leven op aarde al in de dood (Efeze 2:1). Ook de (nog komende) vuurpoel is een toestand die de satan met zijn demonen – en mensen die hem aanbidden – zelf gestalte zullen geven en creëren. De eersten die daar zelf ‘vorm’ aan geven zijn de antichrist en zijn inwonende koning van de afgrond, Apollyon (Openbaring 19:20). Onze enkel goede God schept immers geen kwaad, geen hel en zeker geen vuurpoel. Tussen de hades en de hel wordt door de schrijver zelfs geen onderscheid gemaakt.

Hij schrijft:

  • ‘In Lucas 16:28 verhief de arme, rijke man zijn stem vanuit de hel en bad of er iemand zijn vijf broers mocht waarschuwen, ‘opdat ook zij niet in deze plaats van de pijniging zouden komen’. Jezus wilde heel beslist dat zijn toehoorders in een werkelijk bestaande hel zouden geloven en dat de rijke man daar al was, hoewel zijn lichaam nog wachtte op de dag van de opstanding. Zelfs vóór hun lichamelijke opstanding zijn de verlorenen in die niet denkbeeldige, maar reëel aanwezige plaats’.

Er wordt in de Bijbel verschil gemaakt tussen het dodenrijk en de vuurpoel. Bij het eindoordeel worden Dood hemzelf, zijn dodenrijk (de gevallen engelen, serafs, de gevangenisbewaarders) in de vuurpoel geworpen. Het dodenrijk is bestemd voor de mens die zondigde. Gevallen engelen, de demonen, komen daar alleen in, wanneer zij met de mens verbonden zijn en deze hen bij het sterven niet wil loslaten. Ook kunnen zij bij de bevrijding van een gebondene als straf naar het dodenrijk of de gevangenis worden verwezen. De vuurpoel is voor de duivel en zijn engelen bereid en de mens komt daar alleen in, als hij de boze geesten vasthoudt en aanbidt. Vuur zoals wij dit kennen, heeft materie nodig om te blijven branden. De eigenschap van vuur is namelijk, dat de stof omgezet wordt in licht, warmte of eventueel hitte. Omdat de geestelijke wereld onstoffelijk is, kan er ook geen aards vuur branden.

Wij beantwoorden daarom de vraag: ‘Is er werkelijk vuur in de hel?’ met een duidelijk: nee! Wanneer in de hemelse gewesten sprake is van vuur, wordt daarmee de aantastende en ontbindende werking van de demonen met hun pijn en smart verwekkende beschadigingen, vergeleken. Dan verstaan wij ook dat geen natuurlijk lichaam opstaat, maar een geestelijk, het zogenaamde toekomstige, verheerlijkt lichaam. Dit kan zich wel stoffelijk manifesteren, maar is niet aan de stof gebonden. Niet ons vleselijk lichaam staat op, maar heel duidelijk schrijft de apostel, dat een geestelijk lichaam wordt opgewekt (1 Cor.15:37-44). Dan staat ook een geestelijk lichaam op. Wanneer men leest wat er staat en dit alleen verklaart in de natuurlijke wereld, dus wanneer men alleen vasthoudt aan materiële werkelijkheden, ook al spreekt men dan heel rechtzinnig over hemel en hel, geldt het woord van Paulus in 1 Corinthiërs 2:14: ‘Maar een ongeestelijk mens aanvaardt niet wat van de Geest van God is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is’.

De schrijver stelt nog de vraag:

  • ‘Is er werkelijk letterlijk ‘vuur’ in de hel? Zullen verloren zondaars in deze plaats door de lichamelijke pijn van verbranding gepijnigd worden? Het antwoord luidt: De Bijbel leert ons herhaaldelijk van het begin tot het einde, dat de hel een vuur is. De modernisten leren dat er geen hel is en veel Bijbelgetrouwe christenen beweren dat de plaatsen waar in de Bijbel over dit onderwerp wordt gesproken, figuurlijk moeten worden opgevat’.

De schrijver vergist zich. Tegenover een natuurlijk vuur staat geen figuurlijk vuur, maar een gééstelijk. Het natuurlijke vuur is slechts een beeld om zich het geestelijke, reële vuur voor te kunnen stellen. Wanneer ik spreek over een vurig paard, over een vuurvreter, over vurig van geest, wordt ‘vuur’ figuurlijk gebruikt. Wanneer onze Heer spreekt over een doop in vuur, is dit geen synoniem voor temperamentvol of van vechtlustig of van krachtig, maar dan gebruikt Hij dit woord letterlijk voor een hogere dimensie, net als wanneer bijvoorbeeld sprake is van het ‘Koninkrijk’ van God.

Het figuurlijke gebruik van het woord ‘vuur’ zou volgens de schrijver tot gevolg hebben:

  • ‘Dat het christendom de vrees voor de hel heeft verloren en daarmee ook de diepe drang om zielen te mogen redden’ … ‘Ik smeek u allen die dit leest, verteert u in de hartstocht mensen voor de hel te mogen bewaren!’

Ik merk op dat wij de mensen tot Christus mogen leiden door zijn heerlijkheid en macht te prediken en niet door hen angst aan te jagen (2 Petrus 1:3,4). Wij moeten het dreigen nalaten, zegt de Schrift. De zware richtingen en Rome brengen over het algemeen zeer weinig mensen tot reddingszekerheid, ook al prediken zij hel en verdoemenis. Verder wil de Heer dat het ons wèl gaat en wij gezond zullen zijn, zoals het onze ziel wèl gaat. Wij hoeven ons niet te laten verteren om anderen te bewegen de Heer te dienen. Ook niet ons door onze zinnelijke driften of hartstochten te laten meeslepen om de Heer te dienen. Wij willen getuigen zijn van onze Heer en buitenstaanders proberen te overtuigen van de waarheid van het evangelie van genade, dat reddingbrengend verschenen is aan alle mensen.