Het geheimenis van Christus

Schaduw

Door de zondeval kon Gods plan niet doorgaan. God gaf echter zijn plan niet op en ook de mens niet. Hij zocht naar ‘vrienden’ die Hem geloofden (Jac.2:23). Aan de een (bv. Abraham, David) gaf Hij beloften; aan anderen (bv. Mozes, Nehemia) bijzondere opdrachten voor hun tijd en omstandigheden. Door de profeten bleef Hij spreken over allerlei actuele zaken, waar zij in hun situatie mee te maken hadden in hun dienst aan Israël. Veel van deze woorden en daden hadden echter als doel om meer te leren dan alleen de tijdelijke, uiterlijke en natuurlijke betekenis en invulling ervan. Bijna geheel Israël bleef namelijk alleen in dit laatste steken. Zij hadden alleen oog voor de schaduwen, niet voor de werkelijkheid. Zij hadden oren die niet meer konden horen en ogen die niet meer konden zien waar het eigenlijk bij God om ging (Jes.6:9-10; Matth.13:13-15).

Dat eigenlijke was wèl aanwezig in Gods woord. Zo bracht Hij door het werk van zijn knechten zijn eeuwig voornemen stukje bij beetje naar buiten: een mensheid, samengevat onder de Christus, waarin God alles in allen zal zijn (Ef.1:10; 1 Cor.15:28b). Wanneer Hij Zich ook maar uitte, was dàt voornemen er altijd in vervat. Met de uitgesproken Logos (Gods Woord), bedoelde Hij twee dingen tegelijk. Er was een ‘tweede sprake’ in verborgen. Terwijl Gods woorden hun uitwerking hadden voor de tijd en de situatie waarin ze gesproken werden (bv. uittocht, tabernakel wet, beloofde land enz., enz.), lag er echter steeds de tweede, eigenlijke bedoeling in opgesloten: het geheimenis van Christus (Col.2:20). Daar doelt ook Paulus op als hij schrijft: ‘Alle dingen zijn door Hem (niet Jezus, maar het Woord, Gods Logos) geschapen’ (Col.1:16b).

Gods woord is vol met die tweede betekenis. De profeten, die Gods gedachten mochten verwoorden en doorgeven, hebben daarnaar onderzoek gedaan (1 Petr.1:10-12), want daar gaat het immers om. Alleen met de sleutels van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen – waarbij ook de doop in Heilige Geest hoort – is opening van verstand en woord mogelijk, zodat die tweede betekenis gehoord en gezien wordt. Als er één is die deze tweede sprake begreep en in zijn schrijven deze zelf ook hanteerde, dan is dat Paulus wel. Voor zijn lezers is dit niet gemakkelijk. Zelfs Petrus weet daarvan mee te praten, zoals hij in 2 Petrus 3:15,16 aangeeft. Paulus noemt het geheimenis van God kortweg ‘Christus’ (Col.2:2b). Daarin vat hij alles samen wat God met de mensheid wil bereiken.

Met ons huidig taalgebruik zouden we kunnen stellen dat God een ‘concept’, een ontwerp heeft gemaakt waarin zijn eeuwig voornemen tot uitdrukking komt. In de eerste twee hoofdstukken van de Efezebrief schrijft Paulus daar in het kort over (Ef.3:3). Dat plan is alleen te realiseren onder leiding van de Christus (Ef.1:10). Daarom noemt hij het kortweg ‘Christus’. De apostel ziet dat concept steeds weer als die tweede betekenis opduiken in het Oude Testament. Naast 2 Corinthiërs 4:6 is ook 1 Corinthiërs 10:4b te noemen: ‘zij dronken uit de geestelijke rots die met hen meeging en die rots was de Christus.’ De uitdrukking ‘geestelijke rots’ wijst erop dat het hier gaat over beeldspraak en niet over de aanwezigheid van de mèns Jezus Christus.

Petrus schrijft dat de profeten door de Geest van Christus werden geïnspireerd (1 Petr.1:11). Met andere woorden: hoewel God tot hen sprak door middel van zijn Heilige Geest over allerlei zaken die in hun tijd actueel waren, doelde Hij steeds weer op ‘het grote concept’, zijn plan. Hij sprak als het ware in overdrachtelijke zin. Op dezelfde manier verwoordt Paulus in Colossenzen 1:15-17 de door alles heen werkende Christusgedachte in Gods handelen. Hij had de schepping zo geconstrueerd dat de Christus voor het uitoefenen van zijn verheven taak gebruik kon maken van het ordenende stelsel in vers 16b genoemd. ‘Alles is tot Hem geschapen’ (vers 16c).

Naam en functies

Voor de ontwikkeling van de juiste kennis over Jezus Christus en over de uitdrukkingswijze van de Bijbelschrijvers is het dus noodzakelijk het bovenstaande goed te onthouden. Daarbij is het vervolgens van groot belang te begrijpen dat er verschil is tussen de mens Jezus, Gods Zoon en het begrip ‘de Christus’. De naam Jezus duidt op de persoon, de naam Christus op een functie. Het is namelijk zo dat oorspronkelijk het ‘Christusconcept’ bij God aanwezig was in Zijn Logos. Zou er geen kink in de kabel gekomen zijn door het ontstaan van het rijk van de duisternis en de zondeval van de mens, dan zou Gods plan zich van begin af aan ontwikkeld kunnen hebben in en met een volmaakte mensheid onder leiding van de Christus: Adam, de zoon van God (Luc.3:38). Er zou geen Lam van God nodig zijn geweest en alles wat daar uit voortvloeit. Nu het echter anders is gelopen, heeft de enkel goede God in zijn grote wijsheid alsnog de oplossing uit zijn goede schepping naar voren weten te brengen, zodat zijn voornemen voortgang kon vinden: de mens Jezus van Nazareth, de Zoon van God. In Hem vallen nu twee taken samen:

  1. De oorspronkelijke Christusfunctie. Vanwege deze laatstgenoemde taak mag de Heer terecht (de laatste) Adam genoemd worden (1 Cor.15:45).
  2. Het Lam van God zijn om de zonden van de wereld weg te dragen. Daaruit voortvloeiend verlosser en hersteller van de gevallen schepping.

Terecht zegt Petrus in zijn pinkstertoespraak: ‘Dus moet ook het hele huis van Israël zeker weten, dat God Hem èn tot Heer èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus die u gekruisigd hebt’ (Hand.2:36).

Christusconcept

Het Christusconcept was bij God in zijn Logos (Woord). De Christuspersoon was een door God geliefde mens die leiding zou gaan geven aan zijn schepping. ‘U hebt Mij liefgehad vóór de grondvesting van de wereld’ (Joh.17:24b). Hij zou de eerste zijn onder allen en alles. Hij was het begin. ‘Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem’ (Col.1:17). Dit zou werkelijkheid worden, zodra deze Leider van de mensheid er invulling aan zou gaan geven. ‘Hij was tevoren gekend, vóór de grondvesting van de wereld’ (1 Petr.1:20a). Hij bestond nog niet, maar was door en bij God al gekend. Johannes de Doper zegt daarom:

  • ‘Na mij komt een man die vóór mij geweest is, want Hij was er eerder dan ik’ (Joh.1:15,30).

In zijn gedachten had God de Christus heerlijkheid toegedacht. Dat was voor zijn belangrijke en veelomvattende taak ook noodzakelijk. Deze heerlijkheid hield onder meer in grote wijsheid, volheid van Heilige Geest, macht en gezag in twee werelden, kennis van zaken over Gods plan, de gezindheid van God. Deelhebbend aan de goddelijke natuur zou hij als volmaakte mens van God, bij machte zijn de schepping voor te bereiden op haar volheid in God (Ef.1:10). Jezus had tijdens zijn aanwezigheid op aarde veel van die heerlijkheid ontvangen en er mee gewerkt (Joh.17:22a). Toch was er nog meer heerlijkheid voor Hem, als Christus, bereid. Dat wist Hij door openbaring. Hij kende de inhoud van de Logos die op Hem betrekking had (Luc.24:27). Zijn gebed was voor zijn heengaan dan ook:

  • ‘En nu, verheerlijk U Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, voordat de wereld er was’.

Jezus beweert hier niet dat Hij vóór de schepping van de wereld al bestond, maar dat zijn heerlijkheid al vaststond in Gods voornemen. En die vroeg Hij op. Daar had Hij, vanuit God bezien, recht op. Zo wilde de Vader het. De vervulling liet niet lang op zich wachten. Na de hemelvaart heeft Jezus Zich gezet aan de rechterhand van God (Marc.16:19). Adam is door zijn zondeval niet aan heerlijkheid toegekomen. Er volgden voor de mensheid tijden van onwetendheid en vervreemding van het leven van God. ‘Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God’ (Rom.3:23). Toen kwam de mens Jezus, de eniggeboren Zoon van God. Tijdens zijn opgroeien en vorming ontwikkelde bij Hem geleidelijk aan de bewustwording dat de Vader Hem als Adam (1 Cor.15:45b), als Christus (Matth.16:16), als de eerstgeborene van de hele schepping (Col.1:15b) verkozen had. En Hij bood zichzelf aan als verzoening voor de zonden van de hele wereld. Hierdoor is Jezus de eerste èn de laatste; voor eeuwig.

Het nieuwe, de nieuwe schepping, dat in en door Jezus mogelijk werd voor alle mensen, is het eigenlijke en oorspronkelijke dat God met de mens voor had. Vanuit deze benadering dus niet nieuw. Maar doordat zijn plan destijds, door de zondeval, geen doorgang vond, niet tot verwerkelijking kwam, is het in en door Jezus pas de eerste (en enige) keer dat God tot zijn doel komt. Vandaar dat Jezus terecht door Paulus de ‘eerstgeborene’ van de hele schepping wordt genoemd. Hij is het begin! Jezus wist dit. Als de Joden Hem aanvallen en zich ter eigen verdediging beroepen op Abraham als hun oorsprong, spreekt de Heer die ware en sterke woorden uit:

  • ‘Eer Abraham was, ben Ik’ (vers 58).

Niet Abraham is het begin, het fundament, maar Jezus. In Hém alleen is de weg, de waarheid en het leven van God te vinden. Hij alleen is de enige oorsprong voor alle mensen geworden. Wie alsnog z’n plaats in Gods plan wil innemen en beantwoorden wil aan zijn bedoelingen, zal tot Jezus moeten gaan (1 Petr.2:4). In de Christus is de wijsheid van God vlees geworden. En deze wijsheid was van eeuwigheid in en bij God. Het ‘ben’ Ik, en niet ‘was’ Ik, duidt er al op dat de Heer niet over een voorbestaan van zichzelf spreekt, maar over het feit dat Hij het eeuwige fundament is en blijft. Dat zal altijd tegenwoordige tijd zijn. Dit blijft gelden; het is onvervangbaar, onuitwisbaar en onwankelbaar.

Ook wij

Voor iedereen die Hem aanvaardt en gelooft, wordt Hij tot oorsprong, bron en begin. Alle dingen die God vanaf het begin voor de mens bedoelde, zijn in zijn Christus gepland, klaargelegd, aanwezig en bereikbaar gemaakt:

  • ‘in Hem zijn alle dingen geschapen’ (Col.1:16a).

Daar hoort ook onze heerlijkheid bij, zoals 1 Corinthiërs 2:7 zegt: ‘de verborgen wijsheid van God die Hij al van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid!’ Vóór de grondvesting van de wereld zijn ook wij in Hem uitverkoren en ertoe bestemd om als zonen van God aangenomen te worden (Ef.1:4,5). Bij zijn afscheid zegt Jezus in het Hogepriesterlijk gebed tegen zijn Vader dat Hij die heerlijkheid aan zijn volgelingen heeft gegeven (Joh.17:22b). De gelovigen mogen immers delen in allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus (Ef.1:3). De in zonde gevallen mens kan echter geen deel krijgen aan de zegeningen van de Christus als hij niet eerst wordt vrijgekocht uit de macht van Satan en Dood (Hand.26:18). Om dit mogelijk te maken was het nodig dat er een Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt, zou komen (Joh.1:29). Een verlosser die ook de beschadigde mens zou herstellen. Deze extra toegevoegde redding- en verlossingsdaad kon alleen volbracht worden door een onberispelijk mens. Dit geldt overigens ook voor de Christustaak. Alleen een volmaakte, geestelijk volwassen mens van God is in staat om beide taken op de juiste manier naar Gods wil ten uitvoer te brengen. De enige mens die daarvoor in aanmerking komt, is Jezus van Nazareth, de Zoon van God. In Hem komen beide functies bij elkaar: het Lam van God èn de Christus. Dat doet Hem de naam Jezus Christus dragen.

Het was zeer goed

God heeft de schepping zeer goed gemaakt. Dat kon ook niet anders door een enkel goede God. Kennis vooraf over een naderende engelen– en mensenval bestond niet. Dus hield God ook niet van tevoren een lam achter de hand door wie Hij de geleden nood zou kunnen lenigen. Openbaring 13:8b leert ons dat nadrukkelijk: ‘Het Lam dat geslacht IS sinds de grondvesting van de wereld.’ Voor grondvesting staat in de grondtekst ‘neerwerping, catastrofe’. Pas toen het fout ging in het paradijs, wist God in zijn oneindig grote wijsheid en liefde meteen ook de oplossing. Sinds, vanaf dàt moment en niet van tevoren. Als in 1 Petrus 1:19,20 geschreven wordt over Christus èn het Lam, slaat de aanhef van vers 20: Hij was van tevoren gekend, dus op Christus en niet op het Lam. Dit laatste woord is trouwens onzijdig: Het, maar er staat Hij, dat is de Christus. In 2 Timotheüs 1:9b schrijft Paulus over de genade die ons in Christus Jezus gegeven is. En dat voor altijd, voor eeuwig. Vers 10 begint in de grondtekst niet met ‘maar’. Je mag ‘daar’ en lezen of het voegwoord helemaal weglaten, omdat het Grieks dit niet vermeldt. De lange zin van de apostel vanaf vers 8 t/m vers 10 spreekt dus niet over een al van tevoren door God ingeplande genade, omdat zijn schepping toch wel zou gaan vallen.

Tenslotte, wat die schepping betreft, is Genesis 1:26: ‘Laat ons mensen maken,’ geen aanduiding voor betrokkenheid van Jezus bij het scheppen. Trouwens, het gaat hier niet om het ontstaan van de hele schepping, maar slechts om het maken van mensen. Dit woord betekent: zinnebeeldige voorstelling. Een voorbeeld ervan uit ons eigen taalgebruik is ‘vrouwe Justitia’. Hiermee duiden we de rechterlijke macht aan. In de Bijbel komt ook beeldspraak voor. In verband met ons onderwerp wijzen we op Spreuken 8, een lofzang op de wijsheid. Deze wordt als een persoon beschreven; een schrijfwijze die veel misverstanden oproept, zodat men vaak daar uit opmaakt dat Jezus al in de box bij zijn Vader in de hemel speelde vóór Hij als parachutist op aarde werd neergelaten!

In hoofdstuk 9 wordt over de dwaasheid gesproken en ook als persoon voorgesteld: vrouwe Dwaasheid (vers 13). Beide worden zij vrouwen genoemd. Aangezien Spreuken 9:22,23 spreekt over ‘van eeuwigheid aan ben ik geformeerd’ en Jezus de wijsheid van God genoemd wordt (1 Cor.1:24), meent de Pre-existentie-’leer’ hier een bewijs gevonden te hebben dat de mens Jezus van eeuwigheid al bestond. Wie echter de allegorie verstaat, zal zich door een dergelijk theologische schriftbehandeling niet op het verkeerde been laten zetten.

Wanneer ontstaan?

Gelukkig is de Bijbel duidelijk in haar informatie over ‘wanneer’ de Heer dan is ontstaan. Psalm 22:11 zegt:

  • ‘Aan U werd ik overgegeven bij mijn geboorte, van de moederschoot af bent U mijn God.’ Toen pas, dus niet eerder! Als de profeet Jesaja zijn tweede profetie over de knecht van de Heer uitspreekt, zegt hij: ‘De Heer heeft mij geroepen van moeders lijf aan, vanaf de schoot van mijn moeder heeft Hij mijn naam vermeld. De Heer die mij van de moederschoot aan vormde tot zijn knecht’ (Jes.49:1b,5a). Weer begint Jezus’ bestaan bij de moederschoot. In het Nieuwe Testament wordt driemaal Psalm 2:7 geciteerd: ‘Mijn Zoon bent U, Ik heb u heden verwekt’ (ook Hand.13:33, Hebr.1:5, Hebr.5:5).

En ‘heden’ is niet van eeuwigheid. Ook in Micha 5:1 wordt niet geduid op een van eeuwigheid af bestaan van Jezus. De juiste Schriftplaats om te weten wanneer onze Heer als wezen ontstond is Lucas 1:26-38. In de kerstnacht vond dit zijn voltooiing (Luc.2:6,7). Als men de Bijbel leest zonder verlichting door Gods Heilige Geest en zonder de sleutels van het Koninkrijk der hemelen, is men aangewezen op wat de ‘letter’ zegt. In dit verband wijzen we op de uitdrukkingswijze die in de Bijbel gebruikt wordt om aan te duiden dat Jezus, waarin de Christus en het Lam verenigd zijn, door Gód is bedacht, gewild, gerealiseerd en bevestigd. De verwoording hiervan is: ‘van de hemel neergedaald, gezonden, van God uitgegaan.’ Als men deze drie termen naar de letter leest, volgt als verklaring dat Jezus door God uit de hemel ‘verzonden’ zou zijn. Conclusie: Gods Zoon was dus al aanwezig in de hemel vóór zijn komst op aarde. Zijn Pre-existentie acht men hier dan mee bewezen.

Geen ruimtevaart

Het ‘Ik ben van de hemel neergedaald’ (Joh.3:13, 6:38) is geen verslag van een ruimtevaart. Allereerst is de hemel de geestelijke wereld en niet het heelal. Je kunt niet vanuit de hemel neerdalen op aarde. Dit kan alleen vanuit de lucht of het heelal, de stoffelijke wereld, zoals bv. een vliegtuig doet. Ten tweede kan een volwassen geestelijk wezen zich nooit meer terug ontwikkelen tot een embryo in een baarmoeder. Als Jezus de tweede persoon van de eeuwige godheid zou zijn en ook bij de Vader van eeuwigheid af aanwezig was, is het een onmogelijkheid dat Hij Zichzelf verliest en tot een zaadcel wordt gereduceerd.

Men haalt bij deze redenering graag Filippenzen 2:6,7 aan. Van deze dwaling uitgaande neemt men ook nog een aspect van de reïncarnatie mee door te beweren dat Jezus zich zijn hemelse heerlijkheid op aarde herinnerde. Dit naar aanleiding van teksten als Johannes 17:5. Bij de maagdelijke bevruchting van Maria begon het reële bestaan van de mens Jezus Christus, de Zoon van God. Voordien was Hij als gedachte in God en sprak God in zijn Woord over Hem. Door openbaring ontdekte de opgroeiende Jezus daarin meer en meer zijn specifieke positie en opdrachten (Luc.2:52). Door volledige gehoorzaamheid ging Hij daarop in (Jes.50:5). Al doende ontwikkelde Hij een gedachtewereld waardoor Hij zich bewust werd van de heerlijkheid die de Vader voor Hem had bereid. Daar getuigde Hij van en leefde Hij uit.

Beeldspraak

Het is vooral de Heer zelf geweest die de onzienlijke werkelijkheden van het Koninkrijk der hemelen met allerlei beeldspraak en gelijkenissen probeerde verduidelijken. Alleen de volwassen geestelijke mens kan rechtstreeks over die dingen denken en praten (Joh.16:29-31). Het is van groot belang om beeldspraak niet naar de letter uit te leggen, maar naar de geest. Zo gaan we toch ook om met de gelijkenissen en met het laatste Bijbelboek. Dit dient consequent gehanteerd te worden voor alle vormen van beeldspraak, ook als het slechts om één woord of term gaat. Zo wordt er bijvoorbeeld de veel voorkomende fout gemaakt dat m.b.t. de geestelijke wereld en werkelijkheden gedacht wordt in aardse begrippen van plaats en tijd. Alsof de hemel toch een verlengstuk van de aarde is, of opgebouwd is en functioneert als de zienlijke wereld. Bij het vasthouden van zo’n denk- en spreekwijze vervalt men iedere keer weer in een voorstelling van zaken over de onzienlijke wereld zoals die van toepassing is op aarde. Dit is onjuist en gevaarlijk. Daarom doet men er beter aan om te leren spreken in termen als: situatie, positie, functie, hoedanigheid, e.d. In Johannes 8:23 zegt Jezus:

  • ‘U bent van beneden, Ik ben van boven; U bent van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld.’

Johannes de Doper was de eerste die daar al iets van begrepen had. Hij getuigde van de Heer dat ‘Die van boven komt, boven allen is’ (Joh.3:31,32). De beeldspraak ‘van boven en van beneden zijn’ bedoelt duidelijk te maken dat in de huidige situatie van de schepping in de mensheid twee vormen van bestaan en leven (existeren) voorkomen. Er zijn mensen die door Jezus Christus in God zijn en (proberen te) leven als Christus door het deel hebben aan de goddelijke natuur. Anderen staan nog buiten de Christus en hebben een leefwijze van deze onbekeerde wereld die in het kwaad ligt (1 Joh.5:19b). Van beneden of van de aarde zijn, is beeldspraak voor de in slavernij levende mens. De loop van de wereld is immers overeenkomstig de overste van de macht in de lucht, Satan (Ef.2:2). Uit zulke mensen komt voor Gods plan en Koninkrijk niets goeds voort. Dezen kunnen wat van boven is niet vatten, ook de gelovige jood niet (1 Cor.14; 2 Cor.3:15,16). De geestelijke mens van God (van boven) is meerder in positie, mogelijkheden en statuur dan de natuurlijke, ongeestelijke mens (van beneden). De hemelse mens openbaart in deze wereld door zijn wandel in de Geest het wezen van God. Hij leeft vanuit zijn (onzienlijke) relatie met Hem en wandelt in de hemelse gewesten:

  • ‘En niemand is opgevaren in de hemel, dan Die uit de hemel neergekomen IS, namelijk de Zoon Mensenzoon, die in de hemel IS’ (Joh.3:13 St. Vert.).

Vanuit die geestelijke situatie wordt zijn functioneren op aarde bepaald, of in beeldspraak uitgedrukt: ‘Die uit de hemel komt, is boven allen’ (Joh.3:32). Alles wat de Heer wist, ontving, bezat, kon en moest vervullen, was Hem door de Vader geopenbaard en geleerd (Joh.5:19). Het kwam ‘uit de hemel’, vanuit de onzienlijke wereld. Al die heerlijkheid was echter niet alleen voor Hemzelf, maar ook voor allen die Hem geloofden en volgden (Joh.17:22). Zowel zijn leer en voorbeeld als zijn verzoenend werk is voedsel voor de gevallen mens om weer tot leven te komen. Het is levensbrood, brood dat uit de hemel neergedaald is (Joh.6:32,33). De Joden die dit niet begrepen en in termen van Pre-existentie gingen denken, reageerden met: ‘Z’n vader en moeder kennen we, hoe kan Hij dan zeggen dat-ie uit de hemel nedergedaald is? (Joh.6:41,42). Jezus’ antwoord luidde: ‘Mort niet onder elkaar’ (vers 43). En hoewel Hij in beeldspraak blijft spreken, wijst Hij hen meteen naar de uiteindelijke bedoeling van zijn woorden: ‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven’ (Joh.6:54a). Wie dus op zijn evangelie inging, zou daardoor het leven van de Christus in zich kunnen ontwikkelen en tenslotte mogen openbaren (2 Thess.1:10, 2:14). Deze wonderbare genade en mogelijkheid heeft Hij van de Vader gehoord en aan ons doorgegeven: van de hemel neergedaald. Alles immers wat van en uit God komt is ‘hoger’ dan wat mensen bedenken:

  • ‘Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten’ (Jes.55:8,9).

Het geestelijke, goddelijke en eeuwige is van een hogere orde dan het stoffelijke, natuurlijke en tijdelijke. Als God het in zijn grote liefde de mensen openbaart en aanbiedt, dan daalt het als het ware van boven neer, vanuit de hemel, op aarde. Binnen de beeldspraak van ‘boven en beneden, hoger en lager’, passen woorden als: neerdalen, opvaren, komen van, gaan tot. Wie echter het beeld en niet de betekenis ervan, voor werkelijkheid houdt, vervalt in de meest dwaze voorstellingen en dogma’s.

Van God uitgegaan

Diverse keren zegt Jezus over zichzelf dat Hij van God is uitgegaan (Joh.8:42a, Joh.17:8b). Hieronder wordt verstaan dat Hij door God is bedacht, verwekt, aangesteld en geleid. God zelf immers ontwierp als Schepper het christusconcept en later het Lam. Dit alles had zijn plaats in Zijn Logos. Door erover te spreken bracht Hij in het Woord dit geheimenis naar buiten. Door zijn Geest realiseerde Hij het, te beginnen bij de bevruchting van Maria. Zo ging in vervulling wat de profeet sprak:

  • ‘Zo zal mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, zijn; het zal niet leeg tot Mij weerkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend’ (Jes.55:11).

In Gods Woord aanwezig zijnde (via de engel Gabriel, Luc.1:26-38) als gedachte en wil m.b.t. de creatie van een eigen Zoon, ging Jezus van de Vader uit. In figuurlijke zin gesproken daalde Hij op die manier neer. Dus niet een weggaan uit de omgeving van God naar de aarde als een al in de hemel bestaand wezen. De uitspraak van Paulus in Efeze 4:9: ‘Hij is ook neergedaald naar de lagere, aardse gewesten,’ heeft met het bovenstaande niets te maken. Met de lagere, aardse gewesten wordt het dodenrijk bedoeld, waar de Heer tussen zijn sterven en opstanding verbleef (1 Petr.3:18-20). De Canisius vertaling heeft hier staan: ‘de onderste delen der aarde.’ In Ezechiël 26:20 en 31:14 (St. Vert.) vinden wij ook dergelijke beschrijvingen.