HEERE, HERE, Heer

Een bejaarde lezer uit Leiden die soms nog wat losse tekstjes uit de Psalmen post op Twitter, had een vraag over een artikel waarin geschreven wordt over Baäl, de heer van de Feniciërs:

‘Er is één ding in het evangelie dat ik niet kan begrijpen. Allen – ook de jongeren – verlagen onze God en hemelse Vader tot een aardse en menselijke ‘baäl’ of Heer. Nu staat er in een artikel: ’Iedere stad had zijn eigen Baäl. Baäl betekent heer of bezitter, een gewone naam voor god bij de Feniciërs.’ Tijdens mijn studie werd mij hetzelfde geleerd, maar met deze vermaning erbij, dat wij onze God en hemelse Vader nooit mogen verlagen met deze Godonterende naam van Heer, al schrijven wij die met een hoofdletter, want Hij is niet alleen het begin maar ook het einde. Daarom moeten wij in woord en geschrift onze hemelse Vader boven de aardse baäl stellen van de wereldse afgodendienaars en Hem noemen: ‘HEERE’, of zoals nu de nieuwe spellingen hebben: ‘HERE’.

Het is opmerkelijk dat in Leiden het woord Heer heel weinig of totaal onbekend is. Altijd heb ik op de kansel, in mijn gezin, of waar ook, met eerbied het woord ‘Here’ gebruikt. Dit brengt nu met zich mee dat ieder van mijn zaad, nazaat of vrienden die dit bewuste artikel hebben gelezen, nu voor een tweede keer bedanken voor de boodschap: alleen om het woord ‘Heer’. U ziet hoe listig satan is, dat hij nu dit gebruikt om hen weg te houden van het evangelie.

Ik heb drie dochters die getrouwd zijn. De oudste heeft zich laten dopen, prijst de Here, maar wil uw artikelen niet meer lezen vanwege het woord Heer. Dan wordt mij toegeworpen: ‘Vader, is dit nu voor deze mensen zo moeilijk om dat ene lettertje erbij te zeggen? U hebt het ons toch altijd in alle ernst geleerd en moeten wij dit nu zo maar overboord gooien?’ Dit heeft mij altijd zwaar gedrukt, dat ik alleen sta in deze satanische aanslag, want ook mijn vrienden denken er zo over. Omdat u nu zelf de betekenis van ‘heer’ verklaart zoals ook dit aan mij geleerd is, neem ik de vrijmoedigheid erover te schrijven. Ik wil eindigen, mijn broeder; met de pen, maar niet met het hart. Ik wil u en uw medewerkers en de gemeenten toe bidden het gebed van Paulus in Efeziërs 1:15-23 en hoofdstuk 3:14-21. Ik wil u bijzonder toewensen de waarheid van Psalm 92:13-16, waarover ik heb gesproken in een bejaardentehuis te Delft’.

Antwoord

In de Christelijke Encyclopedie staat:

‘De naam Jahweh onderscheidt zich van de overige namen als God en Adonia (= Heer) hierdoor, dat hij geen titel of waardigheid uitdrukt, maar een eigennaam is. Dit is dan ook de naam bij uitnemendheid (zie Lev.21:11,16). Voor een ander dan Israëls God wordt hij niet gebezigd en in het meervoud komt hij nooit voor, noch wordt hij ooit met bezittelijke voornaamwoorden verbonden. In deze naam hebben wij ‘te doen met de hoogste en rijkste openbaring van God’.

Wat is nu het probleem?

Jahweh is een eigennaam, die men niet zomaar vertalen kan. Zelf heet ik Johannes, ontstaan uit het Hebreeuwse woord Jochanan, dat is van God geschonken. Niemand zal mij echter aanspreken met ‘Gods geschenk’ en als men mij ‘Jo’ noemt, realiseert men zich zeker niet, dat men ‘God’ zegt. Hetzelfde geldt voor de naam Theo, een woord dat God betekent, want het is een afkorting van de Griekse naam Theodorus, ‘geschenk van God’. Men denkt niet aan de betekenis van de woorden, evenmin als iemand die Klaas heet, zich bewust is dat zijn naam ‘overwinnaar van het volk’ betekent. Shakespeare schreef: ‘Wat zegt een naam? Dat wat wij een roos noemen, zou met elke andere naam even heerlijk ruiken’.

Op de vraag van Mozes naar Zijn naam, geeft God hem het antwoord: ‘Ik ben, die Ik ben’ (en Hij laat erop volgen): ‘Zeg de Israëlieten: Ik ben (Jahweh) heeft mij tot u gezonden’ (Ex.3:14). Door alle eeuwen en alle tijdperken heen is God immers dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid (vergelijk Hebr.13:8). Tot de tijd dat Mozes bij het brandende braambos stond, hadden de aartsvaders God met ‘de Almachtige’ (El-Sjaddai) aangeduid (Ex.6:2). De moeilijkheid is daarbij wel, dat de moeder van Mozes, Jochebed heette (wier roem is Jahweh). Of noemde Mozes haar later zo, op dezelfde wijze als hij Hosea (hulp, redding), de zoon van Nun, Jozua (Jahweh is redding of verlossing) noemde (Numeri 13:16)?

Hoe komt men er nu aan om de naam Jahweh met HERE te vertalen? Want dit betekent Jahweh helemaal niet. In Leviticus 24:16 staat: ‘Wie de Naam des Heren lastert, zal zeker ter dood gebracht worden’. Uit vrees voor het ‘ijdel gebruik’ van deze heilige Naam ging de vrome Jood na de tijd van Ezra zo ver, dat hij niet meer las wat er stond. Wanneer in de Schriften de naam JHWH gebruikt werd, sprak hij het minder geachte woord Adonaï uit. Dit woord is afgeleid van ‘adon’ (heer) met het achtervoegsel ‘mijn’. Het werd gebruikt voor iemand die een eigendomsrecht of een beschikkingsmacht bezat. Het werd ook wel voor andere goden gebruikt. Ook baäl betekent heer, vooral gebruikt bij de Feniciërs. Met de ogen las de Jood dus JHWH, maar hij sprak dit vierletterige woord in bijgelovige eerbied uit als Adonaï.

Volgens de Joodse traditie werd de Naam Jahweh maar eenmaal per jaar op Grote Verzoendag door de hogepriester uitgesproken, wanneer hij het Heilige der Heiligen binnenging. Oorspronkelijk werden de Hebreeuwse woorden alleen met hun medeklinkers geschreven. Juist vóór de tijd van Karel de Grote begon men de woorden te vocaliseren, dus de klinkers tussen de medeklinkers te zetten. Omdat men de juiste klinkers niet meer kende, gebruikte men de klinkers van Edonia, een latere vorm van Adonia. Men voegde dus de klinkers e, o en a in. Zo ontstond het woord Jehovah. Dit foutieve woord heeft zich wel heel sterk bij de Jehova’s getuigen gehandhaafd. De oorspronkelijke vorm was zoals men tegenwoordig algemeen aanneemt, Jahweh.

Er bestaat nog een kleine groep Samaritanen die de eerste vijf boeken van Mozes gebruiken. Zij spreken de heilige naam uit als Jabe. Wanneer echter in de Hebreeuwse tekst Adonia Jahweh staat, lezen de Joden niet Adonia Adonia, maar Adonia Elohim, dat is Here God. Wilde men dit woord ook niet uit eerbied lezen, dan zei men ‘hasjsjiem’, dat is ‘de Naam’. De Joden die de Hebreeuwse Bijbel in het Grieks vertaalden, de zogenaamde Septuaginta, deden precies hetzelfde. Zij zetten in plaats van het woord Jahweh: kurios, dat is Heer. De Statenvertalers en velen met hen, hebben deze wijze van overzetting gevolgd. Waar Jahweh stond, schreven zij HEERE, dus de vertaling van Adonaï. Uit (vrome) eerbied gebruikten zij alleen hoofdletters.

In een nieuwere vertaling heeft men vanwege de nieuwe spelling er een ‘e’ uitgelaten. Zo staat bijvoorbeeld in 2 Samuël 7:18, dat David bidt: ‘Wie ben ik Here HERE?’ (Adonaï Jahweh). In de Canisius-vertaling staat: ‘Wie ben ik, Heer Jahweh?’ In de Lutherbijbel: ‘Wer bin ich, Herr, Herr?’ De King James Version Text luidt: ‘Who am I, o Lord God?’ De Franse synodale vertaling lijkt het beste: deze heeft voor Jahweh: l’ Eternel, de Eeuwige. Deze naam drukt niet een eigenschap van God uit maar zijn wezen: Ik ben die Ik ben. Hij is niet alleen het begin en het einde, maar Hij is vóór het begin en ná het einde van alles wat in zijn Woord ons wordt meegedeeld. In de Franse bijbel staat dan ‘Seigneur Eternel’ als vertaling van Adonaï Jahweh.

Religieuze geesten

Hoewel het woord ‘Here’ dus geen vertaling is van Jahweh, maar een vervangend woord, maken vrome, religieuze geesten dit woord in de kerken tot een discussiepunt. Zij hebben nu niet voor Jahweh, maar voor ‘HEERE’ een bijgelovige eerbied. Here is een buigingsvorm van heer. We hebben dit nog in ‘hereboer’. Denk ook aan de deftige en verouderde vorm vrouwe, of huize. Voor de welluidendheid zou ik ‘Here’ God schrijven maar God de ‘Heer’. Men kan dus bij HEERE strijden over de laatste ‘e’ en over de ‘e’ middenin. Verder kan men nog de middelste twee e’s bij het uitspreken rekken, alsof er Heere stond. Eenvoudige mensen meenden dat de middelste e’s langer moesten worden aangehouden! Zo lazen ze ook letterlijk Heere der ‘heir’scharen en niet heerscharen. Ze wisten niet dat een ‘i’ achter een klinker beduidde, dat deze lang wordt. Vergelijk bijvoorbeeld Oirschot of oirbaar. ‘Heir’ is dus een oude schrijfwijze voor heer (leger). Bij opnieuw geboren en Geestvervulde christenen, berust de eerbied voor God niet in de plaatsing van letters en hoofdletters, maar in het hart.

Ook beleden de Statenvertalers dat hun beste werken – dat is dus hun overzetting van de oorspronkelijke Schriften – met zonden waren bevlekt. Waarom houdt men dan dat woordje HEERE voor onfeilbaar? Na een uitvoerige discussie of men het woord Jahweh zou laten staan of vervangen door HEERE, besloot men tot het laatste; en nogmaals: Jahweh betekent niet HEERE of Heer. De orthodoxie verklaart echter het woord HEERE voor absoluut en onaantastbaar. Zelfs een verandering van spelling beschouwen velen als heiligschennis, als een schending van Gods Naam en van het werk van God. Ook het gebruik van hoofdletters is bij de rechtzinnigen heilig en canoniek verklaard. Men zingt echter: ‘Heer, mijn God, U zal ik loven’, of ‘Heer, maak mij uwe wegen door uw woord en Geest bekend’, of ‘God, de Heer, regeert’. En hoe moeten de Engelsen het dan doen met het woord Lord, dat geen buigings-‘e’ toelaat? Verlagen zij met het woord Lord de naam van de hemelse Vader tot baäl?

In mijn bezit is een ‘Holy Name Bible’. In deze Engelse vertaling wordt de eigen naam van God gehandhaafd. Zo staat er bijvoorbeeld:

  • ‘Ik ben Jahweh, dat is mijn Naam, en mijn eer zal Ik aan geen andere (naam) geven’ (Jesaja 42:8).
  • ‘O Jahweh, uw Naam is tot in eeuwigheid, Jahweh, uw nagedachtenis is van geslacht tot geslacht’ (Psalm 135:13).
  • ‘Als Jahweh Elohim is, volgt Hem na; maar indien het Baäl (heer) is, volgt hem na’ (1 Kon.18:21).
  • ‘En het zal zijn, dat al wie de Naam van Jahweh aanroept, behouden zal worden’ (Hand.2:21; Joël 2:32).
  • ‘Ik heb hun uw Naam bekend gemaakt en Ik zal hem bekend maken’ (Joh.17:26).
  • ‘Uw Naam worde geheiligd’ (Matth.6:29).
  • ‘Hoe is zijn Naam en hoe de Naam van zijn Zoon?’ (Spr.30:4).
  • De naam van God is Jahweh en die van zijn Zoon Jahshua, dat is Jahweh redt, want ‘zij zal een zoon baren en u zult Hem de naam Jahshua geven, want Hij is het, die zijn volk tal redden’ (Matth.1:21).
  • ‘Jezus zei: Ik ben gekomen namens mijn Vader, maar u accepteert Mij niet, terwijl u iemand die namens zichzelf komt, wel zou accepteren’ (Joh.5:43).

De Holy Name Bible wijst er dus op dat de naam van de Vader Jahweh is. De ‘andere naam’ is dan Here, Heer, Lord, Herr, l’ Eternel. Tenslotte:

  • ‘En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met Hem honderd vier en veertig duizend, op wier voorhoofden zijn Naam en de Naam van zijn Vader geschreven stonden’ (Openb.14:1).

Aan welke naam denkt nu de fundamentalist die wel leest wat er staat, maar niet verstaat wat hij leest? Aan HEERE, HERE of Heer? Of aan Lord, HERR of Herr? De Holy Name Bible houdt vast aan de naam Jahweh en voor Jezus aan Jahshua. De naam van de Vader en die van de Zoon zijn op onze voorhoofden, dat is in ons denken geschreven.

Men zingt: ‘Zijn naam is gegrift in ons hart!’ Dit is een zuiver geestelijke zaak, die met spelling, hoofdletters en taalverschillen niets van doen heeft. De schrijvers van het Nieuwe Testament, dat in de Griekse taal geschreven werd, hebben zich blijkbaar niet zo om die heilige naam bekommerd. Het ging bij hen niet om de letters maar om het wezen van de zaak. Zij citeerden rustig de Septuaginta, waar de naam van Jahweh niet in voorkomt, maar waar het woord ‘kurios’, dat is heer, wordt gebruikt.

Kurios is een bezitter of heer van eigendommen en hij beschikt ook over mensen:

‘Toen de avond viel, zei de heer (kurios) van de wijngaard tot zijn opzichter (Matth.20:8).

Vergelijk hier eens mee:

de Heer van de oogst’ (Matth.9:28) of ‘de Heer van de sabbat (Matth.12:8).

Jezus heeft de macht om te beslissen wat voegzaam is om op de sabbat te doen. Kurios komt ook voor als titel, waarin men zijn eerbied uitdrukt:

Heer, hebt u niet goed zaad in uw akker gezaaid? (Matth.13:27).

Een kind tot zijn vader:

Ja heer (kurios), maar hij ging niet (Matth.21:30).

Als burger tot de overheid:

En zij zeiden tot Pilatus: Heer (kurios), wij hebben ons herinnerd, dat die verleider bij zijn leven gezegd heeft (Matth.27:63).

De leerlingen begroetten Jezus als leraar en meester:

Zij maakten Hem wakker en zeiden: Heer (kurios), help ons (Matth.8:25).

De heerlijkheid van Jezus komt pas goed uit na zijn opstanding:

Het hele huis van Israël moet weten, dat God Hem èn tot Heer (kurios ) en tot Christus gemaakt heeft  (Hand.2:36).

In plaats van Jahweh lezen we:

Gezegend Hij, die komt in de naam van de Heer (kurios)’ (Matth.21:9). ‘Een engel van de Heer (kurios) stond bij hen en de heerlijkheid van de Heer (kurios) omstraalde hen’ Lucas 2:9). ‘De Heer (in plaats van Jahweh weer kurios, heer) heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen (Hebr.7:21; Psalm 110:8).

Paulus schreef:

Want al zijn er ook zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op aarde – en werkelijk zijn er goden in menigte en heren (meervoud van kurios) in menigte is – voor ons echter is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie alle dingen zijn; en één Heer (kurios), Jezus Christus (1 Cor.8:5,6).

Hier wordt kurios gebruikt voor afgoden (baäl) en voor de Heer Jezus, maar als wij Hem Heer noemen, denkt niemand van ons aan Baäl. Die associatie moet men er kunstmatig inbrengen om zodoende het monopoliegebruik van HEERE te rechtvaardigen. Ik heb geen bezwaar tegen het woord HERE, maar de apostel zou schrijven:

Wij zijn niet bekrompen jegens u; zelf bent u niet ruimhartig genoeg … gedraag u niet bekrompen jegens mij (2 Cor.6:12,13).

We zien dus dat de apostelen en evangelisten geen problemen hadden om het woord ‘kurios’ – zonder hoofdletter – te gebruiken op de wijze als wij ook het woord ‘heer’ schrijven. Het ging bij hen niet om een schrijfwijze, maar ‘om de gemeenschap met de Heer Jezus Christus, wiens naam in elke taal anders wordt geschreven, maar die voor allen dezelfde is. De Holy Name Bible hecht echter zoveel waarde aan de Hebreeuwse woorden Jahweh en Jahshua, dat de samenstellers deze namen zelfs in het Nieuwe Testament gebruiken op plaatsen waar het woord ‘kurios’ (heer) staat. Zij beweren rustig dat er Helleense of heidense elementen in het oorspronkelijke Nieuwe Testament zijn binnengedrongen, waardoor men opzettelijk de schrijfwijze van Jahweh en Jahshua heeft weggelaten of verminkt. Jahweh zou tot kurios zijn vervormd en Jahshua tot Jezus. Ook hier is dus de aanbidding van de schrijfwijze, de cultus van de letter!

Dr. A. Sizoo schreef in ‘Uit de wereld van het Nieuwe Testament’:

  • ‘De meest bekende echt joodse naam in het Nieuwe Testament is ongetwijfeld die van de Verlosser. De naam Jezus is eigenlijk dezelfde als Jozua, en betekent: Jahwe is redding of verlossing (vlg. Matth.1:21). Maar de naam Jozua, in het Hebreeuws eigenlijk luidend Jehosjoea, werd later verkort tot Jesua (Jesjoea). In die verkorte vorm vinden we hem onder andere in Nehemia 8:18, waar (in de Statenvertaling) geen sprake is van Jozua, maar van Jesua, de zoon van Nun. Die verkorte naam nu heeft in het Grieks de vorm Jezus, of liever Jesus gekregen. Maar we moeten steeds bedenken, dat de Verlosser door zijn Joodse omgeving niet Jezus genoemd werd, maar Jesua (Jesjoea). En dat was een naam, die in de vaderlandse geschiedenis van de Joden een goede klank had en daarom veel voorkwam.
  • Behalve de Verlosser worden in het Nieuwe Testament nog vier personen vermeld, die Jezus heetten. En terwijl die alle vier in het Grieks dezelfde naam hebben, springen de vertalingen er vrij mee om. De bekende Jozua van de intocht der Israëlieten wordt genoemd in Handelingen 7:45 en Hebreeën 4:8. De Statenvertaling heeft daar Jezus, de nieuwe vertaling Jozua. Maar Colossenzen 4:11, waar Paulus de groeten doet aan Jezus, gezegd Justus, geeft de nieuwe vertaling niet Jozua, maar ook Jezus. En in de geslachtslijst Lucas 3:29, waar in het Grieks een van de voorvaderen van Jozef ook Jezus genoemd wordt, heeft de Statenvertaling Joses, de nieuwe Josua. Eenstemmigheid heerst weer in Handelingen 13:6, waar èn de grondtekst èn de beide vertalingen spreken van de valse profeet Elymas als van Bar-Jezus. De nieuwe vertaling wil kennelijk vergissingen voorkomen; Jozua, die we uit het Oude Testament kennen, blijft ze ook in het Nieuwe Testament zo noemen’.

Er zijn veel personen geweest die de naam van Jezus droegen, goede en kwade. Zelfs Barabbas schijnt deze voornaam te hebben gehad. Ook zijn er demonen die in de naam van Jezus komen om de mensen te verleiden. Wij kennen echter slechts één Heer, onze Heer Jezus Christus, de Zoon van de levende God. Daarom is het goed zijn naam te omschrijven en te identificeren. En ook al zijn er heel wat goden en heren (1 Cor.8:5), wij aanbidden en dienen slechts de éne en eeuwige God en Heer, die wij aanspreken met ‘onze Vader in de hemel’. Abba Vader (Romeinen 8:15).

Door een verschil in vertaling en in schrijfwijze is het de satan jammer genoeg gelukt ook hier een barricade op te werpen op de weg van de waarheid en de redding, zodat het doel van het eeuwig evangelie: ‘de volmaakte mens van God tot alle goede werken volmaakt toegerust’, niet zal worden bereikt.