Godsdienstles op school

Het is een christelijke school en godsdienst gaat nog wel voornamelijk over de Bijbel. Aan de orde is de geschiedenis van David en Bathseba. Boeiend hoor. David ziet een mooie vrouw, hij wil haar hebben, hij weet dat zij een man heeft, hij neemt haar toch, de vrouw raakt in verwachting. David wringt zich in bochten om uit de penibele situatie te komen, gaat zelfs zover dat hij de dood van haar man Uria arrangeert. Daarna komt Bathseba voorgoed bij David, hun kind wordt geboren. Happy end? Nee, want de zaak die David gedaan heeft is kwaad in de ogen van God. Daarom stuurt God een profeet met een onheilsprofetie. Het kind wordt ziek en sterft. Dat is de straf van God.

Francien zit al vanaf het begin van het verhaal te branden op haar stoel. Kortgeleden is er in de gemeente gesproken over dit onderwerp. Francien heeft haar oren goed open gehad tijdens die preek en ook nu tijdens deze les. Het verschil valt haar op. Ze zit te denken: o, wat gemeen dat God de schuld krijgt! En bij het slot van het verhaal kan ze haar verontwaardiging net niet helemaal inhouden. Hardop een opmerking maken durft ze niet, maar ze lucht haar hart tegen het meisje naast haar, fluisterend: ‘Dat ’t jongetje doodging, dat deed God helemaal niet hoor!’ Het meisje, geschrokken, reageert meteen overluid: ‘Ooooh, dat deed God wél!’

Nu is de hele klas gealarmeerd. Wat is daar aan de hand? Het ruikt naar een smeuïg relletje. Daar zijn ze wel voor te porren. Francien krijgt een kleur van verlegenheid. Het meisje, met een toon van ‘moet je nou toch horen!’, geeft uitleg: ‘Zij zegt, dat God het niet deed van-dat-jongetje-dat-ie-dood-ging…’ Links en rechts komen de opmerkingen los. De leraar maakt er snel een eind aan. Kalmerend verklaart hij: ‘Dat Francien dit zegt komt omdat zij zo opgevoed is’.

‘Nee,’ zegt Francien, ‘dat komt omdat het zo is!’ Ze is een beetje verlegen, maar ze gaat door: ‘Het is echt waar God z’n schuld niet, dat dat jongetje doodging – God is goed. Als mijn vader vindt dat ik iets verkeerd heb gedaan dan zegt ie niet: nou maak ik je ziek en dan moet jij maar dood – nou dat zegt God dus helemaal niet – nooit!’ De klas begint weer te rumoeren. De leraar grijpt opnieuw in. Einde van de discussie.

Maar als de school uitgaat vormt zich op het plein een groepje rondom Francien. De gemoederen zijn danig in beroering gebracht. Mooi onderwerp voor een schoolplein: David en Bathseba oftewel God is goed. Het gaat er nogal schreeuwerig aan toe. ‘Hoor eens,’ zegt Francien, ‘als jullie nou allemaal vinden dat God zoiets doet, waarom doet-ie het dan?’ Er komen antwoorden als: om te waarschuwen, omdat we ’t verdienen, omdat we zondigen enz. Okay,’ roept Francien, ‘okay, maar dan had David dood moeten gaan, niet dat kind, die kon er niks aan doen …’ Tsja …

Dan komt een snuggere: ‘Maar dat kind ging dood, hoe kwam dat dan?’ Voor Francien hier iets op zeggen kan roept een ander: ‘Ja hoor, daar heb je haar weer met d’r duivel… nou, bekijk het!’ Meteen keert deze spreker zich af en vertrekt op zijn fiets. Het groepje wordt steeds dunner. Het gesprek levendiger. Tenslotte blijft Francien over met één meisje en één jongen. Als ze uit elkaar gaan zegt de jongen: ‘Gaaf hè, zoals jij ’t over God hebt – kan jouw vader niet eens godsdienst komen geven?’ Het meisje fietst met Francien mee naar huis.