Een telefoongesprek

Een kennis van jaren geleden aan de telefoon: ‘Hallo, er is met jullie heel wat gebeurd hè – nou, ik wou even zeggen, met ons is hetzelfde gebeurd’. ‘Meid, je bedoelt…’ En juichend: ‘Ja, dàt bedoel ik!’ ‘Vertel op!’ Het is altijd hetzelfde verhaal. Destijds waren ze aan het denken gezet door onze stap, door onze doop. Hoe afwijzend ze er ook eerst tegenaan keken, het was hun bijgebleven. Toen hadden ze mensen ontmoet en weer eens mensen ontmoet. Er waren gesprekken geweest en ze hadden Bijbelstudies gedaan. En nu is er ommekeer in hun leven.

‘Zijn jullie al gedoopt?’ vraag ik. ‘Nee, nog niet’. ‘Wordt daar met jullie over gesproken?’ ‘O ja, we worden prima begeleid’. ‘En de kerk?’ ‘Daar zitten we nog, maar dat is alleen een formaliteit’. ‘Waar gaan jullie dan heen, welke gemeente ga je kiezen?’ ‘O, dat weten we niet, dat zal wel geleid worden’. Bekende geluiden. Toch even doorvragen. Waar ze dan de nieuwe boodschap horen, de nieuwe gemeenschap vinden? Het blijkt nu eens hier, dan eens daar. ‘En’, zegt ze, ‘je kunt toch ook met twee of drie een dienst hebben, gewoon thuis’. Het kan.

Dan begint ze namen te noemen van evangelisten, tijdschriften, meetings. Over vlaggen zwaaien, de blijheid, over Israël, over de opnameleer. Ik zwijg stil. ‘Of ben jij het daar niet mee eens?’ komt ze opeens een beetje argwanend. Moeilijk hoor. Dan moet je tegen zo’n enthousiaste beginneling toch meteen maar eerlijk zeggen, dat dit het voor jou niet is.

‘Maar’, voert ze aan, ‘de opname, zoals dat door onze voorganger wordt uitgelegd – toen ik dat zag kon ik de rest ook aanvaarden’. ‘Welke rest?’ ‘O, alles over de koning van de Joden en de grote verdrukking en het Joodse volk van God.’ ‘Hoe bedoel je dat,’ vraag ik, hoewel ik natuurlijk al begrijp dat ze bedoelt: Israël, het volk van God. Waarop ik voorzichtig opmerk: ‘Joh, wie hoort nou tot het volk van God? – toch ieder die besneden is – niet de besnijdenis naar het vlees, maar de besnijdenis naar het hart…’ ‘Jaja,’ roept ze, ‘een aards volk en een hemels volk’. ‘O nee!’, zeg ik stevig, ‘er is maar één kudde en één herder, dat is wat de Bijbel zegt.’

‘Wat verwarrend,’ zucht ze, ‘ik dacht dat jullie hetzelfde…, wat rot nou, hè, ik ben helemaal teleurgesteld – we moeten er nou maar over ophouden. Maar mag ik je nog eens bellen? Wanneer? Geeft het niet hoe lang?’ ‘Doe het maar gauw’, zeg ik, ‘en voor mijn part hang je een uur aan de lijn, ga ik je een boel verrukkelijke waarheden vertellen over de ene kudde en de ene Herder, regelrecht uit de Bijbel, daar kan jouw voorganger niet aan tippen!’ We nemen lachend afscheid. Dat bellen moet ze nog altijd eens doen…..