De zielenslaap

Het eeuwig niets zijn?

Het is opmerkelijk dat het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen, dat van de onzienlijke wereld, altijd en overal op ontkenning en tegenstand stuit. En dat terwijl Paulus al zegt dat wij als christenen niet zien op het zichtbare maar op het onzichtbare. Maar wie houdt zich nu bezig met het onzichtbare? Toen Jezus tegen de Joden zei dat de waarheid over de onzienlijke wereld hen kon vrijmaken, beweerden zij ogenblikkelijk dat zij, als nageslacht van Abraham, nooit iemands slaven in de natuurlijke wereld waren geweest.

Zo kent men vandaag een bevrijdingstheologie, die zich alleen richt op de bevrijding van onderdrukte volken. Veel kerkmensen houden zich bezig met het natuurlijk volk Israël. Zij spreken niet over het hemelse Jeruzalem maar theoretiseren over het aardse. Zij poneren stelligheden over een toekomstige tempel van de Joden, maar de ware tempel, die in de hemel is, staat buiten hun belangstelling.

Daarom is het niet vreemd dat men dit elimineren van de onzienlijke wereld voortzet bij het sterven. Het boeddhisme leert dat de volmaakte, heilige mens na zijn sterven in het nirwana terecht komt, in het eeuwige niets zijn. In de kerken kent men een soortgelijke leer. Men gelooft dat de mens bij zijn sterven mag zingen: O, niets te zijn, gans niets te zijn…’ De mens valt dan in ‘het zwarte gat’ waarin heel zijn bestaan verdwijnt. Eufemistisch spreekt men dan over een ‘zielenslaap…’ Op de dag van de opstanding zou God dan de mens – die er niet meer is – zich herinneren, om hem dan uit het niets tevoorschijn te toveren!

Wij willen, bij het ouder worden, zekerheid hebben over de dingen, die ons bij het sterven te wachten staan. Het gaat immers over een actuele zaak. Wij geloven volgens Johannes 3:36 dat we door het geloof het eeuwige leven ontvangen hebben. Maar hoe kunnen kerkmensen, die ook Johannes 3:36 kennen, dan denken dat zij in een absolute afwezigheid raken, waarbij het eeuwige leven voor een tijd vernietigd is? Heeft Jezus niet beloofd dat Hij Gods Geest geeft om tot in eeuwigheid bij ons te blijven (Joh.14:16)? Zal die Geest dan toch verdwijnen?

Bovenstaande gedachten kwamen bij ons op, toen wij enkele artikelen uit ‘De echte waarheid’ lazen. Wij lazen o.a.:

  • ‘In onze artikelen wordt aangetoond, dat er voor het eeuwenoude geloof in het gescheiden bestaan van een lichaam en een ziel geen enkele ondersteuning in de Bijbel te vinden is. De ziel sterft en kan doodgaan (Ez.18:4,20). De doden kunnen niet met de levenden communiceren. En waarom niet? Ze zijn dood, ze leven niet verder in een of andere geestenwereld. De demonenwereld wil ons de valse leer van de onsterfelijke ziel opdringen, die achter de geestverschijningen in seances, foto’s van geesten en elektronische stemverschijnselen steekt. Door zich voor te doen als geesten van de overledenen, misleiden zij hen die niet grondig in de Bijbel zijn geschoold.’

‘Tot stof zult u terugkeren’

Jehova Getuigen leren hetzelfde. Net als de dieren wordt de mens tot stof voor eeuwig

Het valt ons ook op dat men het geloof in de onsterfelijke ziel telkens heel geraffineerd verbindt met het spiritisme. Tegenstanders van het spreken in talen doen hetzelfde door te zeggen dat spiritisten ook in vreemde talen spreken. Alsof Paulus die meer dan alle andere leden van de Corinthische gemeente in talen sprak, dit niet wist (1 Cor.14:18).

Wat is sterven?

Sterven is het ogenblik dat het geestelijk lichaam het natuurlijk lichaam verlaat. Dit laatste is dan dood. Voor het geestelijk lichaam (ziel en geest en ook Gods Geest) gelden de woorden van Jezus: ‘Als iemand mijn woord bewaard heeft, zal hij de dood in eeuwigheid niet zien of proeven’ (Joh.8:51,52). Voor ons zijn degenen die stierven wel dood, maar voor God, die in de onzienlijke wereld ziet, leven zij allen (Lucas 20:38). Gestorven mensen kunnen met ons niet converseren, omdat zij in een andere geestenwereld zijn. Wanneer iemand ontslaapt, dat is beginnen te slapen, wordt hij onttrokken aan de zichtbare wereld, maar met zijn geestelijk lichaam kan hij in de onzienlijke wereld horen en zien. Iemand die slaapt, bestaat.

Jezus zei dat de vijand wel het lichaam kan doden, maar de ziel, het hart van het geestelijk lichaam, niet (Matth.10:28). Ook beloofde hij zijn gemeente, ‘dat de poorten van het dodenrijk haar niet zouden overweldigen’ (Matth.16:18). Kinderen van God leven na hun sterven verder in de geestenwereld van het Koninkrijk van God, buiten de sfeer van de lucht, die het beeld is van de onzichtbare wereld die om de natuurlijke mens is (Ef.2:3). Zij die Jezus Christus niet aannamen, hebben tot de tijd van de opstanding en het laatste oordeel, hun bestaan in het dodenrijk en zijn daar onder de bewaking van de Dood. Vandaar het woord ‘gevangenis’ voor het dodenrijk.

Het evangelie in de gevangenis

Na zijn sterven ging Jezus als Mensenzoon het dodenrijk binnen. Als overwinnaar bracht Hij zijn evangelie aan de geesten in de gevangenis, die in de dagen van Noach ongehoorzaam waren geweest (1 Petr.3:19,20).

Jezus verloochenen

De belijders van de zielenslaap zeggen dat Jezus drie dagen in het graf lag en niet naar de geestelijke mens in het dodenrijk kon zijn. Zij lezen de apostolische geloofsbelijdenis als volgt:

  • ‘Jezus Christus die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, op de derde dag opnieuw opgestaan van de doden en daarna neergedaald in het dodenrijk’.

Zij loochenen immers dat Jezus na zijn sterven nog bestond. Dood is bij hen dood. Petrus zei echter: ‘dat Hij niet aan het dodenrijk is overgeleverd en zijn vlees (in het graf) niet tot ontbinding is overgegaan’ (Hand.2:27,31). Het woord ‘overgeleverd’ wordt in 2 Timotheüs 4:16 vertaald door: ‘in de steek gelaten’. De geest van Jezus was immers met de Gods Geest verbonden, want toen Hij stierf zei Hij: ‘Vader, in uw handen (beeld van Gods Geest) beveel Ik mijn geest’. Gods Geest schonk Hem de activiteit en de kracht om alle inactiviteit, die het sterven met zich brengt, te overwinnen.

Het vale paard

Dat er mensen in het dodenrijk vastgehouden worden, leert Openbaring 6:8. Johannes zag een ruiter op een vaal paard, wiens naam was de dood en het dodenrijk volgde hem, om de gestorven mensen in zich op te nemen.

De boeken geopend

  • ‘En ik zag de doden, klein en groot, voor God staan. En de boeken werden geopend en nog een ander boek werd geopend, namelijk het levensboek. En de doden werden geoordeeld overeenkomstig wat in de boeken geschreven stond, naar hun werken. En de zee gaf de doden die in haar waren. Ook de dood en het rijk van de dood gaven de doden die in hen waren en zij werden geoordeeld, ieder overeenkomstig zijn werken’ (Op.20:12,13).

Hier staat heel duidelijk dat de dood en het dodenrijk hun doden moesten teruggeven. De onzienlijke wereld is een waarneembare realiteit voor de innerlijke mens. Dit leren we ook uit de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. De gebondenen door boze geesten lijden daar pijnen, maar de rechtvaardigen die geschreven zijn in het levensboek, worden daar getroost en zij kunnen de top van hun vingers nog altijd dopen in het Levenswater (vergelijk Lucas 16:19-31 en Op.20:13-15).