Wie is onze moeder?

  • ‘Maar toen het Hem, die mij van de schoot van mijn moeder heeft afgezonderd en door zijn genade geroepen heeft, behaagd heeft zijn Zoon in mij te openbaren’ (Galaten 1:15).

Het is een groot verschil, wanneer men in Galaten 1:15 leest: ‘Maar toen het Hem, die mij van de schoot mijner moeder “AAN” heeft afgezonderd en door zijn genade geroepen heeft, behaagd heeft zijn Zoon in mij te openbaren,’ of dat men zich aan de vertaling houdt: ‘Maar toen het Hem, die mij van de schoot van mijn moeder heeft afgezonderd en door zijn genade geroepen heeft, behaagd heeft zijn Zoon in mij te openbaren’.

Door de toevoeging van het bijwoord “AAN” in de ‘Zes Nederlandse vertalingen’ krijgt de zin de betekenis, dat Paulus door God al vóór zijn geboorte bestemd was tot het apostelschap en pas later op de weg naar Damascus hiervoor werd geroepen. Het werkwoord ‘aphorizo’, afzonderen, wordt dan gebruikt in verband met een goddelijke daad, waarbij mensen apart worden gezet voor het werk in het evangelie. Zo noemt Paulus zich in Romeinen 1:1: ‘een geroepen apostel, afgezonderd tot het brengen van het evangelie van God’.

Veel uitleggers verbinden ‘de afzondering vanaf de moederschoot’ met de uitverkiezingsleer, die van de veronderstelling uitgaat, dat Paulus van eeuwigheid een uitverkorene tot behoud zou geweest zijn. Hoe kan het ook anders met achtergronden als Rome en de belijdenisgeschriften. Dit in tegenstelling met hen, die in negatieve zin uitverkoren zouden zijn tot eeuwige verwerping:

  • ‘De verandering, die in hem ontstaan was, was de voortzetting van een goddelijk voornemen ten opzichte van hem, waardoor hij verkoren was om christen en apostel te worden, als vóór hij ter wereld kwam en goed of kwaad gedaan had’ (Matthew Henry).

Wij merken echter op, dat God van eeuwigheid een bestemming voor de mens heeft om ‘zijn voornemen om met Christus de voltooiing van de tijd te verwezenlijken’ (Efeze 1:9). Wanneer Paulus daarom in Efeziërs 1:5 schrijft, dat God ons bestemd of voor verordineerd heeft – in de Latijnse Bijbel staat: gepredestineerd(!) – is dit geen blind noodlot of liever zuiver geluk, want aanneming tot zonen vindt plaats ná de schuldvergeving en ná de nieuwe geboorte. Zij is de bestemming van hen die al in Christus zijn. Er staat:

  • ‘Dat God ons tevoren ertoe bestemd heeft als zonen van Hem te worden aangenomen ‘door Jezus Christus’ (Efeziërs 1:5). In Johannes 1:12 staat: ‘Maar allen, die Hem aangenomen hebben – of ontvingen (Can. vert.) – hun heeft hij macht gegeven om kinderen van God te wórden, zij, die in zijn naam geloven’.

God verkiest niemand tot zoon of tot apostel of tot prediker buiten Jezus Christus om. Een predestinatieleer die van het standpunt uitgaat, dat God van eeuwigheid een mens bestemd tot behoud of tot verderf, houdt geen rekening met Christus. Men zou dan om zo te zeggen ook buiten Christus om behouden kunnen worden, of als een stok en een blok buiten eigen wil, verlangen en keuze om, door zijn nieuwe geboorte in Christus kunnen worden ingevoegd. Gods genade wordt echter alleen openbaar in Zijn Geliefde Zoon, dat wil zeggen in hen die in Christus zijn en die bij Hem horen. Wij zouden dus kunnen zeggen: God accepteert ons in Christus door ons met Deze één te maken, zodat alle leden van het lichaam één zijn met het hoofd (Efeze 1:6).

De oude schoot

Paulus was een kind van Joodse ouders die God met een rein of oprecht geweten dienden (2 Tim.1:3). In tegenstelling tot veel andere Joden in de verstrooiing hoorde hij bij een echte Hebreeuwse familie. In zijn jonge jaren ging hij als ‘Bijbelstudent’ naar Jeruzalem. Daar werd hij opgevoed en opgeleid aan de voeten van Gamaliël met nauwgezette inachtneming van de wet van de voorvaders. Hij werd daar een ‘ijveraar’ voor God (Hand.22;3). Zoals Luther in oprechtheid van het hart de strenge kloosterorde koos, zo nam Saulus van Tarsus het zware juk op van de Farizeeën met hun geboden, voorschriften en inzettingen (Matth.23:4, verg.11:30). In beider levensbeschrijvingen horen wij hen bij het terugzien op vroegere tijden, verzuchten:

  • ‘Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik’ (Romeinen 7:19). 

De Heer gebruikte de strenge levenswijze van Luther, zodat hij later de werkheiligheid in de rooms-katholieke kerk des te beter ten toon zou kunnen stellen. De wettische opvatting van Saulus maakte hem geschikt om later des te duidelijker aan te tonen, dat het judaïsme onverenigbaar is met het christendom. Het onderwijs van Gamaliël gaf hem de kennis, die hij na zijn bekering gebruikte om de symboliek en de schaduw van het oude verbond te verstaan. Om zijn eigen behoud heeft hij – toen hem de ogen werden geopend – zijn Joodse opvoeding voor schade en drek moeten houden. Het Jodendom werd hem tot een ‘vijandige wereld’ (Fill.3:8; Gal.6:14).

Telkens valt de apostel terug op zijn speciale roeping, die hij uit genade had ontvangen. Door deze bijzondere ‘verkiezing’ was hij afgezonderd van het Joods wettisisme, maar ook van de andere boodschappers, die het gevaar van het indringen van het judaïsme in het christendom nog niet zo onderkenden. De opvoeding die Paulus thuis had ontvangen en die later bij de rabbijnen aangescherpt werd, noemt hij hier de schoot van zijn moeder. De moederschoot van het biologische leven, waarin een kind veilig geborgen is, wordt hier als een vergelijking gebruikt voor de beschutting van het religieuze leven onder het Jodendom of judaïsme. Paulus verliet de schoot van de eeuwenoude kerk Israël voor een beter verbond.

Nicodémus

Nicodémus was een knappe Joodse theoloog, die aan Jezus vertelde, dat men zelfs in zijn kringen erkennen moest, dat de rabbi uit Nazareth ‘van God was gekomen als leraar, want niemand kon die tekens doen, die Hij deed, of Hij moet dit met Gods hulp doen’ (Joh.3:2). Het antwoord van de Heer was: ‘Alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien’. Het Koninkrijk van God was voor de Joden slechts een voltooiing en afronding van het judaïsme en wetticisme, waardoor zij het messiaanse rijk zouden binnengaan. Massa’s christenen denken dit vandaag nog steeds. De tekens en wonderen van Jezus zouden daarin het voorspel kunnen zijn van een staatkundige omwenteling, die een bevrijding betekende van het Romeinse juk.

Nicodémus stelt dan de schijnbaar dwaze vraag, hoe een kind in de schoot van de moeder voor de tweede maal zou kunnen ingaan en geboren worden. Een Bijbelverklaarder merkt bij dit gezegde op: ‘Alle pogingen, die men in het werk gesteld heeft om het gezond verstand van Nicodémus te redden, hebben op de blijkbare ongerijmdheid van zijn bedenkingen schipbreuk geleden’. Nicodémus stelde echter de vraag, hoe iemand die met het judaïsme verweven is en als hij al oud is, toch nog tot een nieuw levensbeginsel zou kunnen komen in het Koninkrijk van God, waar volkomen vrijheid heerst. De geestelijke nieuwe geboorte is dan de volkomen vernieuwing van denken, die veroorzaakt wordt:

  • ‘Door het levende en blijvende Woord van God’, dat ‘in het begin was’ (1 Petrus 1:23; Jacobus 1:18). ‘De wet is later ingevoerd om ons bewust te maken van de zonde, in de tijd dat de nakomeling aan wie de belofte was gedaan nog komen moest’ (Galaten 3:19).

Christus, het vleesgeworden Woord van God (en niet God zelf – Joh.1:1) zou door Gods Geest, Gods wetten in het verstand leggen en in het hart schrijven (Hebr.8:10). Nicodémus voelde aan, dat hij net als de rijke jongeman alles moest verkopen en achterlaten om het Koninkrijk van God binnen te gaan. De vrome Jood, de geëerde Farizeeër en het machtige volkshoofd stond op hoge leeftijd voor de moeilijke keuze om de oude moederschoot achter zich te laten en een geheel andere moederschoot binnen te gaan. De Joodse scholing met haar wet, Thora en overleveringen van de voorvaders vormden de cocon waaruit hij dan te voorschijn zou komen en die hij als een nutteloze zaak achter zich zou laten. Nicodémus moest ‘afgezonderd worden van de schoot van de oude moeder’. Hoevelen na hem hebben ook hun ‘moederkerk’ moeten verlaten voor van het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen om dan door hun voormalige geloofsgenoten als ketter of paria gesmaad en vervolgd te worden?

Een nieuwe moeder

Wij volgen nu niet langer de Nederlandse vertalingen met hun dubieuze insinuaties, die het bijwoord “AAN” toevoegen, maar de King James Version, die de Griekse tekst nauwkeuriger weergeeft:

  • ‘Maar toen het God behaagde, die mij separeerde van mijn moederschoot en mij door zijn genade riep’. Ook de Duitse Luthervertaling mist het woordje ‘aan’. Het werkwoord ‘aphorizo’, afzonderen, wordt ook weergegeven door scheiden: ‘Hij zal de volken van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt’ (Mattheüs 25:32). ‘Daarom ga weg uit hun midden en keer u af’ (2 Corinthe 6:17). Of ook door ‘uitstoten’ in: ‘Gelukkig bent u wanneer de mensen u haten en wanneer zij u uitstoten‘ (Lucas 6:22).

Paulus’ breuk met het jodendom

Het accent valt dus geheel en al op de breuk van Paulus met het Jodendom, waarover hij in voorgaande verzen in Galaten 1:11-14 schreef. Bij zijn nieuwe geboorte werd de apostel van de schoot van zijn moeder gescheiden. Hij was niet tijdens zijn opvoeding een afgezonderde, maar na zijn radicale omkeer. In het begin had bijvoorbeeld Petrus nog niet met het judaïsme gebroken. Dit bleek uit zijn houding te Antiochië, toen hij zich uit angst voor de besnedenen afzonderde van de heidenen, die met hem aan één tafel gegeten hadden (Gal.2:11-14). Door de genade van God kreeg Saulus van Tarsus een andere opvoedster of moeder. Van de eerste werd hij gescheiden vanwege een ingrijpen uit de hemel. Op de weg naar Damascus kreeg hij ‘een genadige God’, zoals ook Luther dit later van zichzelf schreef, toen hij (ten dele) verlost werd van het legalisme van de rooms-katholieke kerk. Na hun vrijmaking beleden beiden, dat de rechtvaardige alleen uit geloof zal leven (Galaten 3:11).

  • ‘U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn en om hem te kunnen aanroepen met ‘Abba, Vader’ (Romeinen 8:15).

In het vervolg identificeert de apostel zijn tweede moeder van wie hij nieuwe instructies kreeg m.b.t. het hemelse Jeruzalem (Gal.4:26). Hij schrijft hier dus niet op Semitische wijze over ‘een geroepen zijn vanaf de geboorte’, zoals wij dit bijvoorbeeld lezen bij Simson en Johannes de Doper (Richt.13:17; Luc.1:15). Van de schoot van hun moeder waren zij Nazireeërs. Van Jeremia staat: ‘Voordat ik je vormde in de moederschoot, had ik je al uitgekozen, voordat je de moederschoot verliet, had ik je al aan mij gewijd, je een profeet voor alle volken gemaakt’ (Jer.1:5). Ook Jeremia was zeer jong, toen hij als profeet optrad. Van Jezus die de Knecht van de Heer was, staat: ‘Al in de schoot van mijn moeder heeft de Heer mij geroepen, nog voor ze mij baarde noemde Hij mijn naam’ (Jes.49:1).

Het maakt een enorm verschil of God een richter of een profeet vóór zijn geboorte afzonderde en riep, want dan gaat het om enkelingen, of dat Hij ons als gelovigen afzondert uit een geestelijke wereld, waarin wij waren gevormd en ons overzette in een nieuwe wereld van denken.

Op symbolische wijze spreekt de apostel ook over het aardse Jeruzalem als moeder, want hij zegt: ‘Dit verkeert met zijn kinderen in slavernij van het wetticisme’. Deze moeder heeft bij de christenen plaats moeten maken voor het nieuwe Jeruzalem waar vrijheid heerst: ‘Dat is onze moeder’ (Galaten 4:25,26).

  • ‘Want het Koninkrijk van God bestaat niet in eten en drinken (uit spijswetten van het judaïsme), maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Gods Geest’ (Romeinen 14:17).