4. De ontmaskering van Calvijns leugens

<<<<<

Verwerping van de Uitverkorene is verwerping van God

Wanneer een mens het evangelie van zijn redding verwerpt, dan legt Calvijn dat uit als een werk van zijn god in de mens, want die mens IS immers al door zijn god verworpen. Het gevolg van deze opstelling is nu, dat Calvijn ten aanzien van de evangelieboodschap onderscheid maakt tussen de uiterlijke stem van zijn god, die in het algemene evangelie wordt gebracht en de stem van zijn god, of de verlichting, die door de uitverkorenen innerlijk wordt verstaan. Het lijkt er wel op of de praktijk, Calvijn in het gelijk stelt met zijn geloof in (zijn) gods dubbelzinnige zelf openbaring:

  • ‘Vervolgens, omdat het duidelijk is, dat van de velen, die god door zijn ‘uiterlijke’ stem roept, toch maar weinigen tot geloof komen en als ik vast mag stellen dat het grootste gedeelte ongelovig blijft, omdat god alleen verlichting schenkt aan hen die Hij het wil schenken, dan kom ik nog tot een volgende conclusie: De genade van god wordt gelijk op aan beide soorten mensen aangeboden, zodat zij, die innerlijk niet zijn aangesproken, toch geen verontschuldiging hebben…’

Het onderscheid tussen de uiterlijke en de innerlijke stem van Calvijns’ god ontleent hij aan Jesaja 6:9 en 10, waar de profeet een speciale boodschap voor Israël ontvangt, waarvan de kern zeven maal in het Nieuwe Testament wordt aangehaald:

  • ‘Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben. Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden zij gesloten. Met hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen. Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou ik hen genezen’ (Matth.13:14,15).

Hier wordt echter niet over twee onderscheiden stemmen gesproken, maar veel meer is er een onderscheid in de diepte waarin Gods stem indringt. De ongelovige is niet ontvankelijk voor het woord van God, want hij sluit zijn hart toe. Hij kan zodoende ook niet verlicht worden door Gods Geest, Die van het Woord getuigt. We kunnen daarom stellen, dat het Woord van God vergezeld gaat met de oproep: ‘Vandaag, als u zijn stem hoort, verhardt uw harten niet zoals bij de verbittering…’ (Hebr.3:7). 

We weten dat een mens niet te verontschuldigen is als hij ongelovig blijft, maar dat komt niet, omdat hij te maken heeft met de schizofrene god van Calvijn. Een god namelijk, zoals Calvijn beweert, die zelf verordineert dat een mens zijn reddingsboodschap moet verwerpen en hem dan op die gronden schuldig verklaart. Een mens is echter alleen dan niet te verontschuldigen als hij, bekend met Gods Uitverkorene, die Uitverkorene verwerpt ten behoeve van een andere keuze. Bovendien, geloven in en het volgen van de uitverkoren Boodschapper, zijn een eerste vereiste om Gods boodschap te kunnen verstaan.

De Uitverkorene, Gods gevolmachtigde

Het evangelie van Johannes kan men ook lezen in het licht van de uitverkiezing: ‘Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen en wie tot Mij komt, zal Ik zeker niet uitwerpen’ (Joh.6:37). Calvijn ziet in deze tekst drie dingen:

  1. ‘Ten eerste, allen, die tot Christus komen, waren al tevoren door de Vader daartoe bestemd.
  2. Ten tweede, allen die bestemd waren, worden uit de Vaderhand overgedragen aan Jezus, zodat zij Hem waarlijk toebehoren.
  3. Ten derde, Hij – Jezus – is een betrouwbare beschermer voor allen, die de Vader Hem heeft gegeven, zodat niemand van hen verloren zal gaan’.

Als we de vraag zouden stellen waar het geloof zijn oorsprong in de mens vindt, geeft Calvijn het antwoord door uit het bovenstaande Schriftgedeelte af te leiden, dat alleen zij kunnen geloven, die zijn god tevoren voor Christus heeft bestemd. Deze gave – dat zijn god een mens aan Christus geeft – is niet alleen eerder dan het geloof, maar is er het doel en de oorsprong van. Vanuit dit gezichtspunt wordt de genade niet gelijkelijk aangeboden aan iedereen. Dit zou dan steunen op een uitspraak van Jezus: ‘Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven is’ (Joh.6:65).

Bovenstaande uitspraak in het Johannesevangelie beeldt de confrontatie uit tussen de uitverkorenen naar hun natuurlijke afstamming en de Uitverkorene naar zijn geestelijke oorsprong. De Joden waren zich sterk bewust van hun verkiezing, maar ondanks dat voelden zij toch de superioriteit van Jezus. Zij vroegen Hem daarom: ‘Wat moeten wij doen, zodat wij de werken van God mogen werken?’ (Joh.6:28). Jezus antwoordde zijn tijdgenoten, die onbekend waren met het doel van hun verkiezing: ‘Dit is het werk van God, dat u gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft’ (Joh.6:29). Hoewel zij uiterlijk nog het volk van God waren, hadden zij volledig hun visie verloren op het getuigenis van ‘de wet en de profeten’. Zij waren afgezakt op een niveau, waarbij zij zochten zich waar te maken in natuurlijke dingen, in plaats van zich uit te strekken naar geestelijke zaken (Joh.6:26,27).

Geen natuurlijke afstamming

Jezus maakt duidelijk waar Hij staat. Het gezag achter Hem komt van de Vader. Jezus spreekt niet uit Zichzelf, noch zoekt Hij zijn eigen wil, maar Hij doet alleen wat God behaagt. Daarom is de Mensenzoon Zich bewust, dat allen die tot Hem komen, in feite door de Vader aan Hem worden gegeven, want Hij is Gods vertegenwoordiger. Bovendien is nu het geloof in Jezus Christus méér dan een vage en duistere voorstelling van God. Het is veel meer een concreet punt van beslissing waarmee God rekent als Hij de gehoorzaamheid van een mens beoordeelt. Jezus Christus beeldt heel duidelijk Gods wil uit en het doel van zijn eigen verkiezing. Hij schaft iedere vorm van uitverkiezing af volgens de lijn van natuurlijke afstamming als Hij zegt: ‘Want dit is de wil van mijn Vader, dat iedereen, die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft en Ik zal hem opwekken op de jongste dag’ (Joh.6:40).

Daarom, deze uitspraken van Jezus leren ons niet hoe een uitverkiezing door natuurlijke geboorte plaats moet maken voor een uitverkiezing van vóór de geboorte, maar wel, hoe de uitverkiezing van Israël is vervuld in de Uitverkorene. En in hen, die door het geloof in Jezus Christus uit dezelfde Geest geboren zijn! Lees wat er staat óf versta wat je leest!

Om Gods wil bespreekbaar te maken, ondanks zijn ogenschijnlijke duidelijkheid, brengt Calvijn een scheiding aan tussen de letterlijke opvatting van de Schriften en haar werkelijke bedoeling. Deze, tactiek wordt nu gebruikt tot ontmanteling van Paulus’ conclusie: ‘Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om zich over hen allen te ontfermen’ (Rom.11:32; Gal.3:22). Calvijn bestrijdt de gangbare opvatting over ‘allen’ en zegt daarvan:

  • ‘Alsof Paulus hier het aantal mensen bespreekbaar zou stellen en niet eenvoudigweg (mijn) god zou prijzen om zijn genade jegens allen, die tot behoud komen…’

Inderdaad, Paulus verheerlijkt God om zijn genade, maar dat betekent niet dat zijn genade hiermee beperkt is. Het feit blijft dat God zijn genade uitstrekt tot álle mensen, maar niet alle mensen grijpen de genade aan die hun wordt gebracht. ‘Van tijd tot tijd’, vervolgt Calvijn, ‘moet zijn god zich inspannen en dingen zeggen, die Hij niet werkelijk meent, om het beoogde effect te bereiken.’

Ezechiël legt de nadruk op Gods diepste gevoelens, wanneer hij zegt: ‘Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van, zijn weg en leeft. Bekeert u, bekeert u van uw boze weg! Want waarom zou u sterven, huis van Israël?’ (Ez.33:11; 18:23). Calvijn echter redeneert deze gedachte weg door te zeggen:

  • ‘Ik beweer, dat, als de profeet aanspoort tot boetedoening, hij daarmee duidelijk verklaart, dat god alle mensen wil behouden, maar… de wederzijdse betrekking tussen dreiging en beloften toont bij deze manier van spreken duidelijk aan, dat er voorwaarden aan zijn verbonden..’

Calvijn nu ziet het aandringen van God tot bekering of terugkeer van het volk meer als een manier van spreken over de bekering dan als een aanbieding van Gods genade.

In Augustinus’ voetstappen

Zelfs 1 Timotheüs 2:3,4 vormt voor Calvijn geen probleem als daar staat: ‘Dat is goed en aangenaam in de ogen van God, onze redder, die wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen.’ Bij de verklaring van deze passage volgt Calvijn de voetstappen van Augustinus en zegt:

  • ‘Wie ziet nu niet in, dat hier sprake is van groepen mensen en niet van de mensen individueel? Dit onderscheid geeft geen basis voor verdere opbouw. Wat bedoeld wordt is niet individuen uit de naties, maar naties van individuen…’

Het was inderdaad Augustinus, die, om zijn eigen doelstelling te bereiken, ‘alle mensen’ uitlegde als:

  • ‘het menselijke ras, in al zijn verscheidenheid van rangen en standen – koningen, onderdanen, edelen, plebejers, hoog, laag, geletterd of ongeletterd. En uit al deze klassen van de menselijke samenleving wenst mijn god er sommigen te redden…’

Augustinus had de basis gelegd voor Calvijns leerstellingen over absolute uitverkiezing. Echter gaat Calvijn verder dan Augustinus. De laatste stelde, dat zijn god kon toestaan dat slechte mensen verloren gingen. Calvijn echter bereikt het standpunt, dat zijn god daadwerkelijk wil, dat bepaalde mensen verloren gaan. Het verschil tussen deze twee standpunten is nu, dat als zijn god mensen wil vernietigen, dan is zijn wil voldoende. Wanneer echter zijn god de vernietiging toestaat, dan heeft zijn god te maken met een wil buiten hemzelf. Echter, de stellingen die in zijn geheel zo duidelijk zijn afgebakend in de leer van Calvijn, vinden hun oorsprong in Augustinus. De hoofdpunten zijn dan:

  • een almachtige god, die handelt naar zijn eigen goeddunken in hemel en op aarde;
  • de menselijke wil is verdorven vanwege de erfzonde;
  • geloof is een geschenk van god en wordt gegeven aan hen, die Hij verkiest.

Welnu, de leer van de uitverkiezing komt niet voort uit het Woord van God, maar is er onder geschoven en ondermijnt op die manier het gezag van het Evangelie van Jezus Christus.

Tot de eer van God

De hoofdzaak voor Calvijn was, net als voor Augustinus, dat:

  • ‘Wanneer hun god wilde, dat alle mensen gered werden en toch in de praktijk blijkt dat niet alle mensen gered worden, dan toont deze tegenstrijdigheid aan, dat de wil van hun god geblokkeerd is door zwakke mensen en dat de hun almachtige niet in staat is te doen wat hij wil.’

En de mens wordt niet alleen gezien als zijnde zwakker dan God, maar ook als iemand met een verdorven natuur. Dit leren Augustinus en Calvijn beiden, op grond van de erfzondeleer, die zij ontlenen aan de uitspraak: ‘alle mensen hebben in Adam gezondigd’. Daarom moet in de uitverkorenen de ‘verdorven wil’ van de mens zowel gecorrigeerd, of liever nog vernietigd worden, alsook vervangen worden door een goede wil, die hun god er Zelf inbrengt. Bovendien – hoewel hij zich bewust moet zijn van het absurde en tegenstrijdige – blijft Calvijn volharden bij het paradoxale karakter van de zondeval, als hij zegt:

  • ‘Het behaagde god om de dingen zó (als hierboven genoemd) te beschikken, ofschoon de mens zich niet in het minst uit eigen vrije wil in het verderf stortte, want hij was voordien begiftigd met een oprechte natuur en hij was gemaakt naar mijn godsbeeld’. 

Calvijn leert dus dat een mens op zijn eigen levensterrein de vrije beschikking heeft over zijn wil, maar dat hij desondanks daarin begrensd is door zijn verdorvenheid en aldus niet in staat is om verlokt te worden door de doelstelling, die zijn god heeft. Van de wil van de god van Calvijn is niet alleen bekend dat hij van een hogere orde is en in zichzelf goedheid, liefde en rechtvaardigheid draagt, maar hij staat ook diametraal tegenover de wil van de mens die van lagere orde is.

Onderworpen zijn of zich onderwerpen?

In deze onoverkomelijke botsing van de belangengroepen (de willigen en de onwilligen) zal de wil van de god van Calvijn overheersen ten koste van de menselijke wil, aldus Calvijn. Want zijn god zal de beraadslagingen van de mens terzijde schuiven, ook diens wil en inspanningen, zodat er niets gebeurt dan met zijn toestemming. De mens zal niets weloverwogen kunnen doen, tenzij zijn god hem inspireert. Deze overheersende god dan, die de mens onderworpen maakt aan zijn verborgen doel, laat aan de mensen geen enkele mogelijkheid open om zich vrijwillig te onderwerpen aan het doel van gods verheerlijking, ook niet al zou die mens zich tot de openbaring van gods wil in Jezus Christus aangetrokken voelen.

God naar het beeld van de mens of de mens naar Gods beeld?

Dus: ‘Mijn god is de oorsprong van alle dingen, die in de wereld gebeuren’, maar wanneer Calvijn onder druk gezet wordt, blijft hij stug volhouden, dat zijn god niet de auteur van het kwaad is, maar dat hij toch ‘werkt met de hulp van de Satan.’ Calvijn zegt: ‘Mijn god doet juist die dingen, die hij veroordeelt in Satan en de verworpen mens en die zelfs door de mensen worden veroordeeld.’ Het onderscheid ligt hier echter in het eind van alles, waarbij het contrast ontstaat, dat gods eind is zijn verheerlijking. Calvijn stelt het axioma:

  • ‘Hoe verkeerd en onrechtvaardig de dingen ook door de mens gedaan kunnen worden, juist zulke dingen zijn het rechte werk van mijn god.’

Wat de rechtvaardige handelingen van de god van Calvijn betreft, als hij sommigen uitverkiest en anderen verwerpt, ook dit vindt zijn einddoelstelling in gods verheerlijking. Om gods rechtvaardigheid te verdedigen maakt Calvijn herhaaldelijk gebruik van Paulus’ uitroep: ‘Wie bent u eigenlijk dat u, een mens, iets tegen God zou inbrengen?’ (Rom.9:20). Dat het goddelijk recht niet gemeten kan worden met het menselijk recht en dat men zijn god niet op hetzelfde vlak kan stellen als een heidense rechter, ontleent Calvijn aan Jesaja 55:8 als het eind van alle tegenspraak: ‘Mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, zegt de Heer.’

Ondanks deze tekst blijven we hier toch zitten met het wantrouwen, dat we te doen hebben met rechtsverkrachting en niet met een hogere vorm van gerechtigheid. Bovendien zijn wij geroepen om ‘navolgers van God te worden, als geliefde kinderen’ (Ef.5:1). Gods verheerlijking ligt in de volmaakte mens. God bond zichzelf toen Hij de mens schiep naar zijn eigen beeld. Daarom is de mens nauw verbonden met Gods doel. Zelfs na het tragisch bewijs van het onvermogen van de mens om met zijn vrije wil goed te handelen.

Niettemin, Gods plan veranderde niet na de zondeval. En binnen zijn reddingsplan bood God opnieuw de mens zijn middelen aan om deel te krijgen aan zijn doel. Hij deed het nu op een hoger niveau. Petrus zegt: ‘zodat wij deel zouden krijgen aan de goddelijke natuur’ (2 Petr.1:4). Echter, God jaagt de mens niet op, maar Hij respecteert hem naar zijn vrije wil, waarmee Hij hem geschapen heeft. Hij blijft de mens trekken door zijn liefde. Want buiten God is geen leven, dat wil zeggen geen eeuwig leven. Het doel, waarom God de mens heeft uitverkoren, is dan: ‘veranderd te worden naar het beeld van Jezus Christus’ (Rom.8:29), want dat is Gods glorie!