3. Tegenstrijdigheid in leer en praktijk

<<<<<

In de uiteenzettingen van de leer van de uitverkiezing door Calvijn, wordt het geloof door de verlichting van Calvijns’ god, bewerkt of ook wel door het innerlijk horen van het woord van zijn god. Omdat dit op gang brengen van het geloof onwederstandelijk is van nature, gebruikt Calvijn geloof, verlichting en horen, afwisselend. Bovendien zijn in zijn denken geloof en berouw op zichzelf gaven van zijn god.

‘Hij geeft wat Hij eist’!

Geloof is echter niet de gave zelf, maar een duidelijk omlijnde reactie op datgene wat van God gehoord is, of op datgene dat door de Heilige Geest verlicht is. Daarom is het geloof niet te scheiden van het voorwerp waarop het geloof gericht is. Persoonlijk geloof wordt verder door Calvijn op één lijn gesteld met het doen van goede werken, in plaats van het als de antithese ervan te beschouwen, zoals er staat: ‘Gerechtvaardigd zonder werken van de wet’ (Rom.3:28). Zo is dan bij Calvijn het geloof het werk van zijn god, het resultaat van zijn uitverkiezing en het is niet het werk van de mens dat zijn uitverkiezing zou kunnen bewerken. Om dit inzicht duidelijk te maken schrijft Calvijn op een andere plaats:

  • “god noemt hen geen uitverkorenen van wie Hij tevoren wist dat ze heilig en vlekkeloos zouden zijn, maar zodat zij zo zouden worden’ en ‘god heeft ons niet uitverkoren, omdat wij geloven, maar opdat wij zouden geloven…”

Beter gezegd is geloof in het woord van God het middel, waardoor wij de belofte van God realiseren, namelijk de belofte van reinheid net als die van de volmaaktheid. Binnen het raam van de uitverkiezingsleer is geen sprankje hoop voor de zoekende ziel om er zijn geestesoog op te richten. Ook brengt de uitverkiezingsleer een toestand van vrees in de mens vanwege diens precaire toestand en diens onberekenbare god van Calvijn. Deze doctrine wordt zelfs een barricade voor de mens die de zekerheid van het geloof zoekt, ja, men moet haar beslist langs een andere weg proberen te verwerven.

Maar is er dan nog wel een manier waardoor men weten kan of men het voorwerp is van een bijzonder genadevolle uitverkiezing en is er dan ook nog een zekerheid dat men inderdaad het ware geloof bezit? Zoals we al opmerkten, kwam Luther door het gegeven advies van Von Staupitz tot een soort schikking in zijn persoonlijk probleem met de uitverkiezing. Hij gaf dezelfde praktische raad aan Barbara Lisskirche (1531), een vrouw die blijkbaar gepijnigd werd met de vraag of zij al of niet tot de uitverkorenen behoorde. Luther vertelde haar dat de juiste oplossing van haar moeilijkheden hieruit bestond, dat ze zich moest afvragen of ze in Christus geloofde. Als dit zo is, wees er dan van verzekerd dat je geroepen bent en als je geroepen bent, wees er dan van overtuigd dat je uitverkoren bent tot een eeuwig behoud. Zelfs Calvijn raadde aan om de vraag betreffende het geloof van een andere kant te benaderen dan de uitverkiezingsleer dit doet. De zekerheid van iemands uitverkiezing wordt duidelijk door het feit dat hij in Christus gelooft. Dat hij van harte instemt met de prediking van het evangelie, is een teken van zijn uitverkiezing. De Heer vergezelt immers zijn uitverkorenen door ze te roepen maar ook door ze te rechtvaardigen. Deze rechtvaardiging wordt in onze gedragingen weerspiegeld. Hiervan zegt Calvijn:

  • “Hoe gering dan ook het resultaat moge overeenstemmen met onze wens, is toch onze arbeid niet tevergeefs, wanneer we het er vandaag beter afbrengen dan gisteren, als we maar in eenvoud van denken het doel voor ogen houden. Als we streven naar dit doel en wij ons zelf niet bedriegen met het koesteren van allerlei vleiende gedachten, als wij geen ondeugden vasthouden, maar voortdurend proberen beter te leven, totdat wij het goede zelf bereikt hebben, zijn we zeker van onze redding…”

Een zodanige verandering van inzicht om zo zekerheid van behoud te verwerven, heeft bij Calvijn een subtiele verschuiving van de kern van zaken met zich gebracht. De zekerheid van het geloof is niet langer meer in Christus, het voorwerp van ons geloof, maar in ons subjectief antwoord op of onze ervaring van Christus. De uitverkiezing is daarom geen leer die ‘een leven in geloof’ aanmoedigt, maar zij creëert een onoverbrugbare kloof tussen geloof en leven. Dit dualisme in de uitverkiezingsleer is voor de Bijbelbelgordel karakteristiek: aan de ene kant onderschrijft het autoritaire leringen en aan de andere kant leeft het met praktische regels van ‘eigen zaligheid uit te werken’. Helaas – het ontwaken zal voor hen vreselijk zijn. Rest ons dan nog te onderzoeken of dit ‘besluit van Calvijns god’ in overeenstemming is met zijn woord.

Geen verkiezing buiten de Uitverkorene

Calvijn:

  • “Niemand kan de leer van de uitverkiezing die ik heb uiteengezet, weerleggen, behalve hij die meent wijzer te zijn dan de geest van god…”

Zijn bedoeling was aan te tonen, dat hij niets betreffende de uitverkiezing leerde, dat niet door zijn god in zijn heilige schrift was neergelegd. Volgens Calvijn is Christus zelf uitverkoren en Hij is daarom een voorbeeld voor degenen die in de uitverkiezing gelooft. Calvijn leerde dat de uitverkorenen allen tot de Vader behoorden, voordat deze hen aan zijn eniggeboren Zoon schonk.

Vreemden voor Christus?

Hoewel uitverkorenen, waren ze toch vreemden voor Christus, maar deze maakte hen tot zijn eigendom door hen te verlossen. De woorden van Christus zijn te duidelijk om zo versluierd te worden weergegeven als Calvijn zegt. Jezus zei:

  • ‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekt; Een ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij’ (Joh.6:44,45). 

Deze conclusie mag dan in het uitverkiezingsraam passen, maar ‘trekken’, ‘gehoord’ en ‘geleerd’ staan in geen enkel verband met de betekenis van het woord ‘uitverkoren’. Uit de context zien we dat Jezus hier het wezen van zijn opdracht bespreekt. Hij is verwekt door ‘Gods Logos’ (Joh.1:1) en Gods Geest (en geen 3e deel van een verzonnen, Roomse godheid) en zo door zijn Vader gezonden. Hij representeert alleen maar de hemelse Vader en bovendien gaan zij die kennis hebben van deze Vader, tot Hem. Het gaat erover hoe de Uitverkorene Zich presenteert aan de Joden, aan een volk dat zich bewust was van zijn eigen uitverkiezing. Desondanks verwierpen zij de uitdrukkelijke vervulling van hun natuurlijke uitverkiezing, namelijk de Uitverkorene. Deze verwerping betekende de verzoening zonder enige voorkeur van de hele wereld (Rom.11:15).

Uitgaande van het standpunt van een ‘voorafgaande verkiezing’ redeneert Calvijn verder dat de verlossing van de gelovigen eigenlijk van deze eeuwige verkiezing van zijn god afhangt en dat de enige reden van deze verkiezing de god van Calvijns welbehagen is. Hij weerlegt dan zijn tijdgenoot Pighius, die hij ervan verdenkt dat deze leert dat de hele wereld in Christus uitverkoren is en op deze wijze het geloof van de mens de oorzaak maakt van de goddelijke uitverkiezing. Calvijn vindt steun in de woorden van Paulus: 

  • ‘Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons gezegend heeft in Christus, in Hem uitverkoren vóór de grondvesting van de wereld’ (Ef.1:3,4).

Dit gedeelte waarin de apostel zich richt tot de gelovigen, niet tot de wereld, als uitverkorenen, beklemtoont de voorwaarde van Gods keuze, dat is als de mens in Christus is. Christus is namelijk de ene en enige Uitverkorene van de Vader. Deze uitverkiezing wordt alleen maar gedeeld met hen die ‘in’ Christus geloven. (Grieks ‘in’ is ‘eis’, Engels ‘into’, wat een beweging aanduidt.) Zo is God de auteur van het uitverkiezingsplan door middel van de Uitverkorene. Het geloof ‘in’ Hem is geen oorzaak van onze verkiezing, maar een middel om deel te krijgen aan de verkiezing in Christus!

Johannes Calvijn:

  • ‘Uitverkoren tot openbaring van gods welbehagen, of tot eeuwige verwerping…”

Er is ook een tegenstelling ontstaan tussen het doel van de verkiezing, zoals dat enerzijds in de Bijbel wordt gesteld en anderzijds in de uitverkiezingsleer van Calvijn is verzonnen. Dit conflict over de doelstelling komt louter voort uit het wezenlijke verschil tussen de twee afzonderlijke bronnen. Neem het ‘Woord van God’. Hierin zijn de geheimen van Gods wil geopenbaard. Calvijn ziet in dit woord dat er een ‘besluit van zijn god’ is. Hij begint zijn lezers te waarschuwen voor dit besluit van verkiezing en verwerping. Het onderwerp, zegt hij:

  • “Is moeilijk, verwarrend en erg gevaarlijk voor iedereen, die probeert de geheimen van ‘gods’ wil te doorgronden, want het is ‘gods’ welbehagen om dit in zichzelf verborgen te houden…”

Zoals gezegd dienen, volgens Calvijn, uitverkiezing en verwerping tot verheerlijking van zijn god. Hun doelstelling, verborgen in zijn god, is voor de menselijke geest ondoorgrondelijk. Maar het doel van Christus, de Uitverkorene, is om een openbaring te zijn van Gods wil en een afstraling van zijn heerlijkheid (Hebr.1:3). Argwaan tegen zo’n leer en zelfs tegen Calvijns god van zo’n leer is wel gerechtvaardigd, omdat deze god aan de ene kant Zichzelf volledig openbaart in de Zoon en aan de andere kant Zich met opzet gedeeltelijk verbergt. Dit laatste schijnt nu in Calvijns gedachtegang helemaal geen tegenstrijdigheid te zijn. Hij gaat voort met uit de Schriften aan te tonen hoe oneindig diep de raad van zijn god is verborgen ten aanzien van verkiezing en verwerping… 

Jacob en Ezau

De verdediging van deze stelling wordt gevonden in de verkiezing van één van de tweelingen, Jacob en de verwerping van de andere, Ezau. Volgens Calvijn ging het er toen niet om dat zijn god na de geboorte onderscheidde wie een echte en wie een bastaard was, maar de zaak ligt veel dieper, namelijk dat diegenen kinderen van de belofte zijn, die door zijn god worden verkoren vóór zij zijn geboren. Er staat immers geschreven in Romeinen 9:10-13:

  • ‘Sterker nog, Rebecca was van onze vader Isaak zwanger van een tweeling en al voor ze geboren waren en nog niets goeds of slechts hadden gedaan, werd haar gezegd: ‘De oudste zal de jongste dienen.’

Het besluit van Calvijns god blijft namelijk van kracht: mijn god kiest een mens niet uit op grond van zijn daden, maar omdat hij hem roept. Zo staat er ook geschreven: ‘Jacob heb ik liefgehad, Ezau heb ik gehaat.’ Bovendien zegt Calvijn:

  • “Mijn god weet hoe te werken in de harten van de mensen, zodat de uitverkorenen, van nature onwillig, willig gemaakt worden en de verworpenen (zonder noodzaak) onwillig blijven…’

Dit facet van de uitverkiezing zou dan door Paulus geleerd worden als hij Israëls geschiedenis verder uitlegt. Over Farao zegt bijvoorbeeld de Schrift: ‘Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreid zou worden over de hele aarde’. De conclusie van Paulus is dan: ‘God ontfermt Zich over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil’ (Rom.9:17,18). Deze conclusie moet niet alleen gezien worden in het licht van Israëls verkiezing (boven de andere volken), maar volgens Calvijn bedoelt Paulus ermee dat de verkiezing al was gebeurd vóórdat de Israëlieten waren geboren. Hij houdt daarom vol:

  • “Dat de goede wil of onwil van de mens afhankelijk is van gods uitverkiezing of verwerping reeds lang tevoren…”

De sleutel van dit Bijbelgedeelte ligt echter in de vraag, die gesteld wordt in Romeinen 9:19: ‘Wie kan zijn wil weerstaan?’ Want inderdaad, God heeft zijn wil getoond in uitverkiezing en uiteindelijk in de Uitverkorene. Hoewel de uitverkiezing niet na te rekenen is met ons menselijk verstand, toch ligt er niets duisters in. Gods rangorde (uitverkiezing) werd geopenbaard aan Rebekka. Ezau erkende deze rangorde toen hij zijn eerstgeboorterecht verkocht. Zo werd ook Farao door Mozes geïnformeerd over Israëls verkiezing.

Het is dus niet zo, dat de uitverkiezing is gebeurd op grond van Gods voorkennis van de toekomstige ontwikkeling in de mensen, zoals Calvijn nauwgezet beweert, maar op grond van Gods wil. De uitspraak: ‘Jacob heb Ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat’, is niet een voorbeschikking van voor de geboorte, ook is het geen kernbestanddeel van de leer van de uitverkiezing, maar een gevolg van het gedrag van deze twee broers. Het is – zoals geschreven is – een verbolgenheid van God tegenover het verzaken van de rangorde: ‘De oudste zal de jongste dienen’ (Rom.9:12).

Let wel dat in Genesis 25:23 niet over haten wordt gesproken. Dit komt pas ruim duizend jaar later aan de orde bij de profeet Maleachi, als God vaststelt dat Edom – het volk van Ezau – zich goddeloos heeft gedragen. Bovendien spreekt het Oude Testament vaak sterk in zwart-wit. Haten is dan: ‘minder, beneden stellen’. Ook Jezus bedient zich daarvan als Hij zegt: ‘Wie Mij wil volgen, moet haten vader, moeder, tot zijn eigen leven toe’. Net als Ezau weerstond ook Farao de wil van God. Hij verwierp niet alleen Israël als natie, maar hij verdrukte dit slavenvolk tot de dood toe, hoewel het toch Gods uitverkorene was. Daarom werd de strijd tussen deze twee naties een krachtmeting van de hoogste orde. De wil van God, namelijk de vervulling van zijn beloften en het doel met Israël, stonden op het spel. In deze kritieke toestand spreekt God tot Mozes, de vertegenwoordiger van het uitverkoren volk: ‘Ik zal Farao’s hart verharden’ (Ex.7:3). Dit is een aanwijzing van Farao’s volhardende houding van toen af. Want zelfs om zijn eigen volk te redden deed Farao geen enkele diplomatieke concessie ten opzichte van Israël. En ondanks de overtuigende wonderen, die Mozes deed, verhief Farao zich boven Gods uitverkorene (Ex.9:17). God voltrekt nu zijn oordeel door voor zijn uitverkorenen een weg tot redding te banen door de Rode Zee en op diezelfde weg de grimmige verdrukkers te laten omkomen. Zo werd God verkiezing bekend over de hele wereld.

Samengevat:

Gods wil wordt geopenbaard in zijn uitverkiezingsplan en aan de rechtspositie, die Hij daarin aan de voorwerpen van zijn verkiezing toekent, namelijk ‘tot eer’ (Gr. timèn) of ‘tot oneer’ (Gr. atimian). Wat nu betreft de voorwerpen van Gods toorn en de voorwerpen van Gods ontferming – dus twee elkaar uitsluitende groepen – Paulus beweert nadrukkelijk dat Gods macht wordt getoond doordat Hij de voorwerpen van toorn verdraagt en Zichzelf verheerlijkt in de voorwerpen van ontferming. De eersten eindigen in totale vernietiging, de laatsten, die tevoren zijn toebereid, in heerlijkheid (Rom.9:22,23). Op deze manier stelt Paulus dat God de God is van de Uitverkorene, Christus, in Wie redding is, zowel voor Joden als voor heidenen. Maar Hij is niet de God van de verworpenen, dit wil zeggen van hen die Jezus Christus verwerpen. Bovendien, Gods heerlijkheid is geopenbaard in Christus en zal geopenbaard worden in allen, die deel hebben aan Christus’ uitverkiezing.

 

>>>>>