Calvijns heksenproces

Calvijns wipgalg en zijn moorden in het proces van Peney

Dr. Hommes schrijft in zijn boek ‘Misère en grootheid van Calvijn’ niet alleen over de grootse dingen die Calvijn gedaan heeft, maar hij is ook eerlijk over de wreedheden die Calvijn in zijn leven begaan heeft. Wij citeren:

  • ‘Wij komen alwéér in een harde, wrede en bijgelovige wereld terecht. De vraag of Calvijn, die, zoals we zagen, leefde in een tijd van onmenselijke wrede doodstraffen, zelf van aard ook wreed was, wordt door tal van onder zoekers bevestigend beantwoord en vooral op grond van het feit, dat hij met de vreselijke executie van de 34 ongelukkige zogenaamde ‘pestzaaiers’ akkoord ging.

Ook de rooms-katholieke historicus Kampschulte in zijn klassiek standaardwerk: ‘Johannes Calvijn, zijn Kerk en zijn Staat in Genève’, die overigens uitmunt in een rustig beheerst afwegen van de gegevens, neigt er toe Calvijn gespeend te zien van menselijk gevoel en ontferming. Op Calvijns conto vermeldt Kampschulte in dit verband wel, dat op zijn bevel de Raad de beul opdracht gaf om na het hand afkappen de dood door verbranding te verhaasten en wel door wurging of anderszins. Daar tegenover staat dat niet alleen het feit, dat Calvijn geheel instemde met de afschuwelijke massaexecuties, maar vooral de onverstoorbaarheid en zakelijkheid, waarmee hij in een brief van maart 1545 aan zijn vriend Myconius verslag doet van de zo juist voltrokken gruwelijke doodstraffen, laat volgens Kampschulte zien, ‘tot welk een graad, menselijk gevoel en erbarming bij deze strenge geest zoek is geraakt’ en hij voegt er aan toe:

  • ‘Ja, Calvijn heeft het niet beneden zijn waardigheid geacht in eigen persoon zogenaamde tovenaars en ketters bij de overheid aan te geven, ‘opdat dit geslacht uitgedelgd worde’ (Kampschulte, J, 427 v.).

Met deze opmerking bedoelt Kampschulte, zonder er verder op in te gaan en zonder ook maar de naam Peney, dorpje 2 uur buiten Genève gelegen, te noemen, Calvijns ingrijpen in het heksenproces aan het eind van het bloedige jaar 1545, dat in Genève begonnen was met de terechtstelling van 34 ongelukkige stakkers, allen slachtoffers van een voor ons nu afschuwelijk bijgeloof inzake een uit excrementen van de duivel bereide pestzalf. Gewoonlijk spelen in heksenprocessen vrouwen een grote rol.

Heksenprocessen

Merkwaardig is, dat in het proces van Peney onder de verdachten, mannen de meerderheid vormen. De burchtheer van Peney is intussen vol ijver met het onderzoek bezig geweest. In de Raadprotocollen van 15 okt. 1545 lezen wij:

  • ‘dat hij aan de Raad heeft bericht, dat onder de zes verdachten één vrouw de misdaad van toverij heeft bekend en daarna weer herroepen. Hij vraagt tevens om nadere instructies en toezending van de folterwerktuigen! De Raad besluit tot voortzetting van het rechtsgeding en aan de burchtheer het gevraagde te zenden.’

Uit de protocollen van 22-26 oktober 1545 blijkt, dat één gevangene kans gezien heeft te ontvluchten en dat in verband daarmee besloten wordt de nalatige wacht als ook de gevangenen naar Genève te voeren. De protocollen van 28 oktober 1545 vertellen ons dan, dat de verdachten gemarteld zijn en bekend hebben, dat ze nog meer slechte dingen hebben gedaan. Voorts lezen we daar dat de folteringen van een echtpaar zó vreselijk waren, dat de man daarbij zó verminkt is, dat men voor zijn leven vreest. Verder wordt daarin gezegd, dat de Raad besluit alsnog de procesacte aan de officier van justitie te geven, diens oordeel te vragen en dat dan aan de Raad voor te leggen. Er wordt met spoed gewerkt, want de volgende dag 29 oktober 1545, vermelden de protocollen, dat de burchtheer Donzel de processtukken van het echtpaar Claude de Bourgealx heeft meegebracht, tegelijk met het oordeel van de officier van justitie, die de mening is toegedaan, dat ze verbrand moesten worden.

Tot afschrikwekkend voorbeeld moesten de inwoners van enkele naburige dorpen de ter dood veroordeelden begeleiden naar de plaats van executie. Pfister wijst er op, dat men de indruk krijgt dat de Raad met grote spoed aandringt op het vonnis van dit echtpaar, omdat de man bij het onderzoek zo zwaar verminkt was, dat men voor zijn leven vreesde. Stierf hij vóór de uitspraak van het officiële vonnis, dan zou men de overheid van een justitiële moord kunnen beschuldigen. De burchtheer Donzel en de openbare aanklager, dringen dan ook reeds de volgende dag bij de Raad aan op voltrekking van het vonnis. In dit verschrikkelijke klimaat nadert dan snel 19 november 1545, waarop Calvijn bij de Raad van Genève ingrijpt in het heksenproces en aandringt om nog verdere misdadigers op te sporen ten einde zodanig ras in genoemd gebied uit te roeien: extirper telle rasse de la terre.

Enig onderzoek….

Hoe verschrikkelijk wreed het was toegegaan bij de executie van de 34 ‘pestzaaiers’ in het begin van het jaar 1545, laat het geval van een van de 34 ongelukkigen zien. Op 13 mei van dat jaar werd een van de veroordeelden, een zekere Boulat, tot de vuurdood veroordeeld. Vooraf had hij negen estrapades – optrekken met op de rug gebonden handen aan een wipgalg, die men dan liet neerploffen – meegemaakt en viermaal het met gloeiende tanden knijpen in het lichaam! Wij menen, dat de conclusie van de Zwitserse hoogleraar in de geschiedenis te Genève, Amidie Roget (1825-1883) in zijn werk: ‘Geschiedenis van het volk van Genève’, door Pfister geciteerd, dan ook juist is. Roget schrijft:

  • ‘Wij betreuren het te moeten zeggen, dat de kerkelijke overheden’ (bedoeld zijn Calvijn en Bernard), bij deze gelegenheid de ijver van de Raadsleden meenden te moeten stimuleren’ (II. pag. 178).

Er is duidelijk tegenstelling tussen de Raad van Genève en Calvijn m.b.t. de heksenprocessen en die tegenstelling ligt in de scherpte van aanpak. Vinden wij de Raad van Genève al barbaars streng, Calvijn meent dat hier geen enkele tolerantie of concessie mag worden gedaan, gelijk dit bij het echtpaar Melliez was geschied. Daarom de aansporing tot verder doortastend onderzoek. Eén ding is onomstotelijk en wel, dat Calvijn vanuit zijn religieuze overtuiging en vanuit zijn theocratische exegese van het O.T., ingegrepen heeft op 19 november 1545 in het heksenproces van Peney. Hij leefde in de volstrekte overtuiging, dat ketters en tovenaars met de vuurdood gestraft moesten worden.

De vraag is nu, of men daaruit met recht mag concluderen, dat Calvijn wreed was. Heeft Kampschulte gelijk, als hij beweert, dat bij Calvijn in een bedenkelijke graad menselijk gevoel en erbarming zoek was? Heeft Pfister gelijk, als hij op grond van het heksenproces en Calvijns ingrijpen, concludeert, dat Calvijn wreed was? Bij eerste aandrift zijn wij geneigd de vraag bevestigend te beantwoorden en uit te roepen: ‘wat een monster is deze man geweest!’ En toch liggen de dingen niet zo eenvoudig:

  • ‘Ameyd Damex had bekend een duivelaanbidder te zijn en in de synagoge van de Satan te zijn geweest. Volgens de notulen van 12 november 1545 is de arme kerel, die later zijn bekentenis weer herroepen had, op een verschrikkelijke wijze gemarteld en wel door een zeven-en-een-halve ‘estrapade’ – het optrekken van een verdachte aan een wipgalg, die men dan plotseling liet vallen – en zal hij aan verdere pijniging onderworpen worden, omdat hij de ‘waarheid’ niet wil erkennen.’

Onmiskenbaar hard en wreed

Uit de Raadsnotulen van 23 november lezen we, dat Damex bekend en weer ontkend heeft tovenaar te zijn en dat hij de foltering van de estrapade heeft ondergaan, waarbij zijn linkerarm is opengescheurd. Ook valt dan het besluit om nieuwe folteringen op hem toe te passen om hem, zoals het heet, te ‘verontrusten’. Dit is inderdaad dan ook gebeurd, waarover in de Raadsnotulen van 8 december 1545 wordt gehandeld. Men heeft hem de voeten boven een vuur laten verbranden, maar ondanks deze afschuwelijke folteringen, volhardt de man in zijn vroegere herroeping van de bekentenis, duivelaanbidder te zijn geweest. Op 8 december neemt de Raad een beslissing over het lot van deze man. Hij wordt niet, zoals Calvijn en Bernard op 19 november voor alle tovenaars hadden geëist, ter dood gebracht, maar voor altijd uit het gebied van Peney verbannen en wel op straffe des doods bij terugkeer.

Ondanks Calvijns ingrijpen in de heksenprocessen, waarbij hij aandringt op radicale uitroeiing van alle tovenaars, neemt de Raad hier toch een andere beslissing, al is deze dan ook voorafgegaan door onmenselijke, maar voor de tijd gangbare folteringen. Het vonnis over de ongelukkige verminkte Damex – opengereten arm en verbrande voeten – is duidelijk bewijs, dat de Raad van Genève tegen de bedoeling van Calvijn in waagde te vonnissen en diens radicalisme afwees. Deze zgn. pestzaaiers waren onschuldige mannen en vrouwen. Zij werden gemarteld en gevonnist op grond van een misdaad die slechts in de verbeelding van Calvijn en c.s. bestond. Wij geloven inderdaad dat er bij deze heksenprocessen dienstknechten van de satan betrokken waren. Deze bevonden zich echter niet onder de arme, gemartelde slachtoffers, maar onder hun vrome vervolgers die constant de mond vol hadden over ‘de ere Gods’.

Dr. Hommes besluit dit aangrijpende hoofdstuk van zijn boek als volgt:

  • ‘Wij moeten deze verschrikkelijke episode van het heksenproces van Peney hier nu afsluiten. Samenvattend menen wij te moeten concluderen, dat Calvijn met zijn ingrijpen in dit heksenproces en zijn aandrang bij de 0verheid om nog radicaler op te treden, onmiskenbaar hard en wreed is geweest. Deze hardheid en wreedheid komt stellig ook voor een deel bij hem en wel zijn tijdgenoten op rekening van de algemene angstpsychose voor ‘pestzaaiers’ – een afschuwelijk bijgeloof uit die tijd – maar tevens ook uit de overtuiging, dat dit ‘selon Dieu’ was volgens Exodus 22:17-19.’

Geen spoor van berouw!

Merkwaardig is dat we – Pfister wijst daar ook op – bij Calvijn over dit optreden geen spoor van berouw vinden, zelfs niet op zijn sterfbed. Dan doet hij wel ootmoedig boete over zijn ‘ingenium irritabile’, zijn driftkarakter. Zijn theocratische visie op de stadsstaat Genève en de daarmede samenhangende exegese van het O.T. hebben de harde wreedheid bij Calvijn in de heksenprocessen van Peney gevoed en hem verblind en in strijd doen handelen met wat hij zelf in zijn exegese over Simon de tovenaar zo voortreffelijk uiteengezet heeft over het onderscheiden beoordelen van zonde en zondaar. Calvijn leefde in een afschuwelijk harde en wrede tijd. Naar de maatstaf van het Evangelie is echter zijn intolerantie hier te veroordelen. Het boek van dr. Hommes bevelen wij van harte aan.