Onze plaats t.o.v. Christus

Eén van de mooiste kerngedachten van het evangelie is dat de gelovigen: ‘door God tevoren ertoe bestemd zijn om gelijkvormig te worden aan het beeld van Gods Zoon’ (Rom.8:29). De hier geciteerde uitdrukking uit de Romeinenbrief wil echter beslist niet zeggen dat wij aan Jézus gelijk worden. Dat is ten enenmale onmogelijk. Zijn niveau, positie en functie komt Hem alleen toe. Hierin is en blijft de Heer uniek. God roept ons op gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon. Zoals honderd cirkels in grootte kunnen verschillen, hebben ze wèl alle dezelfde vorm. Zó wil ook het evangelie ons vormen naar hetzelfde beeld van Jezus, namelijk: ‘de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle ontwikkeling gekomen volheid van Christus’ (Ef.4:13), volkomen gerechtvaardigd en geheiligd (1 Joh.3:3), volmaakt (Matth.5:48), God alles in u (1 Cor.15:28). Nergens is er in de Bijbel sprake van gelijkheid. Jezus is de eerste, de eniggeboren Zoon van de Vader, de Christus, Heer, de Koning van de koningen, enz. Hij alleen zit in het midden van de troon van God. Alleen de mens Jézus komt aanbidding toe. Wij zullen goed moeten beseffen dat Hij boven ons staat als eniggeboren Zoon van God, de Geliefde, Lam van God, Christus, Heer, Hoofd, Hogepriester, Leider, Heiland, Herder, Koning, beeld van de onzienlijke God!

Gelijke voet?

Wie na het voorgaande nog zou denken dat wij Jezus, nu wij Hem als mens weten en niet als God, aan ons gelijk stellen, zal tot een tegengestelde conclusie mogen komen. Anderzijds is het zijn liefde ons als broers aan te spreken (Hebr.2:12,17). Maar dat moet ons geen aanleiding zijn om op gelijke voet met Hem te staan. Wij zullen Hem altijd in onze gedachten, spreekwijze, gebeden en houding die plaats geven die Hem toekomt. Geen democratie, geen nivellering, geen maatschap, maar eerbied en ontzag. Sommigen vragen zich af of hierdoor onze grote en verheven Heer niet heel ver van ons af komt te staan. Nee! God heeft ons juist geroepen tot gemeenschap met zijn Zoon (1 Cor.1:9). Hieruit leren we de overweldigende liefde van God kennen: wij mogen één worden met de Christus.

Uit de vier evangeliën leren we hoe de Heer solidair met ons is, te midden van ons wandelt, bij ons is al de dagen. Hij kent ieder van zijn volgelingen persoonlijk. En wie zijn woorden bewaart, aan die zal Hij zichzelf openbaren (Joh.14:21). Door zijn grote liefde voor ons is Hij zeer nabij (Fil.4:5b). Wie zijn plaats weet, mag vrijmoedig naar zijn troon gaan om hulp en raad naar zijn grote barmhartigheid en genade te ontvangen (Hebr.4:16). Hij is de goede Herder!

In algemene zin mag men stellen dat in de huidige wereld het christendom als een religie wordt gekend. Hoewel haar boodschap voor de meesten verborgen is, weet men wel dat Jezus het middelpunt ervan is. Zijn naam is bekend en ook het kruis dat nauw met Hem verbonden is. Vooral het rooms-katholicisme is daar de oorzaak van. Het kruis, met of zonder corpus eraan, is zelfs het symbool van haar instituut. Bij onze bestudering van aspecten over Jezus Christus hoort dan zeker de betekenis en waarde van het kruis en zijn naam. Ze horen immers bij het fundamentele deel van het evangelie. De apostel Paulus staat bij ons te boek als een broeder die zich in zijn brieven bediende van zeer compacte uitspraken. Wij noemen de drie volgende:

  • ‘De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God’ (1 Cor.1:18).
  • ‘Ik had besloten u geen andere kennis te brengen dan die over Jezus Christus, de gekruisigde’ (1 Cor.2:2)
  • ‘Maar ik, ik wil me op niets anders laten voorstaan dan het kruis van Jezus Christus, onze Heer’ (Gal.6:14a).

Het is overbodig te zeggen dat bij de uitleg van een tekst gelet moet worden of hij soms in een bepaald verband staat met de omringende teksten. Voor de hierboven geciteerde uitspraken geldt dat in ieder geval. In zijn brief aan de Corinthiërs brengt Paulus al snel het probleem van hun onderlinge verdeeldheid ter sprake. Gelet op zijn afwijzing van aardse wijsheid (1 Cor.1:18-25) en zijn opmerking ’Als iemand meent wijs te zijn’ (1 Cor.3:18), blijkt dat een aantal gemeenteleden roemden in hun aardse wijsheden als oorzaak van hun levensverbetering. De apostel herinnert hen er echter aan dat zij alleen roemen mogen in de Heer (1 Cor.1:31). Alleen door Jezus’ verzoenend werk is hun levensvernieuwing een feit geworden. Dàt volbrachte werk vat hij samen in de uitdrukking ‘het kruis van Christus’.

De gemeenten in Galatië waren op een ander punt onderuit gegaan. Joodse ‘christenen’ hadden hen misleid om hun redding te zoeken bij de wet en o.a. de besnijdenis. Met niet mis te verstane bewoordingen weerlegt de apostel deze leugen. Niet door je inspanning en prestaties ten aanzien van het onderhouden van allerlei geboden, maar door geloof alleen wordt de mens behouden. En dat op basis van Jezus’ volbrachte werk (Gal.5:5)! Er is alleen roem in het ‘kruis van Christus’. Los van het feit dat Paulus kordaat moest optreden in de gemeenten tegen leugen en dwaling, is de uitdrukking die hij bezigt op zich genomen prachtig: het kruis van Christus. We tekenen hierbij aan dat naast het lijden en sterven van Jezus daar uiteraard ook de overwinning op de duivel en de opstanding uit de doden onder valt. Zonder dat zou immers het kruiswerk van de Heer geen enkele waarde hebben gehad. Lees bv. 1 Petrus 1:3. Het eeuwenlange corpus op kruisen laten hangen door Rome is daarom in wezen een verkapte vervloeking.

Het zal duidelijk zijn dat het van groot belang is een zuivere begripsvorming over de uitdrukkingswijze van Paulus te ontwikkelen in ons denken. Als de apostel schrijft ‘het woord van het kruis’, dan doelt hij daarop. Er is een woord, een boodschap, een inzicht, een lering over dat kruis. Het kruis heeft ons iets te zeggen. En dáár gaat het om. Zo worden ‘kruis’ en ‘bloed’ beelden van een geestelijke werkelijkheid. Het zijn twee woorden die een hele wereld van gebeurtenissen en zegenrijke gevolgen in zich bergen voor de hele schepping. Dié willen we leren kennen en geloven, tot heil voor ons en allen die er naar willen horen.

Gebeurtenissen

Jezus gaf in Gethsémane zijn leven over in de macht van de duivel. Die handeling was het gevolg van de transactie tussen beiden. Jezus bood zich vrijwillig aan om in onze plaats het bezit van de vijand te worden, opdat wij vrijgelaten, verlost zouden worden uit zijn macht (Col.1:13,14). Denk hierbij aan zijn ontroerende woorden tijdens die confrontatie: ’Als u dan Mij zoekt, laat dezen heengaan’ (Joh.18:8). Aangezien Jezus niet tegen vlees en bloed streed (zijn medemensen, vriend en vijand), hadden deze woorden hun bedoeling en betekenis in de geestelijke wereld. Trouwens, zijn hele lijden speelde zich daar af, ongeacht wat Hij naar het vlees leed onder de pijnigingen. De Heer gaf zijn leven als (ver)losprijs voor de mensheid (1 Tim.2:6). Hij stierf lichamelijk en kwam naar de inwendige mens in het dodenrijk (1 Petr.3:19). In de zienlijke wereld werd daar een afbeelding van gegeven: bloedstorting (Hebr.9:22).

  • ‘Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel’ (Lev.17:11).

Omdat Hij daarbij in onze vervloekte zondeslaafsituatie ging staan, werd deze vervloeking ook in de zienlijke wereld afgebeeld: kruisigen. ‘Vervloekt is ieder die aan het hout hangt’ (Gal.3:13). Om deze redenen dus de dood door kruisiging en niet op enige andere wijze. Satan kon vanuit zijn denken en streven niet anders doen dan Jezus’ aanbod accepteren. Er mocht van hem immers nooit een mens van God op de troon komen en Jezus was al aardig op weg daarheen. Dat moest ten koste van alles voorkomen worden. Nu werd hem de gelegenheid daartoe geboden. Als zijn compagnon Dood erin slaagde Jezus voor eeuwig vast te houden dan zou hij alle andere mensen ook opgesloten kunnen houden in het dodenrijk. Maar zelfs als het anders zou lopen, wat zou God nu nog kunnen beginnen met al die gebonden en beschadigde zondaars. Daar zat toch geen toekomst meer in. Daarbij zou hij ze toch niet zomaar vrijlaten. Wat kon hem, als leugenaar en bedrieger, die transactie schelen.

Hoe anders is het, God zij dank, gelopen: ‘God heeft Jezus opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood, omdat het niet mogelijk was, dat Hij door hem werd vastgehouden’ (Hand.2:24). Deze opstanding was eerlijk. Satan was niet in de val gelopen, want zo werkt God niet. Ten eerste had Jezus zelf diverse malen openlijk meegedeeld dat Hij op de derde dag uit de doden zou opstaan (bv. Luc.18:33b). De vijand wist ervan; geen verborgen valstrik dus. Ten tweede was Satan er niet in geslaagd om Jezus tot zonde, ongehoorzaamheid te verleiden (bv. Marc.15:29-32; Luc.23:39). De Heer bleef rechtvaardig en een rechtvaardige ontvangt nooit het loon van de zonde: de dood. Jezus bleef het recht op leven behouden en hoefde dus niet in de dood te blijven. Ten derde is het Gods wil dat de (rechtvaardige) mens in heilige Geest is.

Doordat Jezus in zijn rechtvaardigheid was blijven staan, werd Hij na zijn overwinning op de satan aan het kruis opnieuw met Gods Heilige Geest vervuld (Luc.23:46). In die toestand was Hij sterker dan de geestkracht van Satan en Dood samen. Jezus was door hen niet tegen te houden tijdens de opstanding. Tenslotte bevestigt God het geloof van zijn Zoon, ‘zijn zonen’ (Col.2:7b en naar Op.2:7). Jezus had op geheel juiste wijze naar Gods wil gehandeld (Mat.26:42c). Het eeuwige leven viel Hem rechtmatig ten deel.

De zonde

Ter verduidelijking wijzen we erop dat het ‘in een bepaalde situatie verkeren’ iets anders is dan de ‘persoon zelf’ die er in verkeert. Aan het kruis werd Jezus zèlf geen zondaar. Dat was nu juist zijn overwinning! Hij stierf als een rechtvaardige voor onrechtvaardigen (1 Petr.3:18). Daar stond of viel het hele gebeuren mee. Hij droeg onze zonden door in de slaafsituatie van de zondaar te gaan staan en de innerlijke en lichamelijke gevolgen daarvan te ondergaan (Jes.53:12; Fil.2:7). Daarom was Hij in die toestand zonder Gods Heilige Geest (Marc.15:34). Hij heeft het lichamelijk sterven ‘gesmaakt’ en vertoefde daarna in het dodenrijk (Hebr.2:9; 1 Petr.3:19,20). Door het verkeren in al deze situaties werd Hij ‘tot zonde gemaakt’ (2 Cor.5:21). Deze woorden betekenen niet dat Hij de zonde zèlf werd. Dat kan een mens namelijk nooit worden.

Zonde is: satan en zijn demonen en vervolgens een term voor het totaal van de verkeerde handelingen die het gevolg zijn van de inwerking van die boze geesten op mensen (Joh.8:44; Rom.7:20; Ef. 2:2; 1 Joh.3:8a). Zouden er geen demonen zijn ontstaan dan zou ook de zonde nooit hebben bestaan.

Transactie is transactie, afspraak is afspraak, recht is recht. God handhaaft het recht, want Hij is rechtvaardig. Hij houdt Zich wèl aan de afspraak. Ieder mens die door persoonlijk geloof dit verzoenend werk van Jezus aanvaardt tot zijn redding en rechtvaardigmaking, wordt door God bevestigd. Hij geeft hem/haar macht om een kind (zoon) van God te worden (Joh.1:12). ‘Hij heeft ons verlost uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van zijn geliefde Zoon, in wie wij de verlossing hebben, de vergeving van de zonden’ (Col.1:13,14). Die verlossing houdt het volgende in:

  • Vergeving / kwijtschelding van zonden: Col.1:14; Col.2:13
  • vrijwaring van straf / veroordeling: Jes.53:5; Rom.3:19-26; Rom.8:1
  • bevrijding uit de macht van Satan: Hand.26:18
  • bevrijding uit de macht van Dood: Joh.8:51; 2 Tim. 1:10; Hebr.2:14; 1 Joh.3:14
  • vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood: Rom.8:2
  • vrijgekocht van de vloek van de wet: Gal.3:13
  • vrijkoping uit dienstbaarheid aan de wet: Gal.4:5.

Het hele verzoeningswerk van Jezus wordt in het Nieuwe Testament vaak samengevat met de woorden ‘kruis’ en ‘bloed’. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

  • om niet het kruis van Christus tot een holle klank te maken (1 Cor.1:17)
  • het aanstotelijke van het kruis van kracht beroven (Gal.5:11)
  • vervolgd worden ter wille van het kruis van Christus (Gal. 6:12)
  • en die twee weder met God te verzoenen door het kruis (Ef.2:16)
  • vijanden van het kruis van Christus (Fil.3:18)
  • vrede gemaakt hebbende door zijn bloed aan het kruis (Col.2:20)
  • Nu door zijn bloed gerechtvaardigd (Rom.5:9)
  • de verlossing door zijn bloed (Ef.1:7)
  • dichtbij gekomen door het bloed van Christus (Ef.2:13)
  • ingaan door het bloed van Jezus (Hebr.10:19)
  • vrijgekocht met het kostbare bloed van Jezus (1 Petr.1:19)
  • Hij heeft ons verlost door zijn bloed (Op.1:5)
  • U hebt hen gekocht met uw bloed (Op.5:9).

Met deze twee termen wordt niets minder, maar ook niets meer bedoeld. Zij duiden beide op dezelfde fundamentele zaken: redding, vergeving, verlossing. Alleen op bovengenoemde wijze is het voor een mens mogelijk om van een verloren zondaar een behouden kind van God te worden. Deze is dan meteen erfgenaam geworden van God, dus een mede-erfgenaam van Jezus Christus (Rom.8:17). Dit betekent dat hij mag delen in de goddelijke natuur (2 Petr.1:4). Dat houdt in praktische zin in een ontvangen van en leven met allerlei geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten (Ef.1:3). Denk aan de doop met Gods Heilige Geest, de heerlijke gevolgen ervan in het kunnen gaan werken met geestelijke gaven (1 Cor.12:1-11), overwinnen over de boze geesten (zonden, ziekten, leugen, persoonlijkheidsvijanden, enz.), bevrijding en herstel, het ontwikkelen van geestelijke vrucht (Gal.5:22), de groei in kennis, geloof en liefde, uitlopend op volmaaktheid en gelijkvormigheid aan Jezus’ beeld. Al deze genade is ondenkbaar zonder het volbrachte werk van Jezus en ons geloof erin. Van de zonen van God in de eindtijd staat vermeld dat zij tenslotte de duivel zullen overwinnen, allereerst door het ‘bloed’ van het Lam (Op.12:11a).

Fundament

Vanaf het moment van onze bekering tot in het einde zal ons levensfundament niets anders zijn dan ‘Christus en die gekruisigd’. Een andere grondslag voor ons bestaan is er niet. Als er in het evangelisch jargon gepraat wordt over ‘niet bij het kruis blijven staan’, wordt daar natuurlijk nooit mee bedoeld dat gelovigen na hun bekering Jezus’ verzoeningswerk niet meer nodig zouden hebben. Zij kunnen hun rechtvaardigheid handhaven door te ‘blijven’ geloven in dat werk. Wat ze zijn, zijn ze door Hem geworden. Het is en blijft hun fundament!

Naast Openbaring 12:11a is ook 1 Johannes 2:1,2 van belang: ‘Dit schrijf ik u, zodat u niet tot zonde komt. En als iemand (toch weer) gezondigd heeft, dan hebben wij een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden’. Onvolkomen en onvolwassen christenen hebben het bloed nodig, omdat zij nog wel eens struikelen. Niemand is immers in één dag volmaakt en volwassen. Dat is geen schande, maar een realiteit binnen de gegeven situatie van een gevallen en beschadigde mensheid. Door juist steeds een beroep te doen op het reinigend bloed van Jezus, blijven onze ‘gewaden wit, omdat ze door het bloed van het Lam gewassen zijn’ (Op.7:14). Ook in het ontwikkelen en onderhouden van een zuivere gemeenschapszin in de gemeente is na het eventueel tegen elkaar zondigen steeds weer een vrijmoedig en gelovig beroep mogelijk op het bloed van Jezus. ‘Als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar; en het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde’ (1 Joh.1:7). Licht, gemeenschap, bloed, deze hebben een relatie en functie. Door het bloed mogen we vrijmoedig tot de troon van de genade gaan om hulp te verkrijgen (Hebr.4:14-16).

Verdergaan

De uitdrukking van sommigen: ‘niet blijven staan bij het kruis’ geeft aan dat er meer door onze goede God in zijn Zoon aan de mensheid is geschonken dan alleen maar vergeving en redding. We noemden al de geestelijke zegeningen, de erfenis van de goederen van God (Hebr.9:11). Door het bloed mogen we het heiligdom binnengaan, het koninkrijk van God, om deel te krijgen aan eeuwig leven, zoonschap, koningschap (Hebr.10:19-23; Op.5:9,10). Het uitstrekken naar dit meerdere, het proberen te grijpen naar wat voor ons ligt, is een uitnodiging vanuit het evangelie (Fil.3:12-14). Dit ‘verdergaan’ betekent niet een ‘passeren van het kruis’. Maar uitgaande ván het kruis en in blijvende reiniging door het bloed, met een gelovig staan blijven op dat genadefundament, wordt het ons juist mogelijk gemaakt om rechtmatig, en dus vrijmoedig, de erfenis gaandeweg in bezit te nemen. Hierin wordt God verheerlijkt. Hij heeft ons immers Zèlf geroepen om de heerlijkheid van zijn Zoon te verkrijgen (2 Thess.2:14). ‘Wie deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, zoals Hij rein is’ (1 Joh.3:4).

Bij het uitleggen van Bijbelteksten wordt nog al eens de bekende fout gemaakt dat de uitlegger uitgaat van de klank van een bepaald woord. We nemen ter illustratie hiervan het woord ‘kruis’. Alle teksten waar dit woord in voorkomt en ook afleidingen ervan zoals kruisiging, kruisigen, worden dan alleen in verband gebracht met de fundamentele betekenis ervan: het verzoenend werk van Jezus op Golgotha. Er wordt dan niet gekeken naar het verband waar het woord in geplaatst is en ook niet of het woord anders is bedoeld, bv. symbolisch. Dit laatste komt nogal eens voor in de Bijbel. Zo ook de woorden kruis en kruisigen. We zullen er enkele voorbeelden van geven.

  • ‘Als iemand achter Mij wil komen, die verloochent zichzelf en neemt zijn kruis op en volgt Mij’ (Matth.16:24). Het woord kruis is hier beeldspraak voor ‘verdrukking door de satan’ vanwege het volgen van Jezus. Deze soms moeilijke realiteit wordt door de apostelen ons geleerd:
  • ‘dat wij door vele verdrukkingen het Koninkrijk van God moeten binnengaan’ (Hand.14:22b), en:
  • ‘allen die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden’ (2 Tim.3:12)
  • ‘Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij’ (Gal.2:20).

Door de rechtvaardigmaking uit geloof is wetsbetrachting niet meer nodig. De christen, als nieuwe schepping, heeft volledig afstand gedaan van de werken van de wet. Dat principe is verouderd, verjaard, verdwenen: gekruisigd (Hebr.8:13). ‘Wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd’ (Gal.5:24). De niet-opnieuw geboren mens leefde onder de macht van Satan. De boze geesten misbruikten zijn zintuigen, vermogen tot denken en voelen, begeerten, lichaam e.d. om hun wetteloze werken te openbaren. Door zijn aanvaarding van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen hoort de gelovige echter te breken met alle vormen van ongerechtigheid (Ef.4:17-24). De oude levenswetmatigheid van zonde en dood wijst hij voorgoed af. Dat doet hij door de satan te weerstaan (Ef.6:10-17) en zijn vermogens, talenten en lichaam in dienst van God te stellen (Rom.6:13). Dit wordt door Paulus verbeeld door: kruisiging van het vlees. Het lichaam, de begeerten en de hartstocht zèlf worden niet gedood, want dan is er geen menselijk leven meer mogelijk. Maar zij worden uit de klauwen van de vijand gehaald en in handen van de Heer gesteld om gerechtigheid te openbaren.

  • ‘Maar ik, ik wil me op niets anders laten voorstaan dan het kruis van Jezus Christus, onze Heer, waardoor de wereld voor mij is gekruisigd en ik voor de wereld’ (Gal.6:14).

De nieuwe schepping leeft voortaan naar Gods wil en voor Gods zaak. Aan het begeren, streven en leven van de ongelovige mensen neemt hij geen deel. Die ‘leefwereld’ is als het ware dood voor hem: gekruisigd. Dit woordgebruik wijst niet in directe zin heen naar het kruis(werk) van Jezus op Golgotha. In die letterlijke zin hoeft de christen niets te doden, te kruisigen. Eén stierf voor allen, zodat allen zouden leven door Hem (2 Cor.5:15). We hopen dat het spreekwoordelijk gebruik van deze termen hiermee wat verduidelijkt is.