Van God uitgegaan

Zenden

Een term die soms vragen oproept in verband met het onderwerp pre-existentie, is ‘zenden’ (bv.Gal.4:4). Onwillekeurig denkt men aan verzenden. De Heer zou door God vanuit de hemel verzonden / uitgezonden zijn naar de aarde. Maar het woord ‘zenden’ wordt voor een totaal andere betekenis gebruikt. De duidelijkste formulering hiervan wordt door Jezus zelf gedaan in Johannes 10:36: ‘Hem die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft.’ Vanaf zijn geboorte werd de Zoon door zijn eigen Vader geheiligd, zoals ouders horen te doen met hun kinderen. Die heiliging hield ook vorming in tot Christus en Lam. Toen Jezus rond de dertig jaar was, begon Hij na zijn waterdoop, Geestesdoop en vuurdoop (Marc.1:9-13) met de uitvoering van zijn opdrachten (Matth.4:17, Joh.17:4). Anders gezegd: Hij werd vanaf dat moment door de Vader de wereld in gezonden. Zenden is niets meer of minder dan iemand een taak toevertrouwen en opdragen om die uit te voeren. Zó zond God ook destijds Mozes (o.a. Ex.3:14b) en de profeten (Mat.23:34a) en Johannes de Doper (Joh.1:6).

Komen

Deze voorstelling van zaken dient men ook toe te passen op Jezus’ woordkeus in bv. Johannes 7:29a: ‘Ik ken Hem, want Ik kom van Hem.’ De Vader is Jezus’ komaf. Het ‘van God komen’ duidt niet op een reis die de Heer vanuit de hemel naar de aarde zou hebben gemaakt. De Griekse afgoden deden dat, volgens de onzinnige heidense verhalen. Nogmaals: het idee ‘een eniggeboren Zoon’ komt voort uit Gods Vaderhart. Dáár ontsproot de gedachte, vervolgens werd die geopenbaard (op aarde gebracht) door het Woord (Gods eigen Logos, Joh.1:1), middels profeten, engelen en tenslotte in Maria door Gods Heilige Geest geconcretiseerd. Jezus komt niet van de Vader vandaan, maar is uit Hem voortgekomen. Een tweede aspect van deze uitdrukkingswijze reikt verder dan de hierboven besproken betekenis van afkomst, bron of oorsprong. ‘Ik kom van Hem’ zegt namelijk ook iets over gelijkenis, leeftrant, opdracht. Tijdens zijn ontwikkeling tot Christus leerde Jezus de Vader kennen. Dat begon al vroeg (Luc.2:49b).

Gaandeweg rijpte het inzicht in wat de Vader met Hem voor had. Dat was naast de vervulling van de christustaak en het offerlam ook het enige ware leven openbaren dat God voor mensen vanaf het begin al had bedoeld. Voor de Heer betekende dit een levenswijze uit de woord van God zien te ontwikkelen onder leiding van Heilige Geest die de weergave zou zijn van Gods oorspronkelijke opzet. Jezus is als eerste daarin geslaagd. Hij was als mens in de gestalte van God (Fill.2:6a). Een mens die als God leefde. Dit is het aan God gelijk zijn (vers 6b). Het is geen roof of diefstal, maar juist door God gewild en begeerd. Hij wil niets liever dan de mens laten deel hebben aan zijn goddelijke natuur. Door zó te leven, leert men de Vader werkelijk kennen. Men beleeft het goddelijke leven en dat gaat veel dieper en verder dan alleen er verstandelijk iets over weten. Men begrijpt en ervaart Hem van binnen uit, als deelnemer aan zijn leven.

Dat leven was voor de Heer zo bewust, zo reëel en zo duidelijk aanwezig, dat Hij als het ware de Vader ‘zag’. Beginnend bij het verstaan van wat het woord over God leert en eindigend met zèlf ook zo te gaan denken, spreken en leven als de Vader, ging Hij God ‘zien’. Zien zoals Hij is. Jezus openbaarde en vertegenwoordigde Hem. Op deze manier ‘kwam’ Hij van Hem en daardoor was Hij in staat om God te ‘zien’ (Joh.6:46). Jezus was hierin volmaakt en volwassen. Hij kende de Vader uit eigen ‘levens’- ervaring in plaats van door ‘horen zeggen’. Zelfs anderen konden, als zij er oog voor hadden, de Vader in/aan Hem zien (Joh.14:7-9). Zo één was Hij met de Vader en diens leven (Joh.17:22). Jezus leefde aan de boezem van de Vader (Joh.1:18). Deze uitdrukking geeft weer hoe nauw en intiem zijn relatie met Hem was. Mede door zijn volledige gehoorzaamheid aan de woorden van God kon de Vader zich onbeperkt aan Hem openbaren (n.a.v. Joh.14:21).

Ook voor gelovigen

Enkele van de termen die betrekking hebben op het leven en de bediening van Jezus gelden ook voor de gelovigen in Christus, zoals: van boven zijn, uit God zijn, heerlijkheid, zenden. We schreven al eerder ‘er zijn mensen die als Christus leven’. Met andere woorden: dit bijzondere leven is niet alleen weggelegd voor de Christus, maar is God zij dank ook mogelijk geworden voor leerlingen van het Koninkrijk der hemelen (Hebr.2:10a). Daarom zegt Jezus van hen dat zij ‘niet van/uit deze wereld zijn, zoals Hij niet van/uit de wereld is’ (Joh.17:14b). De Heer is ‘uit God’. Het uit God zijn, geldt echter ook voor het opnieuw geboren kind van God: ‘jullie zijn uit God, kinderen’ (1 Joh.4:4a). Door diens woord voortgebracht (1 Petr.1:23), uit God geboren (1 Joh.5:1).

Doordat Jezus’ begin, maar ook ons begin, als opnieuw geboren kinderen van God, in God zijn oorsprong heeft, kan Hij zowel als wij ervan getuigen dat we ‘van God zijn uitgegaan’ (Joh.17:8b). In Johannes 8:42 voegt de Heer al deze beeldspraak samen in de uitspraak: ‘Ik ben van God uitgegaan en gekomen. Hij heeft Mij gezonden.’ Jezus draagt zijn volgelingen op om zijn werk dat Hij begon, voort te zetten en af te ronden: ‘Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook ú’ (Joh.20:21b). ‘Zoals de Vader Mij gezonden heeft’: namelijk de wereld in gezonden om te getuigen van de waarheid. ‘Zó zend Ik ook u’: zó = op diezelfde wijze en met diezelfde opdracht (Hand.1:8). Het Pre-existentiedogma leert over de uitdrukking ‘in de wereld zenden’, de reis van Jezus vanuit de hemel naar de aarde. Als dàt juist zou zijn, hoe moeten we dan denken over de hierboven geciteerde tekst? Want Jezus zegt daar dat wij op dezelfde manier gezonden worden. Iedereen weet echter dat hiermee iets totaal anders bedoeld wordt: getuigen zijn in deze wereld. Wie zich van zijn Zender en zending bewust is, zal met blijdschap aan de slag gaan en zich niet laten bezighouden met onlogische en ongeestelijke tekstverklaringen van Bijbelse beeldspraak.

Heengaan

Al vóór zijn dood en opstanding sprak Jezus met zijn leerlingen over zijn heengaan naar de Vader (Joh.16:5a). De Heer beweerde niet dat Hij weer terugging, alsof Hij als al bestaand wezen vóór de schepping, vroeger daar al geweest zou zijn. Hij wist van zichzelf dat Hij van God was uitgegaan door middel van diens woord. Alle woord in de Logos dat op Hem betrekking had zou Hij volledig vervullen. Hierin was Hij een toonbeeld van bevestiging van de al eerder genoemde uitspraak uit Jesaja 55:11. Het woord van God over Hem werd werkelijkheid in: het ontstaan van de mens Jezus die de eniggeboren Zoon van de Vader is, de invulling van de Christustaak, de liefdedaad van het zondelam, de overwinning, de volwassen geestelijke mens van God. Dit geheel was de realisering van het woord dat tevoren door God over Hèm was uitgesproken; dit was de vrucht van het woord. Dit belichaamde woord zou bij Jezus’ hemelvaart tot God terugkeren in de hoedanigheid van de mens Jezus, de Christus, enz., die het had voortgebracht. Het woord keerde niet leeg tot God terug, maar in een nieuwe gestalte: als Jezus Christus met al diens verworvenheden en mogelijkheden. Jezus wist dat ‘Hij van God was uitgegaan en tot God heenging’ (Joh.13:3b). Het zaad ging uit en de oogst kwam binnen:

  • ‘Wat dan, als u de Mensenzoon daarheen ziet opvaren, waar Hij tevoren was?’ (Joh.6:62).

Wat een geweldige en heerlijke vrucht! Wat is deze zienswijze troostvol en schitteren in vergelijking met een (aardse) voorstelling van een zogenaamde visa versa reis van onze Heer die de Pre-existentie-‘leer’ de mensen leert. Uit alle genoemde woorden en uitdrukkingen die zijn besproken, blijkt noch uit hun verband noch uit hun geestelijke betekenis enige heenwijzing naar wat maar in de verste verten naar een eventueel voorbestaan van Jezus wijst. Voor de Heer geldt geen Drie-eenheid, Pre-existentie en Reïncarnatie.

Eindtijd

Het is niet verwonderlijk dat juist nu er plotseling een (soms heftige) discussie losbarst over deze zaken. De vijand heeft er namelijk alle belang bij om Gods volk op haar laatste traject opnieuw te verleugenen. Hij hoopt daarmee te bereiken dat er weer geloofd en beleden zal gaan worden dat Jezus in wezen eigenlijk (ook) God is. De logische conclusie daaruit is dat het voor ons mensen nooit haalbaar zal zijn om aan zijn beeld gelijkvormig te worden. Hoe zouden wij daaraan moeten beantwoorden? Hij die zo wezensvreemd ver van ons zou afstaan en zelfs het beeld Gods wordt genoemd, is voor ‘gewone’ mensen toch in evenaring onbereikbaar? Het grote geheimenis van onze Schepper schuilt echter hierin dat de mens, alleen nu juist die mens, bedoeld en geschikt is voor dàt einddoel (Hebr.2:6-8). Daarin wordt God, als schepper en planner, het meest verheerlijkt. Hij sprak al heel vroeg over zijn voornemen in Genesis 1:26:

  • ‘mensen naar ons beeld, als onze gelijkenis, zodat zij heersen.’ Wat een bemoediging dat Hij er ook mee eindigt in Openbaring 22:5: ‘en zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden.’

Bij het lezen van het Nieuwe Testament krijgt men echter de indruk dat Hij toch zoveel anders schijnt te zijn dan wij. Lees alleen maar eens Openbaring 5 door. Daar loopt het zelfs uit op aanbidding van het Lam. Hoe valt het een met het ander dan te rijmen? Ons uitgangspunt is en blijft het gegeven dat Jezus Christus als wezen een mens is. Hij heeft als zodanig tijdens zijn rondwandeling op aarde geheel deel gehad aan het menselijk leven. Tenslotte heeft Hij Zich als offerlam, om ons vrij te kopen uit macht van de duivel, in dezelfde geestelijke situatie gebracht als waarin de gevallen mensheid zich bevond, namelijk onder de heerschappij van Satan en in de greep van Dood (Fil.2:7,8). Dit laatste vers ‘in zijn uiterlijk als een mens bevonden’ slaat terug op de vorige regel ‘aan de mensen gelijk geworden’. Dit doelt niet op een beschrijving van zijn wezen, maar van zijn situatie. De mens is een dienstknecht, een slaaf van de zonde geworden en in diezelfde vernederende en aan Satan onderworpen toestand heeft Jezus zich vrijwillig geplaatst (Gal.1:4a). Hij kent het menselijk leven in al z’n aspecten uit eigen ervaring, uitgezonderd het huwelijk en het zondigen (Hebr. 4:15). Hij is één van ons, de Mensenzoon.

Verschillen

Toch zijn er in vergelijking met ons verschillen. Daarin is Jezus uniek en onnavolgbaar. Dié maken Hem juist in zijn bestaanswijze, leefwijze, positie en grootte tot wat veel naamchristenen ten onrechte ‘God’ noemen. Niemand is als mens zo verwekt als Hij, door Gods Heilige Geest (Luc.1:35). Vandaar dat God zijn Vader is en Hij diens Zoon. Niemand is vanaf zijn geboorte rechtvaardig gebleven dan Hij alleen. Niemand heeft God gezien en geopenbaard als Hij (Joh.1:18). In contact met Jezus kom je tegelijk in contact met God, de Vader. Jezus straalt Hem aan alle kanten uit, in woord, gezindheid en werk. Zó sterk en volledig zelfs dat de Heer naar waarheid zegt: ‘Wie Mij ziet, Ziet Hem (Joh.12:45) en: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Joh.14:9). Die twee vormen zo’n eenheid. Niet in wezensgelijkheid, maar in existentie (= manier van bestaan, leven). Zij hebben Zich volledig met elkaar verbonden: ‘Want in hem is de goddelijke volheid lichamelijk aanwezig’ (Col.2:9) ‘Gelooft u niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is?’ (Joh.14:10a). Jezus is daardoor het ‘beeld’ van de onzienlijke God (Col.1:15a) en de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen (Hebr.1:3a). Verder zijn er grote verschillen ten aanzien van positie, functie en taken.

Onmisbaar

Voor God en voor de schepping (mensheid) is Jezus volstrekt onmisbaar. Hij alleen heeft de verzoening tot stand gebracht als Lam van God:

  • ‘Hij is een verzoening voor onze zonden en voor die van de gehele wereld’ (1 Joh.2:2).
  • ‘Het bloed van Jezus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonde’ (1 Joh.1:7b).
  • Hierdoor kon God de wereld met zichzelf verzoenen (2 Cor.5:19a). Hij is daardoor de verlosser van de schepping: ‘En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed’ (Ef.1:7).
  • ‘U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Heer’ (Luc.2:11).
  • ‘Jezus is ons van God geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing’ (1 Cor.1:30).
  • ‘Het behoud is in niemand anders, want er is onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden’ (Hand. 4:12).
  • Alleen in Hem is het ware en eeuwige leven voor ons: ‘Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet’ (1 Joh.5:12).
  • ‘Tenzij u het vlees van de Mensenzoon eet en zijn bloed drinkt, hebt u geen leven in uzelf’ (Joh.6:53).
  • Hij alleen vervult de christusfunctie: ‘God heeft Hem èn tot Heer èn tot Christus gemaakt’ (Hand.2:36).
  • ‘Jezus, de leider en Voleinder van ons geloof’ (Hebr.12:2).
  • Hij is het hoofd van de gemeente: ‘Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente’ (Col.1:18a).
  • Hij is de eerste: ‘Hij is onder alles de eerste geworden’ (Col.1:18c).
  • Vervolgens heeft Hij, mede door zijn overwinning over Satan en Dood, de heerschappij in handen gekregen, wat God had bedoeld voor de mens (Hebr.2:5-8a). Jezus is Koning:
  • ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’ (Matth.28:18).
  • ‘Hij moet als Koning heersen’ (1 Cor.15:25; Op.3:21b).
  • ‘Ik heb overwonnen en zit met mijn Vader op zijn troon’ (Op.3:21b).

In al deze verdiensten en hoedanigheden is Jezus Christus onnavolgbaar. Niemand onder de mensen is in staat deze taken uit te voeren, het plan van God veilig te stellen en doorgang te laten vinden (Op.5:4). Jezus is onnavolgbaar in al deze zaken en niemand is daarin aan Hem gelijk. Deze heerlijke situatie doet echter niets af van het feit dat Hij mens is. Het is juist tot Gods verheerlijking dat deze mens, zijn Zoon, dit alles heeft volbracht (Fil.2:11b). ‘Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd’ (Fil.2:9a)! Deze buitengewone verhoging van Jezus, die geen enkel ander mens ooit ten deel zal vallen, wordt het sterkst uitgedrukt door de woorden van Paulus in 1 Corinthiërs 15:28: ‘Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft.’ Er staat: dan zal de Zoon Zichzelf aan God onderwerpen. Dit betekent dus dat Jezus momenteel niet aan God onderworpen is. Houdt dit dan in dat Jezus autonoom, onafhankelijk is en boven God staat? Nee, want in vers 27b staat dat God zèlf niet hoort bij dat alles wat aan de Zoon onderworpen is. Het duidt dus op iets anders.

Al eerder schreven we dat God zijn Zoon alles in handen heeft gegeven, Hem alle macht heeft geschonken in hemel en aarde. Dàt is de uitermate verhoging van Jezus door God. Jézus heerst, Jézus regeert, Jézus spreekt recht. Jézus is de Koning van de koningen en de Heer van de heren. Het ‘Lam zit in het midden van de troon’ (Op.7:17a). We zouden deze situatie als volgt kunnen verwoorden: Jezus is nu – door God – in de positie en functie van God geplaatst. Hij functioneert als God en dit namens God en voor God. Het is voor onze begrippen een bijna onvoorstelbare hoogte. Jezus heeft onbeperkte volmacht en macht. De profetische woorden uit Jesaja 53:10b-12 zijn hiermee vergeleken slechts een zwakke voorzegging.

En God zelf?

Onze hemelse Vader is geen mens, geen schepsel, maar God èn Schepper. Hij alleen staat als goddelijk wezen aan de top; Hij staat altijd boven het geschapene. Hij alleen is de Eeuwige en Almachtige. Hij heeft echter zijn Zoon, de mens Jezus, volkomen laten deel hebben aan de goddelijke natuur. Dat is een situatie die Hij eigenlijk met alle mensen voor heeft, zodat Hij alles in allen zal zijn (2 Petr.1:4; 1 Cor.15:28b). In Jezus heeft dit zijn grootste en heerlijkste uitwerking gekregen:

  • ‘in Hem heeft heel de volheid willen wonen’ (Col.1:19).
  • ‘Want in Hem woont al de volheid van de godheid lichamelijk’ (Col.2:9).

Hierdoor is het mogelijk geworden dat Hij in de gestalte van God is (Fil.2:5). Uit deze zelfde teksten blijkt echter nog iets. Zijn heerlijkheid en positie heeft Hij niet vanuit of door zichzelf, maar omdat Hij één is met de Vader. ‘Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij’ (Joh.14:11). Wat Jezus is en kan, is en kan Hij alleen ‘in God zijnde’. Meerdere malen zegt Jezus dat het de Váder is die Hem aangeeft wat te spreken en hoe te werken (Joh.5:19; Joh.12:50). Door Jezus’ bediening is God niet teruggetreden, inactief of werkeloos geworden. ‘De Vader werkt tot nu toe’ (Joh.5:17). Hij werkt in, door en met de Zoon. Maar dit wel op zo’n wijze dat de Zóón het middelpunt is, waar heel de schepping op aangewezen is.

Namen

Niet door de wezensgelijkheid aan God, maar door de uitermate verhoogde positie en functie van Jezus om namens Hem te regeren totdat alles nieuw is en God alles in allen is, worden Hem dezelfde namen toegekend als God. Van God staat in Deuteronomium 10:17 en 1 Timotheüs 6:15 geschreven dat Hij de Koning van de koningen en de Heer van de Heren is. Jezus draagt deze titels ook (zie Openbaring 17:4 en 19:16). Uit de namen uit Jesaja 9 blijkt ook dat Jezus nu de positie van God bekleedt, Hem vertegenwoordigt en diens werk uitvoert. Hij is wijs als God, sterk als God, vaderlijk en vol vrede als God. Als Petrus schrijft dat wij niet zullen vrezen, maar de Christus in onze harten zullen heiligen als Heer (1 Petr.3:14b,15), zijn deze woorden een vrije weergave van Jesaja 8:12,13. De ‘Heer van de heerlegers’ vervangt hij dan door ‘Christus’.

Tenslotte wijzen we nog op de uitdrukking ‘alfa en omega’. In Openbaring 1:8 noemt God zich zo, maar in Openbaring 22:13 Jezus. Hier volgt wel de toevoeging bij ‘de eerste en de laatste, het begin en het einde’. Jezus is namelijk het begin en de eerste van de nieuwe schepping. Ook zal Hij deze voltooien als God alles in allen is geworden. De volwassen mens van God, waarvan Jezus het grote voorbeeld is, is immers het einddoel voor de christen. Jezus is het einde. Door al deze hoedanigheden is het begrijpelijk dat men Jezus is gaan zien als een openbaringsgedaante van de godheid: God de Zoon, maar het blijft desondanks een verkeerde visie.

Hoewel Jezus mens is en blijft, is Hij wel de enige die geëerd en aanbeden mag worden. Zijn uitspraak dat Hij ‘geen eer van mensen hoeft’ doelt op iets anders (Joh.5:41). Jezus had geen bevestiging, bewijs of overtuiging van mensen nodig om Zichzelf Zoon van God te weten. De duivel had Hem tijdens de verzoeking in de woestijn daar al op beproefd. De Heer bezat echter door zijn geloof de zekerheid van het hart. Hij wist wie Hij was en de Vader bevestigde dat telkens weer. ‘De Vader eert de Zoon’ (Joh.8:54b). Ook had Jezus geen enkele behoefte om door mensen geëerd te worden, zoals de Farizeeën dat voor zichzelf zo graag zochten (Joh.5:44). Hij wandelde in zuivere ootmoed en nederigheid. ‘Ik zoek mijn eer niet’ (Joh.8:50a). Maar in zijn positie en functie van Lam van God en Christus, vanwege Gods reddingswerk, geldt voor Hem het woord uit Johannes 5:22,23 ten volle: ‘De Vader heeft het hele oordeel aan de Zoon gegeven, zodat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet.’

Jezus eren is niet een vorm van mensverheerlijking, maar getuigt van een juiste kijk op Hem en van een gezonde houding ten opzichte van Hem als zijnde de Christus, de Zoon van de levende God. Daarin ligt alle eerbied en ontzag besloten. Ook alle dank en liefde. God zoekt deze eer van zijn Zoon (Joh.8:50b). Bij zijn intocht in Jeruzalem eerden de kinderen Hem met hun roep: ‘Hosanna, gezegend Hij die komt in de naam van de Heer, de Koning, de Zoon van David’ (Matth.1:18; Luc.19:38). Toen enkele Farizeeën hen het zwijgen wilden laten opleggen, bestrafte Jezus deze blinde leiders. Hij stemde in met de lof van de kinderen.

De verheerlijkte Christus

Na Jezus’ opstanding grepen de vrouwen die Hem gevolgd en gediend hadden, neerknielende, zijn voeten en aanbaden (Matth.28:9,17). Jezus liet hen begaan. Enkele weken later werd Hij in de hemel opgenomen en zette Zich op de troon van God. Zijn verheerlijking bereikte hiermee de voltooiing. Zijn verhoging gaat zo ver dat ‘God Hem de naam boven alle naam geschonken heeft, zodat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Heer, tot eer van God de Vader’ (Fil.2:9,10). Men buigt aanbiddend voor Jezus neer en belijdt aanbiddend dat Hij alleen Heer is. Hierin is ook God verheerlijkt. Jezus mag nu alle eer, lof en aanbidding ontvangen, samen met de Vader. Openbaring 5:11-14 spreekt er duidelijke en heerlijke taal over. Als Paulus, Petrus en Johannes het eeuwig evangelie op schrift vastleggen, drukken zij zich diverse malen in aanbidding uit. Opmerkelijk daarbij is dat zij dezelfde bewoordingen gebruiken voor de aanbidding van God als van de Zoon: ‘Hem nu zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid.’ Zes keer wordt dit over God gezegd, te weten in:

  • Romeinen 11:36
  • Romeinen 16:27
  • Galaten 1:5
  • Efeziërs 3:21
  • Filippenzen 4:20
  • Hebreeën 13:21.

Vier keer wordt dit over Jezus gezegd, namelijk in:

  • 2 Timotheüs 4:18
  • 1 Petrus 4:11b
  • 2 Petrus 3:18
  • Openbaring 1:6.