1. 10 jaar bij de Noorse broeders

Heiligenbeweging

Mijn lange zoektocht en verlangen naar de ‘gemeenschap van de heiligen’ (2 Cor.13:13; 1 Joh.1:7), bracht mij uiteindelijk bij de Noorse Broeders, waar ik tien jaar verbleef. Tien jaar is een hele tijd! Tien jaar blijven, nadat men elders al verschillende keren z’n neus heeft gestoten, is op zich een indicatie, dat er wel veel goeds in een dergelijke heiligingbeweging moet zijn. En dat is ook zo. Toch ben ik na die tien jaar weer weggegaan. Dit was een moeilijk afscheid. Het was een breuk met velen die mij zeer dierbaar waren geworden. ‘Lief en leed met elkaar delen’ is een bekende uitdrukking. Met het oog op ‘t vele, wat me lief was bij de Noorse Broeders, zou ik wensen, dat men de nodige jaren onder hen zou verkeren. Met het oog echter op het vele leed, dat velen daar lijden, ga ik over hen schrijven. Ja, tégen hen schrijven om anderen te sparen voor dat leed. Ik herhaal mijn doelstelling: om anderen te sparen voor dat leed!

Aangezien het onmogelijk is om in één artikel een fenomeen als de Noorse heiligingbeweging recht te doen, wijzen we er met nadruk op, dat men alle artikelen dient te lezen wil men geen scheef beeld krijgen. We zullen eerst hoofdzakelijk stil staan bij de Pinksterbeweging. Vanuit de Pinksterbeweging kwam ik bij de Noorse Broeders terecht en nu schrijf ik opnieuw vanuit de Pinksterbeweging óver die Noorse Broeders. Het is billijk dat we dan beginnen met de hand in eigen boezem te steken, wat ook al niet zo simpel is. Want wat is Pinksterbeweging?

Er is het oude Pinksteren, min of meer georganiseerd in de ‘Broederschap van Pinkstergemeenten in Nederland’. Er zijn allerlei onafhankelijke gemeenten, die zich typeren met ‘Pinksteren’ of ‘Evangelisch’. Onder die twee verzamelnamen: ‘Pinksteren’ en ‘Evangelisch’ zit een grote en zeer bonte verscheidenheid. Veel koren en heel veel kaf. Velen die onder de ‘Pinkstervlag’ varen, hebben ‘Pinksteren’ in een zeer kwalijk daglicht gesteld. Anderen weer beleven in dat ‘Pinksteren’ de volkomen verlossing. Opzettelijk laat ik dat woord ‘Pinksteren’ nu zeer vaag, zodat ieder gelegenheid heeft zichzelf te onderzoeken.

De roep, die er van uitgaat

Voordat ik bij de Noorse Broeders terechtkwam, was ik wel ‘van Pinksteren’ of: ‘bij Pinksteren’, maar nergens bij aangesloten, ik was nog zoekend. Intussen had ik mijn ogen en oren wel wijd open. Ik had de gelegenheid om achter veel schermen te kijken. Naast het goede dat er was, was er tegelijkertijd veel negatiefs: geruzie, jaloezie, geldzucht, eerzucht, wereldgelijkvormigheid. Tot ik in Deventer vernam over een ‘broederschap’, waar nooit ruzie is, waar nooit twist is, waar men al meer dan honderd jaar lang in grote harmonie met elkaar omgaat, waar zeer grote geestelijke groei is en waar men modellen van voorgangers heeft. Zó was de roep, zoals die tot mij kwam. Ik liet me echter zo gauw niet wat wijs maken, maar de uitnodiging ‘kom en zie’ kon ik toch niet afslaan. En zo maakte ik als ‘waarnemer’ mijn eerste reis naar Noorwegen.

Wat ik daar zag en hoorde, was inderdaad indrukwekkend. Een grote conferentiezaal met 2000 mensen, elke dag drie samenkomsten van ongeveer drie uur, een grote ingetogenheid bij de zusters, bedekte kleding ondanks de zomerwarmte, een grote tucht onder zoveel mensen. Heel, heel anders dan wat ik in Nederland overal gezien had. En dan de woordverkondiging! Ik kwam voor de spiegel te staan en kreeg te zien hoe ikzelf eruit zag. Ontstellend! Ik ontdekte dat ik het abc van het geestelijke leven nog niet verstond. Als een geslagen hond keerde ik naar Nederland terug. Ik wilde weer leerling worden. Leerling van broeders die de wijsheid in pacht leken te hebben. Leerling van oudste broeders, over wier onberispelijke levenswandel de sterkste verhalen de ronde deden (er hangen nog steeds foto’s als boven dit artikel in veel Nederlandse huiskamers, Webb.). De door mij lang gezochte ‘geestelijken’ had ik ontdekt: echte voorgangers, die mij ver vooruit waren op het smalle pad. Betrouwbare gidsen, die net als Paulus mochten zeggen: wordt allen mijn navolgers. Heel typerend in dit verband is, wat een voorganger van de Noorse Broeders in Nederland mij eens schreef:

  • ‘Oudsten zijn oudsten en geen oudsten. Zij hebben een verborgen leven met Christus en het ontbreekt hun aan geen ding’.

Deze roep gaat nog steeds van hen uit.

Vanwege de eer van Jezus Christus wil ik nu deze roep als een leugen bestempelen. Vanwege de eer van God, wil ik deze oudstencultus van de Noorse Broeders aan de kaak stellen. Deze hoog vereerde oudsten blijken rovers te zijn van de eer, die alleen God toekomt. De Noorse heiligingbeweging – in de geest begonnen – is ontaard in weerzinwekkende mensenverering!

Riskant

Als men om bepaalde redenen nee gaat zeggen tegen een heiligingbeweging, brengt dit een zeker risico met zich mee. Het gevaar is niet denkbeeldig, dat juist diegenen die mat van ziel zijn, die achterblijven, die géén ernst maken met het grote geluk dat ons geschonken is, dat juist diegenen verkeerde conclusies gaan trekken. Zoiets van: zie je wel wat je te wachten staat als je gaat overdrijven. Ze blijven dan maar liever ‘nuchter’. Zij hoeven niet zo ‘hoog te vliegen’. Ze blijven liever als toeschouwer met twee benen op de grond staan en vinden het nog plezierig ook om te lezen hoe anderen hun vingers branden of hun hoofd stoten bij het zich richten op het volkomene. Dat komt ervan, als je zo hoog mikt.

Dit risico ben ik me zeer goed bewust. Veel lauwe kinderen van God zouden met zéér veel nut een tijdje bij de Noorse Broeders in de leer kunnen gaan. De wereldgelijkvormigheid onder lauwe christenen is soms ontstellend. Bij velen staat het licht onder de korenmaat. Velen zijn smakeloos zout, alleen maar goed om weggeworpen te worden. Ik zeg dit met Paulus al wenende. De afgoden van de wereld worden met grote begeerte nagestreefd door hen, die toch de schijn van godsvrucht willen hebben. Hoewel niemand twee heren kan dienen, komt men bijna niets anders tegen. Om de schaapjes bij elkaar te houden (en genoeg in de collectezak te blijven houden) wordt aan alle kanten van de waarheid afgedaan, zó, dat de beminde gelovigen rustig onveranderd kunnen blijven voortleven.

Onbetaalde rekeningen

Wie lijdt onder deze wereldgelijkvormigheid onder de zich ‘christelijk noemenden’, kan het als een verademing ervaren een groep als de Noorse Broeders te leren kennen. De vele pluspunten die men daar aantreft, liegen er niet om. Het zullen de ‘serieuze’ christenen zijn, die juist dit zullen weten te waarderen. En hier ligt nu net het grote gevaar. De Noorse broeders zijn een onbetaalde rekening van het slechte deel in ‘Pinksteren’. De pinksterkringen zelf zijn op hun beurt weer een onbetaalde rekening van de schijnkerken. Het nog steeds ‘onbetaald’ zijn van die rekening moet éérst onder de aandacht gebracht worden, voordat de Noorse heiligingbeweging zelf aan de orde komt.

Omdat in de meeste pinksterkringen in Nederland géén consequente prediking van de heiligmaking is (zonder welke niemand God zal zien), dáárom krijgen de Noorse broeders de kans om de vette schapen uit de verschillende gemeenten te stelen. Omdat in de pinksterkringen, waar men beweert méér van Gods Geest te bezitten dan in de kerken, méér verdeeldheid en broederruzie is dan waar ook, dáárom lenen de besten onder hen een oor aan de leer van de Noorse Broeders, onder wie een (zij het dan geforceerde) grote eenheid van geest en eensgezindheid wordt aangetroffen. Omdat men in de pinksterkringen zo lang zoeken moet, voordat men iemand vindt die rijk is aan vruchten van de Heilige Geest (iemand die werkelijk ‘geestelijk’ is), dáárom staat een heiligingbeweging als de Noorse Broeders zo sterk, als ze zeggen, dat zij en zij alleen de gemeente zijn en dat al de overige kringen geestelijke hoererij plegen. Men treft onder de Noorse Broeders namelijk niet weinigen aan met een bewonderenswaardige levenswandel, waardoor zij in woord en daad een opvallende tegenstelling zijn met wat er in andere religieuze kringen tentoongespreid wordt.

Omdat men in de pinksterkringen het Bijbels Fundament niet afmaakt, men niet aan het bouwen komt op dat fundament (of dit openlijk afwijst), niet aan de eigenlijke geestelijke strijd in de hemelse gewesten toekomt, dáárom maakt de leer van de Noorse Broeders op velen zo’n indruk. De leer van de Noorse Broeders komt namelijk neer op het zich richten op het volkomene (Hebr.6:1), op wat aan de orde komt nadat men klaar is met het fundament van het geloof. Omdat men in de pinksterkringen verwend is met melk en naar eigen begeerte tal van leraars bij elkaar haalt die het oor strelen, dáárom heeft men geen weet van de rechte prediking. Dáárom kunnen Noorse Broeders met een verkeerde heiligingboodschap ingang vinden. In het land der blinden is eenoog koning!

Omdat diegenen, die verder zouden willen komen, die naar geestelijke groei en ontwikkeling verlangen en in veel gevallen tevergeefs uitzien naar voorgangers die voorgegaan zijn in deze groei en ontwikkeling, dáárom maken de Noorse Broeders indruk met hun pretentie, dat zij ‘onberispelijke’ leiders hebben, die nooit meer zondigen en altijd en zonder uitzondering overwinning hebben over elke zonde. Het is nuttig om éérst de hand in eigen boezem te steken, voordat men wijst naar de fouten bij anderen, in casu: de fouten in de leer van de Noorse Broeders. De Noren zelf gaan daar zo verschrikkelijk mank aan: zij oordelen en veroordelen alles wat ‘predikant’ is en het woordje ‘dominee’ is een heel vies woord onder hen en wordt gehanteerd als een scheldwoord. De Noorse broeders staan niet open voor enige vorm van zelfkritiek.

Daarom zijn deze artikelen ook niet voor hen bestemd maar voor diegenen, die het moeilijk hebben met het slechte deel in ‘Pinksteren’, met het onkruid onder het tarwe en daardoor de neiging hebben een oor te lenen aan de Noorse lokroep: verlaat de hoerengemeente waar je nu bij hoort en kom bij ons, waar het zó goed is… Dezen wil ik behoeden voor de misstap in de richting van de Noorse Broeders. Ik deed deze misstap en ik ga ervan vertellen tot waarschuwing van anderen.

Tégen de Noorse broeders, vóór Jezus Christus!

Eensgezindheid heeft een magnetische kracht. Eendrachtig vóór iets zijn, is aantrekkelijker dan als enkeling tégen iets zijn. Van een eensgezinde massa gaat een sterke suggestie uit. Dat imponeert sterk. De rebellerende enkeling heeft bij voorbaat de schijn tegen zich. De Noorse Broeders zijn ontegenzeggelijk een eensgezinde groep christenen met een indrukwekkende eenheid van hart en ziel. Gewoonweg een verademing voor wie de vele gemeentescheuringen in andere kringen beu is. Tégen een dergelijke eendrachtige groep schrijven, zonder naar een equivalent te kunnen wijzen wat betreft kwaliteit en/of aantal is een hachelijke zaak. Toch waag ik mij hieraan, in de wetenschap dat wie tegen iets strijdt, tegelijkertijd ook vóór iets anders is. Ik durf het aan om tégen die eensgezinde Noorse Broeders te schrijven, omdat ik heb ervaren dat hun eendrachtigheid doorgevoerd wordt tot in het zondige negativisme.

Als eenling ben ik negatief tegenover de Noorse heiligingsbeweging, omdat ik positief vóór Jezus Christus ben. Eensgezind in hun verregaande verering van hun leiders, tasten de Noorse Broeders collectief de eer van mijn Redder en Verlosser aan. Als eenling heb ik onder de Noorse Broeders de eenzijdigheid in hun prediking willen doorbreken door ook de andere kant van de waarheid te belichten. Eendrachtig in hun collectieve hoogmoed werd dit hooghartig afgewezen. Omdat ik positief vóór de hele waarheid en vóór het hele evangelie ben, dáárom schrijf ik tegen deze Noorse heiligingsbeweging als zijnde een ander evangelie, dat door Paulus vervloekt werd. Eendrachtigheid en eensgezindheid zijn geenszins bewijzen voor waarachtigheid en waarheid. Het kan gemakkelijk ontaarden in kuddegeest en blinde volgzaamheid tot in het kwade toe en tot in het zondige toe. Collectieve hoogmoed, liefdeloosheid en partijzucht is de trieste balans, die ik moet opmaken na een tienjarige kennismaking met de Noorse Broeders. Eén brok tragiek! Veel lieve mensen op weg naar de heiligmaking, via partijschap ontspoord en ontaard tot mensen met harde ogen, koude harten en hoge gedachten. Om te huilen!

Ontstaan en ontwikkeling

In Noorwegen noemden de Noorse Broeders zich destijds de ‘Smith’s vrienden’ (Smiths Freunde in het Duits, Smiths Venner of Den Kristelige Menighet – De Christelijke Gemeente – in het Noors). Nú heeft de groep zich op het internationale gebied de naam: Den Kristlige Menighet (de christelijke gemeente) en vertaling in de landstaal van de betreffende gemeenschappen gegeven (o.a. België, Denemarken, Duitsland, Nederland en de Verenigde Staten). Johan Oscar Smith, in 1871 in Frederikstad geboren, bekeerde zich in 1898 op 27-jarige leeftijd terwijl hij beroepsmilitair was bij de Noorse marine. Hij werd met Heilige Geest gedoopt en had een levend geloof in de mogelijkheid van een overwinningsleven.

Er ontstond rondom hem een kleine groep mensen, die datzelfde verlangen had: overwinning over de zonde. Eén van hen was de leerling officier Elias Aslaksen. Sinds 1912 geeft deze groep een tijdschrift uit en groeide zij uit tot een heiligingsbeweging. De Noren schrijven Johan Oscar Smith een ‘openbaring’ toe over het mysterie van de godsvrucht: ‘Christus geopenbaard in het vlees’ (Ef.5:32) – een visie op Jezus Christus, die een radicale scheiding brengt met alle andere christenen. Wie deze Noorse visie over ‘Christus geopenbaard in het vlees’ niet onderschrijft, behoort onontkoombaar tot de antichrist, waarbij men verwijst naar 1 Johannes 4:2,3 en 2 Johannes 7,8. Smith beschouwde het als zijn taak om de uitverkorenen te verzamelen, die oren en hart zouden hebben voor deze leer. Met hen wilde hij het geestelijke gebouw van de gemeente bouwen, het lichaam van Christus. Elke gedachte aan partijvorming wees hij als een gruwel af.

Smith zocht de uitverkorenen – die mensen die door hun wandel in het licht het éne lichaam van Jezus vormen – wat tot de gevolgtrekking voerde, dat hij en zijn mensen (en zij alléén) de gemeente van Jezus Christus waren. De groep heeft weinig of geen contact met andere christelijke geloofsgemeenschappen. Deze laatste worden algemeen aangeduid als ‘de religieuze wereld’, dit om een duidelijk onderscheid aan te brengen tussen de ’ware’ gelovigen en de ‘overige’ gelovigen.

Blinde acceptatie

De brieven van J. O. Smith werden verzameld en in boekvorm uitgegeven (in het Noors). Zijn leerling en opvolger Elias Aslaksen schreef een groot aantal brochures en werd zodoende de pater intellectualis van de Smith’s vrienden. Hij gold als de onfeilbare, geestelijke leider en de hoogste autoriteit, wiens uitspraken men blindelings accepteert en tot in het zondige toe handhaaft en verdedigt: omdat Aslaksen heeft gesproken. De verantwoordelijkheid voor de gemeente wereldwijd ligt nu bij Kåre Johan Smith, een kleinzoon van J.O. Smith. Bratlie schreef ook enkele brochures, terwijl Axel Smith eindredacteur was van het Noorse en Duitse maandblad.

Oslofjord expansion – Project 2020

De Noorse Broeders hebben zich over 50 landen verspreid en over verschillende werelddelen. De beweging heeft in Noorwegen een conferentiecentrum genaamd Brunstad en van daaruit is de beweging ook actief in andere landen. In Nederland was het conferentiecentrum tot voor kort de ‘De Kroeze Danne’ in Ambt-Delden, maar in 2004 werd een nieuw conferentiecentrum gekocht: Pagedal, een bungalowpark in Stadskanaal. Op deze plaats brengen de gezinnen hun vakanties door om niet op wereldse plaatsen te moeten verblijven. (In de plaatsen rondom is er vandaag  sprake van forse belastingontduiking).

De eerste indruk

We kennen allemaal de uitdrukking: liefde op het eerste gezicht. Een heerlijk iets als het (toevallig) meteen de ware Jacob is, maar een gevaarlijk iets als het een ongeschikte partner betreft. Verliefde mensen lijden doorgaans aan bewustzijnsvernauwing. Ze zijn betoverd door de liefdesdrank. Ze denken alleen maar aan de geliefde, ze spreken alleen maar over de geliefde, ze zien alleen nog maar uit naar mogelijkheden om weer bij de geliefde te zijn. Als een vader z’n kind gaat waarschuwen voor een verkeerde keuze op het moment dat dit kind tot over de oren verliefd is geraakt, is hij te laat. Hij had eerder tot voorzichtigheid moeten aansporen. Dat is het nut van dit schrijven over de Noorse Broeders voor mensen, die er (nu nog) niets mee te maken hebben.

Wat niet is, kan echter nog komen. De Noorse Broeders hebben namelijk een infiltratiepolitiek. Zij evangeliseren helemaal niet. Zij bezoeken de bestaande plaatselijke gemeenten, proberen te achterhalen wat daar de vette schapen zijn (de ‘uitverkorenen’, die zij willen verzamelen) en deze mensen benaderen zij dan individueel met de aansporing: ‘verlaat de hoerengemeente waarbij je nu bent en kom bij ons, de gemeente’. Wie dan zonder waarschuwing vooraf, voor het eerst kennis maakt met hun gemeenteleven, kan gemakkelijk een prooi worden van liefde op het eerste gezicht. Zij hebben een ‘betoverende’ leer. Zij werpen indringend licht op bepaalde verwaarloosde of misschien zelfs vergeten waarheden. En daarin hebben ze heel vaak gelijk: de geestelijke groei van de gelovigen, het daadwerkelijk breken met de zonde, de volkomen heiliging, de mogelijkheid en de plicht van een leven van overwinning op de zonde.

De kracht waarmee dit alles betuigd wordt en de vele Bijbelcitaten imponeren. Wat het meest en het eerst opvalt, zijn de uiterlijke dingen: de zedige kleding van de zusters, hun lange haren, hun doekje op het hoofd. De broeders die willen laten merken dat ze echt ‘mee’ -zijn, dragen geen stropdas in hun samenkomsten, want dat doen de oudsten uit Noorwegen ook niet. Hun manier van samenkomen is heel anders dan overal elders. Twee of drie profeteren (verkondigen het woord) en de rest beoordeelt, onderstreept het gehoorde of getuigt hoe het woord bij hen is aangekomen. Dit gebeurt gewoonlijk in termen als: ik heb licht gekregen…, ik ben geoordeeld geworden door dit woord…

Tijdens hun samenkomsten zitten de mannen gescheiden van de vrouwen. De ‘muziek’ zit helemaal vooraan in het vizier van iedereen, een hele rits jeugd met gitaren, banjo’s, blokfluiten en elektrische orgels achter een tafel met het onmisbare afhangende kleed erover om de benen van de ‘muziek’ heel zedig te verbergen. Ze hebben een geheel eigen zangbundel, met als titel: ‘Liederen van de weg’. Géén evangelisatieliederen, maar liederen die aansporen tot dienst in de heiligingopwekking; eigen gemaakte liederen of vertaald uit het Noors. Opvallend is het aantal zeer grote gezinnen en de verdraagzaamheid die men toont ten opzichte van de allerkleinsten, die rustig rond mogen scharrelen onder de samenkomst, tot zelfs op het podium toe. Velen worden aangemoedigd om veel kinderen te baren. Het getal van 12 kinderen is wel het mooist, want dit komt overeen met de 12 apostelen. En dit gebeurd dan ook.

Mijn eerste bezoek aan Noorwegen is vooral onvergetelijk door de indruk, die de zusters op mij maakten: getooid met het sieraad van een stille en zachte geest (1 Petr. 3:4). Pas heel veel later kwam ik er achter, dat het in de meeste gevallen een stille en verslagen geest was, zodat die zusters in plaats van bewondering, medelijden waard waren. Het is een broederschap, waar de zusters voortdurend de hardste klappen krijgen, in de hoek gedrukt worden door een onophoudelijke prediking van onderdanigheid aan de man en gelukkig worden door veel kindertjes te baren. Zó zalig worden de zusters ervan, dat ze bijna allemaal met chagrijnige en indroevige gezichten rond lopen onder het juk dat de broeders hen opleggen. Aslaksen ziet het als een aparte taak van hem om voortdurend de zusters te bespotten met hun veel praten. Alsof de mannen dat niet doen! Het zijn al die uiterlijke dingen, welke vanzelfsprekend het eerst opvallen. Veel langer duurt het echter, voordat men hun innerlijk naar waarde weet te schatten.