Uit wie is het kwaad?

Een bezoeker stelt enige vragen over de erfzonde die ik hier wil beantwoorden:

  • “Zover ik begrijp is een van uw uitgangsstellingen dat de mens bij zijn geboorte een onbeschreven blad is, schuldeloos en zonder vlek en rimpel. Dit kan ik op Schriftuurlijke gronden met u eens zijn, in zoverre er sprake is van persoonlijke schuld, maar niet in die zin, dat ik mag aannemen dat een product van ouders en voorgeslacht, volmaakt op de wereld kan komen, zoals uit de natuurlijke en lichamelijke eigenschappen al blijkt. De schrift die op dat ogenblik op zo’n onbeschreven blad verschijnt, is dan ook een logisch gevolg van de ingebouwde mogelijkheden en heus niet alleen een gevolg van opvoeding en begeleiding. De persoonlijke structuur is in de nieuwgeborene aanwezig en zal zich ontwikkelen naar zijn/haar aard, die wij als ze niet past in ons verwachtingspatroon, soms terecht en ook wel ten onrechte, zondig noemen: denk aan luiheid, gulzigheid, driften, lafheid, nieuwsgierigheid, enzovoort. Dit alles kunnen we dan al of niet erfsmet noemen en de uitingen van de betroffen persoon kunnen vaak het gevolg zijn van een moeten vanuit de persoon zelf, of een gevolg van zijn/haar begeerten.”

Inderdaad is een kind bij de geboorte als een onbeschreven blad papier, want er is nog niets over hem te vermelden, geen goed en geen kwaad. Maar het is in de natuurlijke wereld gekomen, waarvan de apostel zegt, dat hij ‘zolang dit lichaam onze woning is, we ver van de Heer wonen’ (2 Cor.5:6). Het kind wordt dus geboren in het domein van de overste van deze wereld en het krijgt te maken met de machten van wetteloosheid, die op zijn geest, ziel en lichaam proberen in te werken. We zouden kunnen zeggen dat het in een vergiftigende atmosfeer terecht is gekomen. Daarom moeten de ouders alles in het werk stellen hun kleintje te beschermen en te heiligen, zowel in de natuurlijke als in de geestelijke wereld.

Het kind heeft ingebouwde mogelijkheden met veel rijke variaties. Deze aangeboren gaven moeten ontwikkeld worden. Men kan er echter zeker van zijn, dat de vijand op de loer ligt om het groeiproces af te remmen, of naar de verkeerde kant om te buigen. Natuurlijk moeten wij niet iets zondig noemen wat niet helemaal in ons denk-of levenspatroon past. Iets is zondig of wetteloos als het in strijd is met de ingeschapen wet van God. Luiheid is een afremming van de ingeschapen activiteit. Gulzigheid is een wetteloosheid van een natuurlijke begeerte van het lichaam om te eten en te drinken. Driften hoeven niet verkeerd te zijn: geestdrift, bezitsdrift, geslachtsdrift en een drift tot zelfbehoud hebben hun functie. Bemoeizucht is wetteloosheid, want men begeeft zich buiten de door God gestelde grens van verantwoordelijkheid en beoordeling. Lafheid spruit voort bij een onderdrukking van de menselijke geest vanuit het rijk van de duisternis en door gebrek aan geloof. Nieuwsgierigheid is een heel goede eigenschap, want ontdekkingen en uitvindingen zijn aan haar te danken. Zonder nieuwsgierigheid leefden wij nog in het stenen tijdperk! Vaak is er sprake van een inwonende boze geest. Er staat immers: ‘Als ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde(macht), die in mij woont’ (Rom.7:20). In het vrederijk worden de kinderen op dezelfde wijze geboren als nu. Ze zijn beslist geen andere wezens dan onze kleintjes, maar de verleiders en de verdrukkers zijn weg. De overweldiger van de volken is dan neergeworpen in het dodenrijk! (Jes.14:12). Het kind kan zich dan naar de ingeschapen wet van God vrij ontwikkelen en het kan naar de volmaaktheid opgroeien.

De bezoeker merkt verder op:

  • “Volgens Jacobus zal God niemand verzoeken; daarin kunnen wij het eens zijn, maar Hij haalt de duivel er ook niet direct bij en vraagt ons maar goed op onze eigen begeerte te letten, die volgens u niet bestaat, maar het product is van een demonische macht.”

Er staat dat onze Heer Jezus door de Geest geleid werd naar de woestijn om verzocht te worden door de duivel. Tot Hem kwam de ‘verzoeker’ (Matth.4:1-11). Tegen Simon en de andere leerlingen zei Jezus: ‘De satan heeft verlangd u te ziften als de tarwe’ (Luc.22:31). Aan zijn broeders in Saloniki schrijft Paulus dat hij Timotheüs tot hen had gezonden om zich te vergewissen ‘of de verzoeker hen misschien had verzocht’ (1 Thess.3:5). De bezoeker gaat echter van de veronderstelling uit, dat de mens de verzoeker is van zichzelf! Zo’n persoon zal dan wel moeten lijden aan schizofrenie. Hij zal dus bidden: leid mij niet in verzoeking, maar verlos mij van mijzelf, want ik wil de duivel hier niet direct bijhalen. Ik heb nooit geschreven dat onze begeerten een product zijn van de boze geesten. Onze begeerten zijn niet slecht, want zij horen bij het karakteristieke van de mens. De duivel probeert echter de begeerten om te buigen en in zijn dienst te stellen. Zo is seksuele begeerte beslist geen zonde, maar wie de vrouw van zijn naaste begeert, is een prooi van een zondige lust. Begeerte naar bezit is niet verwerpelijk, maar zij moet onderworpen zijn aan de hoofdsom van de wet, welke gebiedt de naaste lief te hebben als zichzelf. Men mag zijn bezit niet op onrechtmatige wijze vermeerderen ten koste van een ander. Daarom staat er: ‘U zult niet stelen’.

Tenslotte verwijt de schrijver mij, dat ik te ongenuanceerd over de zonde zou schrijven:

  • “Er wordt gemakkelijk gezegd dat de leugen uit de duivel is, want deze is de leugenaar vanaf het begin, maar daar zijn wij niet mee klaar. Een leugen kan noodzakelijk zijn en goed, als het gaat om iemand te redden, bijvoorbeeld een Joodse onderduiker bij een razzia tijdens de oorlogsdagen’.
  • Hij stelt dan zelfs de vraag:’ Als Jezus in 1944 tussen ons leefde, wat zou Hij geantwoord hebben op de vraag, of in het huis waarin Hij woonde, ook Joden verborgen waren?”

Niet wij zeggen gemakkelijk dat de leugen uit de duivel is, maar dit zei de Heer in Johannes 8:44. Deze zei zelfs dat de duivel de vader van de leugen is, dus de oorsprong ervan. Elke leugen komt dus voort uit de duivel! Nu merk ik op dat de overheid in deze wereld de doorwerking van het kwaad moet keren door kwaad met kwaad te vergelden, dus door het loon van de zonde uit te keren. Dit gebeurde zelfs in Israël: door de wet van: oog om oog en tand om tand. Het gevolg hiervan was, dat er niet één mismaakte was, maar twee: twee eenogigen en twee tandelozen. Zo straft de overheid door middel van de wet van zonde en van dood. Zij heeft geen andere mogelijkheid tot haar beschikking. Tot ons zegt de Heer echter, dat het onder ons niet zo zal zijn. Er staat: ‘Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen. Wreek uzelf niet, geliefden’ (Rom.12:17-19). Wij zullen integendeel zegenen die ons vervloeken en wél doen aan hen die ons geweld aan doen.

Rachab redde door een leugen, velen zeggen in zo’n geval: leugentje, de verspieders, die door Jozua waren uitgezonden. Haar daad is begrijpelijk en wie zal haar veroordelen? Zij is echter vanwege haar gelóóf en niet dank zij haar leugen in de lijst van geloofshelden opgenomen. Wanneer een christen liegt, natuurlijk om bestwil, moet hij toch altijd iets in hem overwinnen, omdat de leugen toch ergens niet past bij de nieuwe schepping en zijn deelgenootschap van zijn hemelse roeping. Zou een christen – als dit van hem werd geëist – zijn leugen ook mogen bevestigen met een valse eed? Of mag hij zich er dan weer op beroepen dat hij uit principiële overwegingen geen eed mag afleggen? In dat geval zal echter zijn ja: ja, en zijn nee: nee moeten zijn.

Rachab kon liegen, dus het kwade met het kwade keren, maar God kán niet liegen en Rachabs grote nazaat, Jezus Christus evenmin. Van Hem werd gezegd dat in zijn mond geen bedrog werd gevonden en Hij heeft ons hierin een voorbeeld nagelaten (1 Petr.2:21,22). Ook van zijn overwinnende volgelingen wordt gezegd, dat in hun mond geen leugen werd gevonden (Op.14:5). Een kind van God hoeft niet altijd de waarheid te zeggen als hierdoor een ander schade zou lijden. Hij kan ook zwijgen en langs deze weg zijn leven geven voor zijn vrienden. Hij kan ook wijsheid van boven ontvangen, om zo het juiste antwoord te geven. Sprak de Heer niet, dat het ons in zulke ogenblikken gegeven zou worden?