3. Erfzonde en vrije wil

<<<<<

Behalve de bewering dat de wereld (van het vlees) onderworpen is aan de principes van het kwaad – waardoor zij ook gekenmerkt wordt – blijft Maarten Luther op zijn stuk staan dat de mens van nature slecht is. Vanuit dit gezichtspunt staat de mens volgens Luther op één lijn met de Satan. Een verschrikkelijke gedachte! Beiden, zowel de Satan als de mens, zijn gevallen en door God verworpen. Volgens Luther kunnen zij beiden niets goeds meer willen, want zij keren zich altijd in de richting van hun eigen begeren.

De monnik Augustinus

Maar waarom is de wil van de mens volgens Luther dan altijd slecht? Het antwoord vinden we later in de leer van de overspelige monnik Augustinus over de erfzonde, die een integrerend deel werd van Luthers beschouwing over de mens. Over de erfzonde schreef Luther:

  • “Adam zondigde geheel uit vrije wil en vanuit hem is er een wil om te zondigen in ons geboren, zodat we niet uit onwetendheid kunnen zondigen, maar geheel uit eigen wil. Dit is dan onze slechtheid…”

De kwade wil is niet alleen aangeboren, maar we krijgen daarnaast met deze natuur volgens de Joden en Luther ook nog een pakket ‘natuurlijke zonden’ toegeschoven. Dit noemt men overgeërfde zonden (Erbsünde), want wij hebben ze niet bewerkt, maar ze zijn er door onze ouders ingebracht. Wij worden hierdoor beschuldigt dat we ze zelf zouden hebben bedreven. Wij kunnen dus de conclusie trekken, dat de leer van de knechtelijke of slaafse wil haar wortels vindt in de leer over de erfzonde. Ze hebben onafscheidelijke bestanddelen gezamenlijk en hebben de bedoeling om de slechte ‘natuur’ van de mens te bevestigen, dat is dus apart en losgemaakt van enige slechte ‘daad’. En toch is het de bedoeling van het evangelie om de mens te ‘bevrijden’ van het kwaad. Het begrip ‘redding’ zou een bespotting of grap zijn en het gebed ‘verlos ons van de boze’ een holle frase, als wij onszelf als onze grootste vijand moesten beschouwen. Dit doen we als we overeenstemmen met de gedachten van Luther:

  • “Dat er in de ‘heiligen’ en ‘godvruchtige’ mensen zo’n ontzaglijke oorlog tussen Geest en vlees bestaat, dat zij niet meer kunnen doen wat zij willen…”

Van deze vooropgezette stelling uitgaande, redeneert Luther als volgt:

  • “Wanneer de menselijke natuur zo slecht is, dat degenen die opnieuw geboren zijn door de Geest, niet alleen falen bij hun streven naar het goede, maar dat zij zelfs strijden tegen het goede en eraan weerstand bieden, hoe zouden dan zij die niet opnieuw geboren zijn, naar het goede kunnen streven? Dezen dienen immers de Satan nog in hun oude mens..?”

Wij zien dat deze leer van Luthers’ god – die de bedoeling had om zijn genade boven en tegenover de menselijke wil te verheerlijken – uiteindelijk het evangelie krachteloos maakt en geen enkel goed resultaat oplevert. Ook wij onderschrijven: ‘Wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken van de wet’ (Rom.3:28), maar in zijn ijver om de mens zelfs het geringste vermogen te ontzeggen, schrijft Luther alles aan zijn god toe. Het ‘ik kan willen’ wordt door Luther op subtiele wijze verschoven, als hij zegt:

  • “Dit ‘willen’ is de aansporing van de Geest welke vanuit de liefde werkt…”

Verder wordt in de theologie van Luther niet alleen de menselijke wil als passief voorgesteld, maar ook het geloof is een zaak van de kracht van Luthers god en niet een menselijke eigenschap. Dit alles leidt dan tot de conclusie:

  • “Dat de almachtige god van Luther noodzakelijkerwijze ook bezig is en werkt in de Satan en in de goddelozen en hen manipuleert, want zijn god bewerkt immers alles in allen..!”

Hiermee doet Luther overduidelijk de betekenis van ‘allen’ in 1 Corinthiërs 12:6 geweld aan. Dit vers ziet duidelijk op de kinderen van God in wie de Gods Geest met zijn verscheidenheid van gaven werkt, maar Luther betrekt deze tekst ook op de kinderen van de duisternis.

Vrijwillige overgave of gedwongen onderwerping?

  • “Het is als een man (Luthers god), die op een paard (de mens) rijdt, dat maar drie of misschien maar twee goede poten heeft. De wijze van rijden is afhankelijk van de mogelijkheden van het paard. Dit betekent hier dat het paard slecht loopt. Wat kan daar de berijder daar echter aan doen..?”

Deze illustratie wordt door Luther niet gebruikt om de afhankelijkheid van zijn god aan te tonen, maar om te laten zien dat de allerhoogste in de Satan en in de goddeloze mensen overeenkomstig hun slechte natuur, het kwade en verdorvene bewerkt….

De werken van Satan

Verder bespeurt Luther in de slechte natuur van de mens ook het werk van de Satan:

  • “De Schrift tekent ons een mens, die niet alleen gebonden, ellendig, gevangen, ziek en dood is, maar die door de inwerking van zijn meester, de Satan, aan zijn ellende nog een verblinding bijvoegt, namelijk dat hij van zichzelf gelooft dat hij een vrij en gelukkig mens is, die de beschikking heeft over al zijn begaafdheden…”

De eerste mens was echter niet onbekwaam, zegt Luther, want hij werd bijgestaan door ‘genade’, maar door zijn geboden toont zijn god hem nu duidelijk hoe machteloos hij is zonder die genade. Opdat zijn trots gebroken zou worden, toont het tragische voorbeeld van de eerste mens duidelijk aan, wat diens ‘vrije wil’ kan bewerken, als hij aan zichzelf wordt overgelaten. Luther heeft over de mens, een warnet van uitspraken gelegd, te weten:

  • “Satan regeert in ons en voert een volledige heerschappij in de mens…”
  • “Mijn god en de satan zijn persoonlijk bij ons betrokken. Zij voeren in ons een onverzoenlijke strijd…”

Desondanks werkt Luthers god in de satan en in de goddelozen en spoort hen aan tot hun daden. Dit noodzakelijkheid principe stelt zijn god verantwoordelijk voor zowel goede áls slechte daden. In plaats dat hij een bevrijdende God is, vol goedheid en almacht, maakt deze leer Hem tot een god van goed en kwaad. Natuurlijk geeft deze uitspraak voor Luther wel problemen, want hij beweert op schizofrene wijze: 

  • “Dat zijn god – hoewel hij kwaad doet door middel van slechte mensen – hij toch uit zichzelf geen kwaad kan doen, want hij is goed en in hem is geen enkel kwaad…”

Ondanks de passieve rol die de mens in zijn redding speelt – want alles gaat toch volgens de regels van het principe van uitverkiezing en noodzakelijkheid – stelt zijn god de mens toch verantwoordelijk ervoor, als deze de redding niet ontvangt. Er is dan sprake van de menselijke onwil. Luther staat dan voor de onoplosbare opgave deze twee tegenstrijdige factoren samen te voegen. Omdat dit natuurlijk boven zijn krachten gaat, verwijst hij de oplossing van dit conflict terug naar zijn god zelf. Deze heeft met onze vragen niets te maken en Hij zegt:

  • ‘Wie ben jij, o mens, dat jij mijn god zou tegenspreken?’ naar (Rom.9:20).

Luther maakt onderscheid tussen zijn ‘gepredikte god’ en zijn ‘verborgen god’, dat betekent dan tussen het Woord van zijn god en zijn god zelf. Zijn god doet dan veel dingen die hij ons niet openbaart in zijn woord en hij wil veel dingen, die ons niet in zijn woord bekend zijn gemaakt. Dit brengt ons dan in een speculatieve gedachtewereld over het wezen van zijn god.

Het Woord is vlees geworden

Tussen God en zijn Woord is niet het minste verschil. ‘Het Woord was bij God en het was God’ (Joh.1:1, Interlinear Bible). Jezus stelde elke keer: ‘Ik en de Vader zijn één’ (Joh.10:30). Elke scheve gedachte hierover trekt Hij recht. Wanneer de leerling Filippus vraagt: ‘Toon ons de Vader en het is ons genoeg’, antwoordt de Heer: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Joh.14:9). Het feit dat het Woord vlees geworden is, houdt in, dat de dingen van God niet alleen op betrouwbare wijze tot de mens zijn gebracht, maar dat ze ook voor hem begrijpelijk zijn geworden. Jezus zei: ‘U zult de waarheid verstaan’, dus met het verstand kunnen volgen (Joh.8:32). Daarom staat geloof niet in tegenstelling tot begrijpen, maar geloven is het positieve antwoord op het horen van het Woord van God en het zien van wat God daarin toont. Het ware inzicht in de dingen die niet gezien kunnen worden en ook God zelf, zullen in deze laatste tijd door geloof en volharding onder de ‘zonen van God’ geopenbaard worden. Op deze manier wordt vervuld: ‘Laat Uw wil gedaan worden, zoals in de hemel zo ook op de aarde’ (Matth.6:10).

De kennis van God die in Jezus aanwezig is en ons in Hem aangeboden wordt, is onafscheidelijk en ten nauwste verbonden met de zin van iemands leven. Er waren dan ook bij Jezus geen vraagtekens over zijn opdracht, want Hij was de enige mens die vrij kon zeggen: ‘Zie, hier ben Ik, om uw wil te doen, o God’ (Hebr.10:7). Deze toewijding aan het plan van God bereikte haar hoogtepunt, toen Jezus oog in oog stond met de dood en Hij in zijn zielenstrijd uitriep: ‘Vader, als U wilt, neem deze beker van Mij weg; maar niet mijn wil, maar uw wil gebeurt’ (Luc.22:42).

  • Hier weerspiegelde zich de grootste tweestrijd, die ooit een mens heeft meegemaakt, want deze gehoorzaamheid aan God betekende ‘het lijden van de dood’ (Hebr.2:9).

Het werd een strijd op leven en dood van de hoogste en eerste orde. Het resultaat was, dat Jezus over zijn vijanden triomfeerde (Col.2:15). En zoals de eerste Adam de doorgever van het natuurlijke en tijdelijke leven was geworden, zo werd Jezus een levendmakende geest, dat is de doorgever van het eeuwige leven (1 Cor.15:45). Nergens in de Bijbel kan men ook maar de geringste aanwijzing vinden, dat dit leven ‘van boven’ met geweld wordt opgelegd. De nieuw geboorte vindt niet tegen de wil van een mens plaats, net zo min als het groeiproces naar de mannelijke volwassenheid (Ef.4:13). Zowel het een als het ander gebeurt door ‘het levende en blijvende woord van God in de sfeer van Gods Geest en bij voorkeur binnen de structuur van de gemeente (1 Petr.1:23).

De ware gemeente – en in haar al de plaatselijke gemeenten als een uitdrukking van plaats en tijd – ontstaat en vindt haar bestaansrecht in de hemel. De gemeente is immers het lichaam van Christus! Het is haar taak en daarom de taak van de zichtbare gemeenten, om haar leden tot geestelijke volwassenheid te brengen en op deze manier haar ware en volmaakte identiteit uit te drukken. Tot dit doel heeft Christus haar apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars gegeven (Ef.4:11-16).

>>>>>