2. De kern van het probleem

 <<<<<

In deel 1 zagen we hoe Luther en Erasmus tegenover elkaar stonden over de vrije wil. De kern van het probleem is volgens Luther – dat genade en vrije wil – respectievelijk aanwijzers zijn van de goddelijke natuur en de menselijke natuur en onverenigbaar zijn. Voordat wij in deze serie echter deze ‘onverenigbaarheid’ als een axioma aanvaarden, is het de moeite waard deze netelige kwestie eerst van nabij te bezien, te analyseren en haar elementen op hun zuiverheid te toetsen. Daarna volgen onze gezichtspunten als inleiding op Luthers stelling over de slaafse wil. De volgorde is dan:

  1. Ten eerste maakt Luther bij zijn openlijke veroordeling van de vrije wil geen onderscheid tussen willen en werken. Voor hem betekent het willen tegelijkertijd ook het vermogen om goede werken te doen, dus om rechtvaardige werken te doen.
  2. Vervolgens onderscheidt de Bijbel twee elkaar uitsluitende categorieën, namelijk vlees en Geest. Het vlees richt zich op het aardse of tijdelijke leven en het omvat de menselijke persoonlijkheid, die op dit gebied haar doel heeft gevonden. De Geest van God is echter eeuwig en de mens die met Hem verbonden is, vindt dan ook zijn doelstelling in het geestelijke of eeuwige leven. Verbondenheid betekent echter dat men in meerdere of mindere mate ook kennis moet hebben van – en geloof in de waarde van deze gebieden – en dat men ernaar gaat streven hun doelstellingen waar te maken. Kennis van de wereldse dingen komt bijna als vanzelfsprekend, maar die van de geestelijke dingen alleen door de Geest en de Woorden van God. Men kan slechts dan van een keuze spreken, wanneer het gebied van het Koninkrijk van God binnen het bereik van de mens is gebracht. Door het geloof wordt dit dan voor de mens toegankelijk.
  3. Ten derde komt het punt van het innerlijke conflict van het willen, namelijk respecteert God de wil van de mens of niet? Deze vraag leidt onvermijdelijk tot een onderzoek naar het wezen van God en van de mens. Naar onze mening ligt het antwoord in de erkenning van de orde: ‘God schiep de mens naar zijn beeld’ en als zodanig respecteert Hij de menselijke wil. Echter is het Gods wil dat de mens ook Zijn wezenseigenschappen draagt en daarom verlangt God dat de mens zijn eigen wil onderwerpt aan Gods wil. De vervulling van Gods wil wordt dan gerealiseerd in de geopenbaarde zonen van God. Zij wordt niet geopenbaard door middel van geweld en onderdrukking vanuit een wraakgierige god, maar louter door de menselijke onderwerping aan God vanwege diens intrinsieke goedheid. Aan het einde dan de slotsom dat de genade van God niet alleen uitnodigt om een echte keuze te doen, maar ook de kracht en het vermogen schenkt om in ware vrijheid te kiezen. Daarom is de genade een bevrijdende ervaring en wordt zij openbaar in hen die eruit leven.

Willen en werken

“De vrije wil is neergeslagen en totaal verpletterd…” (Luther)

In het denken van Luther zijn het willen en het werken van de mens onafscheidelijk verbonden. Ze vormen één begrip. Daarom slaat ‘vrije wil’ zowel op het een als op het andere. Daarom beweert Luther in zijn dispuut met Erasmus:

  • “Er bestaat gewoon geen vrije wil. Zonder de genade van mijn god is de vrije wil helemaal niet vrij, maar is zij de gevangene en permanente slaaf van het kwade, want de wil kan zich niet tot het goede keren…”

Zelfs op het gewone menselijke vlak geeft Luther er de voorkeur aan de term ‘vrije wil’ te schrappen, maar echter:

  • “mogen we met vertrouwen de mensen leren hun vrije wil te gebruiken, maar dan alleen met betrekking tot wat beneden hen is en niet tot wat boven hen staat. Dit wil zeggen dat de mens ten aanzien van zijn geld en bezittingen het recht heeft deze te gebruiken naar eigen believen, overeenkomstig zijn eigen vrije wil, maar dat daar dan de vrije wil van mijn god bovenuit gaat. Deze kan naar zijn eigen welbehagen steeds ingrijpen….”

‘Vrije wil’ is een uitdrukking die alleen op de god van Luther van toepassing zou zijn, want ‘zijn heer doet alles wat hem behaagt in de hemel en op de aarde’ (Ps.135:6). Aan de andere kant is het volgens Luther zo, dat wij alles doen uit noodzaak en niet uit vrije wil, want het vermogen van de vrije wil is nihil. Zij is tot geen enkel goed in staat en kan ook geen goed doen zonder de genade die God schenkt. Luther had in eerste instantie gelijk. Dit gekoppelde begrip ‘vrije’ wil is een probleem, in zoverre ‘vrij’ hier macht of vrijheid om te handelen betekent. Deze vrijheid wordt dan automatisch door een koppelteken met de wil verbonden. Maar ook vormt het tegengestelde begrip van ‘knechtelijke wil’ een probleem, omdat knechtelijk of slaafs in tegenspraak is met de inhoud van de wil, namelijk het doen van een keuze. Juist de keuze in verband met het hoogste goed wordt binnen het bereik van de mens gebracht door de boodschap van het evangelie, dat begint met de oproep:

  • ‘Bekeer u, want het Koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen’ (Matth.4:17).

Wanneer wij Luther in zijn gedachtegang blijven volgen, is er niet alleen een onvermogen in de mens om zich op het goede te richten, maar zijn vrije wil is niets anders dan een toestand van slavernij ten opzichte van zonde, dood en Satan. Het betekent: ongeschikt tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.

Hans Küng

Mc. Sorley onderscheidt in zijn boek: ‘Luther, right or wrong?’ (gelijk of ongelijk?) een natuurlijke vrijheid of vrijheid van keuze. Hij citeert dan Küng en schrijft: ‘Dit wordt op iedere bladzijde van de Schrift verondersteld, ook al gebruikt de Bijbel hier nooit het woord vrijheid voor.’

Ondanks deze waarheid is Luther ervan overtuigd dat:

  • “Iedere poging om de wil vrij te stellen, tenslotte het tegenovergestelde bewerkt en de vrije wil meer dan ooit gebonden blijkt te zijn met onverbreekbare banden…”

Het indirecte bewijs voor het bestaan van een eigen wil wordt opzij geschoven met een gevoel voor logica, dat wel typerend is voor Luther. De grote hervormer miskent de uitspraak in Jezus Sirach 15:14-17:

  • ‘God was het die van het begin af de mens maakte en hem liet in de macht van zijn eigen overlegging. Als u maar wilt, kunt u zich aan de geboden houden en als u er behagen in schept, kunt u trouw blijven. Hij heeft vuur en water voor u neergezet, u kunt uw hand uitstrekken naar wat u wilt. Vóór de mensen liggen het leven en de dood en wat de mens behaagt, zal hem gegeven worden’.

Wèl gebruikt Luther de uitspraken van Jezus Sirach om zijn eigen beweringen te ondersteunen en hij schrijft:

  • “Als Jezus Sirach duidelijk had willen maken dat er een vrije wil bestond, zou hij gezegd moeten hebben: de mens is in staat om Gods geboden te houden, of de mens heeft het vermogen om Gods geboden te volbrengen…”

Luther: ‘Er bestaat uiteindelijk geen vrije wil..’

Ditzelfde geldt voor alle andere geboden, oproepen, uitnodigingen, vermaningen, die volgens Luther niets bewijzen over de vrije wil. Inderdaad spreken vermaningen en aansporingen niet over een vermogen van de mens, maar zij gaan wel uit van een vaststaand feit dat de mens een wil heeft om te kiezen. Als dit niet het geval was, zou er in de mens niets zijn overgebleven waarop God een beroep kon doen met zijn Woord. Ook zou een mens onmogelijk kunnen worden aangetrokken door de goedheid van God en van gehoorzamen en onderwerpen zou dan geen sprake kunnen zijn. Kortom zouden al Gods bemoeiingen met de mens nietszeggende gebaren en lege woorden zijn. Dit is nu precies wat Luther deed, toen hij de inhoud van de woorden met het gebruik ervan vergeleek. Om een voorbeeld van Luther te geven:

  • “Wanneer de Bijbel zegt: als u gewillig bent, of als u doet, of als u hoort, is dit te vergelijken met een soort ouders, die tijdens hun spel met de kinderen, zeggen: kom dan of pak het maar, alleen om hun te tonen dat ze machteloos zijn om te komen of te pakken. Ze worden dan wel gedwongen om de hulp van hun ouders in te roepen…”

Bij dit onderscheid tussen het willen en het handelen van de mens – en voor dit laatste is kracht nodig – blijft de vraag: is dit voorbeeld van Luther niet eerder een zaak van frustratie dan van een besluitvaardigheid van de mens?

Vrij van de wet

Volgens Paulus is het antwoord tweeledig: inderdaad is het een frustrerend gevoel om onder de wet te zijn en toch in het vlees te moeten leven. Dit wordt dan samengevat in de uitroep:

  • ‘het goede dat ik wil, doe ik niet…’ (Rom.7:19).

Maar zij die niet naar het vlees, maar naar de geest wandelen, ondergaan een bevrijdende ervaring (Rom.8:1-5). Toch is Luthers uitleg, gebaseerd op Augustinus, volkomen anders en hij komt tot geheel andere conclusies. Hij gaat uit van een voortdurende conflictsituatie in de gelovige zelf ten aanzien van twee principes: dat van het vlees tegenover dat van de Geest.

Vlees tegenover geest

Over de tekst in Romeinen 7:18: ‘Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken kan ik niet’ schrijft Luther in zijn ‘Verhandeling over de Romeinenbrief’ (1516):

  • “Hij, Paulus, de christen, wil niet begeren en hij is van oordeel dat het goed is om niet te begeren en toch begeert hij en kan hij zijn eigen wil niet volbrengen. Daarom vecht hij tegen zichzelf. Omdat vlees en geest echter zo nauw zijn samengebonden, hoewel zij geheel tegenover elkaar staan, daarom ziet hij het werk van beide als behorende bij zijn persoon, zodat hij tegelijkertijd geheel vlees en geheel geest is…”

Wat is dan ‘vlees’ en hoe uitgebreid is zijn gebied? Luther concludeert:

  • “Dat het vlees niet een deel van de mens is, zelfs niet het beste of oorspronkelijke deel vlees is, maar alles van de mens is vlees; en dat niet alleen, maar alle mensen zijn vlees en zelfs nog meer: het hele menselijke geslacht is vlees. Zei Christus niet: ‘Wat uit vlees geboren is, is vlees’? (Joh.3:6).

Wat betekent het dan om vlees te zijn? Luther beweert dat het vlees niet alleen zwak is, zoals blijkt uit de woorden van Jezus, dat ‘de geest wel gewillig is, maar het vlees zwak’, maar dat het vlees zelf totale verdorvenheid insluit. Om dit standpunt te verdedigen, verklaart de ex-monnik:

  • “Wanneer Paulus de Corinthiërs vlees noemt, wijst hij daarmee geen zwakheid aan, maar verdorvenheid. Hij beschuldigt hen van sektarisme en partijschap, wat geen zwakheid of onvermogen om goed onderricht te ontvangen, aanduidt, maar Paulus wijst hen op het zuurdeeg van boosheid, waarvan hij hen gebiedt zich te reinigen…” (1 Cor.3:1-3; 5:7).

De kritieke vraag blijft: is het vlees, dat wil zeggen de mens, van nature slecht, of bezwijkt hij onder de druk van het kwaad vanwege zijn zwakheid? De vleselijke mens is immers ‘verkocht’ onder de zonde (Rom.7:14). Wat uit het vlees is, is vreemd aan het Koninkrijk van God en als iemand niet uit de geest geboren is, kan hij het Koninkrijk van God niet zien (Joh.3:3). Als wij nu Luthers gedachten verder overnemen, stelt hij:

  • “Als de mens een vreemdeling in Gods Koninkrijk en voor zijn Geest is, volgt hier noodzakelijkerwijs uit, dat hij dan leeft onder de heerschappij van de Satan. Er bestaat immers geen koninkrijk tussen het rijk van God en dat van de Satan in. Die twee koninkrijken staan ook altijd op voet van oorlog met elkaar…”

Daarom gelooft Luther dat de Satan de overste van deze wereld is, zoals Christus en Paulus ons dit ook meedelen. De Satan regeert volgens Luther in de wil en de gedachten van de mensen, omdat zij zijn gevangenen zijn en hem dienen.

Aan deze verklaring willen wij toevoegen, dat de Satan regeert in de wil en in de gedachten van de mensen, in zoverre hij hen gevangen houdt in onwetendheid en hun geen andere keuze, hoe dan ook, overlaat.

>>>>>