5 De grote aanklacht van psalm 51

Nathan voor Koning Davids overspel – Rembrandt (1606-1669).

‘Maar de natuurlijke mens neemt de dingen van de Geest van God niet aan, want ze zijn dwaasheid voor hem. Hij kan ze ook niet leren kennen, omdat ze geestelijk beoordeeld worden’ (1 Corinthe 2:14).

Onbevooroordeeld lezen

Wanneer wij de reacties over de erfzondeleer lezen op talrijke sites, dan verbazen we ons steeds weer over het natuurlijk christendom in Nederland. Een christendom dat geen persoonlijke bekering kent, maar zich een automatische ‘verbondsleer’ met Abraham of overleden voorouders aanmeet. Het hardop zeggen een voorgeprogrammeerde belijdenis doet het ook erg goed. Kerkgangers die nog nooit hebben gehoord van het Bijbels fundament uit Hebr.6:1,2 of dit bewust hebben afgewezen; niet opnieuw geboren zijn en zeker niet vervuld met Gods Geest. In deze onbekeerde en niet Geestvervulde staat, leest men wel van kinds af aan wat er staat geschreven, maar men verstaat niet wat men leest. Het kerkdom is horende doof en ziende blind. Een Bijbelse weerlegging van de erfzondedwaling is van kerkgangers dus niet te verwachten. Zij hebben zich gehuld in dogma’s, overleveringen van voorouders en formulieren, die hen steeds verder het moeras intrekken.

Wanneer de zonde van Davids overspel door de profeet Nathan aan het licht gebracht wordt, merkt deze  op, dat de koning door zijn daad de oorzaak was geworden, dat de vijanden van de Heer reden hadden gevonden om de naam van zijn God te onteren en te lasteren. Dat David overspel bedreven had, zou hem bij de heidenen nog niet in diskrediet hebben gebracht, want het huwelijksleven stond bij hen maar al te vaak op een laag peil, maar dat hij zijn trouwe krijgsoverste Uria op zo’n laaghartige wijze uit de weggeruimd had, wekte bij de volken diepe verachting op. ‘De zaak van de Hethiet Uria’ werd hem zwaar aangerekend (2 Sam.12:14 en 1 Kon.15:5). David zal echter nooit hebben vermoed, wat een verschrikkelijke uitwerking zijn belijdenis zou hebben op het dogma van de kerken, toen hij in de grote nood van zijn leven uitriep: ‘Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen’. De uitleg die aan deze woorden is gegeven en die de aanzet werd tot de leer van de erfzonde, heeft de waarheid van God aangetast en zijn Naam ontheiligd.

Psalm 51 begint met een concrete situatie. David maakte deze psalm ‘toen de profeet Nathan bij hem gekomen was, nadat hij tot Bathséba gekomen was’. Naar het rechtvaardig oordeel waren David en Bathséba vanwege hun overspel aan de dood schuldig (Lev.20:10). In plaats daarvan zei Nathan: ‘U zult niet sterven .. uw pasgeboren zoon moet sterven’ (2 Samuel 12:14). Een week lang streed de koning om het behoud van zijn zoon. Hij vastte en bracht de nachten liggend op de grond door. In die dagen dichtte hij de 51-ste Psalm en wij mogen deze niet losmaken van Davids zielenstrijd om het leven van zijn kind. David worstelde met God vanwege de vraag: waarom moet deze kleine sterven en ik niet?

Natuurlijk had hij ook tegen Uria gezondigd, maar uiteindelijk spitste zijn belijdenis zich toe in de woorden: ‘Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad was in uw ogen’. In zijn strijd om het behoud van zijn kind stelde David zich nogmaals voor de Heer, hoewel Nathan hem verzekerd had dat zijn zonde vergeven was. Maar als God ‘dan rechtvaardig is in zijn uitspraak’ dat zijn zonde vergeven was en ‘zuiver in zijn gericht’ (vers 6), waarom moest zijn zoontje dan sterven? Gebeurde dit dan alleen omdat het ‘in zonde ontvangen en geboren was’? Maar dan roept David het uit:

‘Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen’ (vers 7).

Wanneer zijn kind vanwege deze onwettige geboorte sterven moest, had hém ditzelfde oordeel bij zijn geboorte moeten treffen. David was geen orthodoxe theoloog, wiens gedachten door de leer van de erfzonde gericht waren. Het Joodse denken kent geen erfzonde, verzekerde ons eens een rabbijn. Zonde is bij de Joden steeds verbonden met een actieve daad en niet met een passieve toerekening. Wij merken dit ook op aan een uitspraak van de Farizeeën bij de geschiedenis van de blindgeborene. Op de vraag wie er gezondigd had, de blindgeborene of zijn ouders, is hun antwoord: de ouders. Daarom zeiden zij tot de blindgeborene: ‘U bent geheel in zonde geboren en wilt u ons leren? En zij wierpen hem uit’ (Joh.9:34). Dit wijst er duidelijk op dat zij zijn geboorte in verband brachten met een zondige daad van de ouders, omdat het niet in hun gedachten opkwam de schuld van zijn blindgeboren zijn hemzelf toe te rekenen. Zij achtten zichzelf echter niet in zonde geboren, want zij waren gaaf en goed op de wereld gekomen.

Waar de erfzondeleer onder de Joden dus onbekend is, kan men moeilijk van David verwachten, dat zijn belijdenis in zo’n precaire situatie te maken zou hebben met een dogmatische achtergrond. Wie deze woorden van David objectief en zonder de bril van de erfzondeleer leest, zal moeten toegeven dat David hier erkent dat ook zijn afkomst in verband stond met wetteloosheid. Wanneer iemand zou zeggen: ‘Mijn geboorte is een gevolg van de zonde van mijn moeder’ zal ieder daaruit dezelfde conclusie trekken.

Het werkwoord ‘ontvangen’

Wij hebben gemerkt dat sommigen een verkeerd begrip hebben van het werkwoord ‘ontvangen’ zoals het hier gebruikt wordt. Het betekent niet dat de moeder het kindje als een zondig mensje had aangenomen na zijn geboorte. In de kanttekeningen van de Statenvertaling staat bij het werkwoord ‘ontvangen’: ‘Hebreeuws verwarmd; of, is door mij verwarmd geworden; te weten, mij ontvangende en dragende. Wat betreft het Hebreeuwse woord, vergelijk Genesis 30:38,39,41. In deze drie genoemde teksten is dit woord in de Statenvertaling weergegeven door verhit worden’ en in de Nieuwe vertaling door bronstig worden’. Vergelijk ook Genesis 31:10.

‘Het gebruik van het werkwoord waarmee hier de conceptie wordt aangeduid, is gewoon verbijsterend’, lazen wij in een proefschrift over de erfzonde. Dit vervolgt dan:

‘In zijn letterlijke betekenis van ‘heet-zijn’, ‘bronstig-zijn’ wordt jaham, in de drie gevallen waarin het in de Bijbel voorkomt, steeds in verband gebracht met de dieren. Alleen al het woordgebruik schijnt dus diegenen gelijk te geven, die menen dat de psalmist inderdaad de generatiedaad voor onrein houdt en dat daardoor zijn ouders zondigden, toen zij David het leven schonken. Delitsch zegt dat deze grove terminologie op het dierlijke van de coïtusdaad ziet, die de geboorte en de ontvangenis in zichzelf zondig maakt’.

Men komt echter niet op de gedachte dat ook koning David wel eens in overspel zou kunnen zijn verwekt. Ook Calvijn verwerpt deze gedachte, want hij merkt in zijn verklaring van de psalmen op:

‘Als men het Hebreeuws hier letterlijk vertaalt, zou dit luiden: ‘Van mij verwarmd is geworden; omdat deze manier van spreken echter een weinig grof en vreemd is, hebben de Schriftverklaarders die beeldspraak zeer gepast verzacht, door te vertalen: mij heeft ontvangen. Wat mij betreft, het schijnt mij toe, dat de Profeet te kennen wil geven, dat, terwijl wij nog wel warm en wel verborgen zijn in de ingewanden onzer moeders, de zonde ons reeds omringt en als het ware ons nest is’.

Calvijn vervolgt dan verder:

‘Nu erkent hij zich niet slechts aan één zonde schuldig, of zelfs niet aan velen, zoals hij tot nu toe gedaan heeft; nee, hij gaat voort en zegt, dat hij van de buik zijner moeder aan, niets anders medegebracht heeft dan zonden en dat hij van nature geheel bedorven en stinkende is van ondeugden. Zelfs moet elke zonde in het bijzonder ons tot die algemene bekentenis brengen, dat er in het geheel onzer ziel niets anders dan zuivere verkeerdheid heerst’.

Tenslotte schrijft deze ‘reformator’:

‘Want David beschuldigt hier niet zijn vader en moeder, die hem geteeld hebben; hij werpt niet de schuld op hen; maar zich stellende voor de rechterstoel van God, erkent en belijdt hij een verdorven, doemwaardig schepsel te zijn, zodat hij al zondaar was, voordat hij nog was geboren. Al wie niet belijdt, dat het verstand van de mens geheel bedorven en zijn hart gans boos is, erkent niet dan een zeer klein deel van de erfzonde’.

Al deze uitleggers zijn het erover eens dat het ‘ontvangen’ ziet op de geslachtsdaad. Maar de Schepper heeft gezegd: ‘Weest vruchtbaar en wordt talrijk’ en daartoe heeft Hij de gemeenschap tussen man en vrouw gegeven en gesanctioneerd, want ‘God zag alles wat Hij gemaakt had en zie, het was zeer goed’ (Gen.1:28,31). Waarom zou deze daad dan later wetteloos of zondig zijn? Dat een kind een veilig en warm nestje in de schoot van zijn moeder heeft, zullen wij beslist niet ontkennen, maar dat het daar in de wetteloosheid ingebed zou zijn, is absurd, want de ontwikkeling van de vrucht is wetmatig en kunstig. De Psalmist zegt in dit verband: ‘Ik loof U, omdat ik heel wonderbaar ben toebereid, wonderbaar zijn uw werken; mijn ziel weet dat zeer wel’.

Deze psalmist was opnieuw koning David. Hij wist heel goed dat hij in de schoot van zijn moeder niet in wetteloosheid groeide, maar als een ‘borduurwerk gewrocht’ was (Ps.139:14,15 St. Vert.). Het hele verhaal van Calvijn over een bedorven natuur, die stinkende is van ondeugden, kan daarom als een kwaad bedenksel aan de kant worden geschoven. Wanneer wij dus op het woord ‘ontvangen’ letten, ziet dit op de gemeenschap tussen man en vrouw en in deze psalm wel op een zondige, felle uiting van seksueel verkeer in overspel. Hoe weinig David verder aan een erfzondehypothese heeft gedacht, blijkt opnieuw uit de volgende ontboezeming:

‘Ontzondig mij met hysop, dan ben ik rein, was mij, dan ben ik witter dan sneeuw’.

Hierbij zien wij een zinspeling op de ceremoniële reiniging van melaatsheid en bij verontreiniging door het aanraken van een dode (Lev.14; Num.19). Bij de psalmist gaat het hier echter om een wezenlijke ontzondiging van de innerlijke mens, die meer is dan een cultische reiniging. David spreekt dus van ontzondiging, van reiniging en van witter dan sneeuw. Hieruit blijkt dat de mens van oorsprong niet slecht is, want hij wordt gereinigd van vuil dat niet wezenlijk bij hem hoort. Hij wordt dan zuiver wit. Dit gebeurd volmaakt door het bloed van Christus. Tenslotte stellen wij de vraag: Waarom zegt men dat genade geen erfgoed is en de zonde wel?

Nahas

Demonen uit de voorgelachten

Wij zien hoe in Davids huis de machten van onreinheid uit de voorgeslachten gewerkt hebben. Natuurlijk komen de kinderen het meest en het eerst in aanraking met die geesten, die ook vader en moeder gebonden hebben. Wanneer de duisternis zo vlak om het kind opereert, wordt het ook een gemakkelijke prooi. Terwijl Saul maar één bijvrouw (Rizpa) had, begint David al een heel harem te verzamelen. David had als stamvorst van het kleine Juda te Hebron al zes vrouwen. In Jeruzalem kwamen er nog wat meer bij.

De oudste zoon van David, Ammon, misbruikte zijn zuster Tamar. David deed zijn zoon geen leed, want hij had hem lief, omdat hij zijn eerstgeborene was, vertellen de Septuaginta-handschriften. De derde zoon van David was Absalom, die voor de ogen van het hele volk gemeenschap had met de bijvrouwen van David. Hij deed dit op hetzelfde dak, vanwaar David eerder Bathseba bespied had (2 Sam.16:22). Van koning Salomo is bekend dat hij veel vrouwen liefhad: zevenhonderd vorstinnen en driehonderd bijvrouwen (1 Kon.11). Van Amasa, de zoon van Davids (stief-?)zuster Abigal, schrijft de bekende Dächselverklaring bij 2 Samuël 17:25:

‘Amasa nu was eens mans zoon, wiens naam was Jethra, de Israëliet, naar de zeker nauwkeuriger lezing uit 1 Kronieken 2:17 een Ismaëliet, die buiten huwelijk ingegaan was tot Abigal, dochter van Nahas, zuster van Zeruja, Joabs moeder en bij haar deze natuurlijke zoon verwekte’.

De vraag doet zich voor wie deze Nahas was.

  • De kanttekeningen van de Statenvertaling merken op: ‘Nahas, de huisvrouw (gelijk sommigen menen) van Isaï, Davids vader.’
  • Anderen menen dat Nahas een andere naam is voor Isaï zelf.
  • De kanttekeningen van de nieuwe vertaling (Kok) veronderstellen: ‘De moeder van Amasa schijnt een halfzuster van David geweest te zijn: zij hadden – als Nahas de vader van Abigal was – dezelfde moeder en een verschillende vader’.
  • Dächsel citeert Keil: ‘Uit de aanduiding van Abigal als dochter van Nahas en zuster van Zeruja, niet zuster Davids, hebben reeds oude uitleggers met recht opgemaakt, dat Abigal en Zeruja slechts stiefzusters van David waren, dochters van Davids moeder en Nahas, niet van Isaï’.

Men kan veronderstellen dat Davids moeder een mannennaam had, omdat deze naam zoveel voorkwam. Wij wijzen er echter op, dat de naam Nahas in de Bijbel alleen in de geschiedenissen van Saul en David voorkomt en nergens anders. Dat in de concordantie van Trommius Nahas de moeder van David genoemd wordt, is een gevolg van de veronderstelling van de kanttekenaars van de Statenvertaling en heeft dus verder geen enkele grond. Om aan Isaï drie namen toe te schrijven: Isaï, Jesse en Nahas lijkt ons ook ongeloofwaardig. Men onderscheidt dus:

  1. Nahas, de koning van de Ammonieten: 1 Sam. 11
  2. Nahas de naam van de eerste man van Davids moeder, of Davids moeder zelf,
  3. Nahas, de vader van Sobi, wonende in de hoofdstad van de Ammonieten: 2 Samuël 17:27.

Het vreemde is dan, dat in de geschiedenis van David de naam Nahas met drie verschillende personen verbonden zou zijn en dit zonder enige verklaring. Nahas zou dan de naam zijn van een Ammonitische koning (2 Sam.10:2), een Israëlitische vrouw en van een nog onbekende man uit Rabba Ammon (2 Sam.17:25,27). Het lijkt ons dichterbij de werkelijkheid om in alle drie gevallen Nahas als een en dezelfde persoon te zien, namelijk als koning van de Ammonieten.

Wij stellen ons de geschiedenis zo voor: Koning Nahas bezat als jongeman een bijvrouw bij wie hij twee dochters had. Deze vrouw werd verstoten en week uit naar de omgeving van Bethlehem. Haar ene dochter had gemeenschap met een Israëliet die Jitra heette en waarschijnlijk een tijd lang onder de Ismaëlieten had geleefd zodat hij ook in 1 Kronieken 2:16 een Ismaëliet genoemd wordt. De nieuwe vertaling heeft in 2 Samuël 17:25 gemakshalve het woord Israëliet maar vertaald door Ismaëliet, maar dit woord staat er niet. Haar andere dochter Zeruja had drie zonen, namelijk Abisai, Joab en Asaël. Wie de vader van deze mannen was, wordt nergens vermeld. Zij worden steeds aangeduid als ‘zonen van Zeruja’. Als haar dochters Abigal en Zeruja al groot zijn, raakt de moeder in contact met Isaï. Uit deze zondige gemeenschap werd David geboren, die wel door vader Isaï als zoon erkend werd, maar bij zijn broers niet in tel was. Abigal en Zeruja werden zusters van de zonen van Isaï genoemd, omdat zij door David en zijn moeder aan het huis van Isaï geparenteerd waren.

De woorden broer en zuster hadden een ruimere betekenis dan in onze taal. Zo noemde Abraham Lot zijn broer, hoewel deze slechts een neef was (Gen.13:8). In 1 Kronieken 2:16 worden de in het koninkrijk van David zo voorname mannen als Abisai, Joab, Asaël en Amasa op deze wijze onder de nakomelingen van Juda gerangschikt. Als koning onderhield David met Nahas goede betrekkingen; dit in tegenstelling met Saul, die Jabes in Gilead uit de handen van Nahas bevrijdde (2 Sam.10:2 en 1 Sam.11). Als Joab de hoofdstad van Rabba Ammon inneemt, juist na de zonde van David en Bathseba, bericht hij aan David: ‘Nu dan, vergader u de rest van het krijgsvolk, beleger de stad en neem haar in, zodat niet ik de stad inneem en niet mijn naam over haar wordt uitgeroepen’ (2 Sam.12:28). Het zou immers zo vreemd niet zijn als een kleinzoon van Nahas Joab, de koning van de Ammonieten werd. Waarschijnlijk heeft David nadat hij Rabba Ammon ingenomen had, daar Sobi, een andere zoon van Nahas, in plaats van Hanun, tot regent aangesteld. Dit zou dan verklaren waarom Sobi uit dankbaarheid met allerlei goede gaven David op zijn vlucht voor Absalom tegemoet trok (2 Sam.17:27).

Een aparte zoon

Wij merkten al op dat David in zijns vaders huis niet meetelde. Toen Samuël een van de zonen van Isaï tot koning moest zalven, liet men David bij de kudde op het veld. Wie beweert dat dit gebeurde, omdat David de jongste zoon was, herinneren wij aan de geschiedenis van Jacobs jongste zoon Benjamin. Jesaja 11:1 spreekt over een rijsje, dat voortkwam uit de afgehouwen tronk van Isaï. Afgezien van de geestelijke betekenis van deze woorden is zo’n twijgje een wilde loot, die verschilt met de andere takken. Opmerkelijk is dat de naam van Davids moeder niet in zijn geschiedenis vermeld wordt, terwijl van de andere koningen van Juda behalve de naam van de vader, ook die van de moeder staat opgetekend (zie bijv. 1 Kon.14:21, 31; 15:2, 10; enz.).

Dan is er nog iets, dat David tot een buitenbeentje in het gezin maakte. In 1 Samuël 16:12 en 17:42 wordt vermeld, dat David ‘rossig’ was, ‘ook had hij mooie ogen en een schoon voorkomen’. De Statenvertalers gebruiken het woord roodachtig. Obbink vertaalt door blond. Juist het feit dat bij David het roodachtige als iets aparts meegedeeld wordt, wijst erop dat dit signalement hem onderscheidde van de grote rest van Israël en van zijn broers. Hij had vreemd bloed. Het doet altijd zonderling aan, als in 1 Samuël 16:18 aan Saul meegedeeld wordt, dat men de zoon van de Bethlehemiet Isaï voor hem op de citer zou laten spelen en dat een hoofdstuk later Saul (waarvan in 1 Samuël 16:21 staat dat hij veel van David hield) aan David moet vragen: ‘Van wie ben jij een zoon, jongeman?’ Ook Abner kon de blonde jongeman niet thuisbrengen; hij wist het echt niet (1 Sam.17:55)! Saul wilde waarschijnlijk nu eens nauwkeurig weten, wie hij eigenlijk in zijn gezin als schoonzoon kreeg.

Goliath

Wij zien dus dat David in het gezin van zijn vader gediscrimineerd werd, hoewel hij een mooi uiterlijk bezat en een musicus, een dichter, een held en een trouwe herder was. Bovendien had hij blijk gegeven dat hij een edel en godvruchtig karakter bezat. Het oordeel van zijn oudste broer was echter: ‘Ik ken uw overmoed en de boosheid van uw hart’ (1 Sam.17:28). Dit werd gezegd tot de man, die naar Goliath liep met de woorden: ‘Ik treed u tegemoet in de naam van de Heer van de hemelse legers, de God van de slagorden van Israël, die U getart hebt’. Davids legeroversten zijn dan later niet de zonen van Isaï, maar de zonen van Zeruja.

Zonde is geen biologisch verschijnsel

Zonde is niet iets wat wij als een erfenis van ouder op ouder meekrijgen, maar zondigen betekent gehoorzamen aan satans demonen en voor hen werken (Gen.4:7; Jac.1:15). De duivel is de vader van de leugen en de oorsprong van alle ongerechtigheid. Hij heeft het auteursrecht en het patent van elke vorm van wetteloosheid. Uit de kracht van de wet van zonde en dood keert hij zijn dienstknechten hun loon uit, dat als straf bij hen overkomt. Door middel van zijn verleidende en onderdrukkende geesten moet hij ieder mens tot gehoorzaamheid brengen en aan zich onderwerpen. Niet door overerving, maar door misleiding en pressie gaat de zonde tot alle mensen door.

Erfzonde of duivelswerk?

Wij hebben ook geconstateerd dat er meer gesproken wordt over erfzonde, erfschuld en erfsmet, woorden die in de Bijbel niet voorkomen, dan over erfgenaam zijn van God en mede-erfgenaam zijn van Christus, de hoge positie waartoe ieder die in Christus is, wordt geroepen. Wanneer men over zonde spreekt, elimineert men graag het aandeel van de satan: men moet niet zoveel over demonen spreken! Men gelooft liever dat alleen de mens alleen uit zichzelf de werken van de duisternis voortbrengt. Over zonde wordt wel veel gesproken, maar altijd in verband met de mens als auteur, waardoor de weg tot bevrijding en verlossing, dat is losmaking, achter een mistgordijn verdwijnt.

Zichzelf doden?

Zolang de Heer op aarde was, streed Hij tegen de zonde die Hij toeschreef aan de satan. Hij kwam om de slechte werken van de duivel te verbreken. Ook zij die door Hem van schuld en gebondenheid verlost zijn, hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, in casu hun eigen natuur, maar tegen de zondemachten die buiten hen zijn: ‘Biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vluchten’ (Jac.4:7).

Charles Finney

Een boom kent men aan de vruchten en een leer ook. Twee eeuwen was het de grote evangelist Finney, die fel stelling nam tegen de leer van de erfzonde. Tijdens zijn kruistochten werd hij namelijk met de vruchten van deze leer, die ‘oneindig onterend is voor God en een gruwel voor het menselijk intellect’ geconfronteerd. Overal waar hij op zijn reizen kwam, vond hij kerken die hun geestelijk verval vergoelijkten met de opmerking, dat we zondaars zijn tot de dood en dat de erfzonde die we van onze voorouders meegekregen hebben, nu eenmaal een onuitroeibaar kwaad is. Finney zag het ingrijpende van deze leer in, want voor haar aanhangers is er namelijk geen bevrijding van zonde mogelijk dan door middel van de lichamelijke dood. Zo leert toch immers ook de Heidelbergse Catechismus in zondag 16 dat onze dood: ‘Een afsterving is van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven….’ Met onze dood zou dus een einde gekomen zijn aan onze van Adam geërfde zondige natuur. Niet Jezus Christus, maar de dood zou de eer mogen opeisen de volkomen overwinning op de zonde te bewerken. Niet Jezus Christus, maar de dood zou de doorgang zijn tot het eeuwige leven! Finney leerde:

‘Het dogma van de erfzonde ontneemt aan de gelovigen het uitzicht op een volledige overwinning op de zonde en doet daarmee tekort aan het werk van Jezus Christus en aan de overwinningskracht van de Heilige Geest die in ons woont.’

Hij predikte de noodzakelijkheid van een volkomen overwinning op de wetteloosheid. Wie meent dat hij de zondigheid die hij van zijn ouders geërfd heeft, tot zijn dood toe meedragen moet, verzet zich als vanzelfsprekend tegen iedere boodschap die op de mogelijkheid en op de noodzakelijkheid van een zegevierend leven wijst.

De hypothese van de erfzonde is nog steeds voor velen een heilig huisje, waartegen niet geschopt mag worden. Wie de moed heeft dit op Bijbelse gronden toch te doen, loopt gevaar onmiddellijk voor ketter of valse profeet uitgezet te worden.