3. En kijk, het was zeer goed!

<<<<<

Geest, ziel en lichaam

Toen God na het scheppen en ordenen van de elementen van de aarde (de levenloze schepping) een begin maakte om de stof met de levensgeest te verbinden, gebeurde dit in bepaalde perioden. Allereerst is er sprake van het ontstaan van de plantenwereld. Gods Geest (niét 1/3e god) bouwt en onderhoudt de mossen, de bloemen, de heesters en de bomen in eindeloze variatie en geeft ze hun vorm en grootte. Hij bepaalde de kleur en geur, terwijl er ook sappen afgescheiden worden die bij de aard van het gewas passen. God zag dan dat deze eerste uitwerking van zijn rijke fantasie en gedachten goed was. Daarna ging Hij over tot het scheppen van een hogere levensvorm. De dierenwereld volgde in haar grote verscheidenheid: vissen, vogels, insecten en de zoogdieren van muis tot olifant.

Nadat God in deze schepping voldoende geëxperimenteerd had en alles goedkeurde, volgde de mens die naar zijn beeld en als zijn gelijkenis werd gevormd. Het was als bij iemand die overgaat van optellen en aftrekken, naar vermenigvuldigen en delen en later weer naar machtsverheffing en worteltrekken, om dan later te komen tot het werken met logaritmen en imaginaire getallen. De uitspraak was en zal zijn:

‘En God zag alles wat Hij gemaakt had en kijk, het was zeer goed!’

Gods Geest heeft het vermogen om de stof levend te maken, haar op te bouwen, er een lichaam aan te geven en dit dan tot vermenigvuldiging te brengen. Zowel bij de plant, bij het dier als bij de mens gebeurt dit naar de eigen geaardheid die God er aan heeft gegeven. Wanneer het gewas zaad geeft en de bomen vrucht dragen, heeft de levensgeest van de plant zijn taak vervuld. Daarna volgt dan het natuurlijke stervensproces. Ook tot de dieren werd gezegd dat zij vruchtbaar zouden zijn en talrijk worden. Bij hen is echter sprake van een hogere levensvorm, want zij hebben een instinct. Dit instinct zorgt ervoor dat het leven en óverleven kan. Wanneer de dieren nageslacht voortbrengen, voldoen ze aan hun taak. Dieren horen bij de natuurlijke wereld en hebben geen hogere opdracht. Ze zijn geschapen om na korte of langere tijd tot stof terug te keren, dus om te sterven.

De slang – Het sluwste dier van de aarde

De slang die tot het sluwste van alle dieren werd gerekend, wilde zich eenmaal in het paradijs verheffen in de geestelijke wereld. Dit reptiel kreeg contact met de satan die hem als instrument gebruikte. Na de zondeval herinnert God deze slang aan zijn werkelijke functie. Het is met de aarde verbonden en dit zal zo blijven. Nooit zal de geestelijke wereld voor de dieren opengaan. Daarom werd in het bijzonder tot de slang gesproken: ‘Op jouw buik zal je gaan en stof zal je eten zolang je leeft’.

Van de mens zegt Jezus echter, dat deze niet alleen van brood (voortbrengsel van deze aarde) zal leven, maar van álle Woorden die van God uitgaan. Geestelijk voedsel is niet voor de dieren bestemd. Ook in het vrederijk zal de slang stof tot voedsel hebben (Jes.65:25). Toen de Heer God Adam waarschuwde om niet te eten van de boom van kennis van goed en kwaad, zei Hij: ‘Want op de dag, dat u daarvan eet, zult u zeker sterven’. Adam wist dus dat het hem dan zou vergaan als de beesten van het veld. Ook hij zou dan in deze cirkelgang terechtkomen. Ook hij was stof en wanneer hij geen acht sloeg op de Woorden van God, was hij gedoemd om ongeestelijk en tot stof terug te keren zoals de flora en de fauna.

De mens – een geestelijk wezen

De mens als beeld van God kent echter een verdere ontwikkeling. De natuurlijke mens moet nog als geestelijk wezen leren leven. Dit betekent dat hij zijn plaats ook moet gaan innemen tussen de geesten in de hemelse gewesten. Hij is niet zoals de flora en de fauna geschapen om te sterven. Wel geldt voor de man en de vrouw dat zij zich op aarde moeten vermenigvuldigen, maar daarmee houdt hun levensproces niet op. Ze zijn pas voltooit als zij naar geest, ziel en lichaam bij de geestelijke wereld horen en daar als mens van God kunnen functioneren. Dan zijn zij ook aan het huwelijksleven onttrokken, zoals er staat: ‘Immers, in de opstanding trouwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel’ (Matth.22:30).

Metamorfose: ‘opnieuw geboren worden’

De Bijbel spreekt van een metamorfose of vormverandering die nodig is, zodat de mens in een andere dimensie kan leven. Neem als voorbeeld een rups, die vlinder wordt. Het insect komt door deze gedaanteverwisseling in een andere levenssfeer, krijgt met andere wetten te maken en heeft ook andere begeerten dan in de vorige staat van haar leven. Zo spreekt de Bijbel van een nieuwe geboorte, dus van een volkomen verandering van de inwendige mens. Zonder deze nieuwe geboorte kan iemand het Koninkrijk van God niet zien, laat staan binnengaan (Joh.3:3-5). Er staat: ‘Wordt hervormd (letterlijk: gemetamorfoseerd) door de vernieuwing van uw denken’ (Rom.12:2). Door mensen verzonnen belijdenisformulieren, sacramenten en mitswot zijn daarom waardeloos.

Wij kunnen ons nu het volgende voorstellen: Bij de natuurlijke geboorte verlaat het kind de moederschoot en komt het als zelfstandig wezentje in een andere omgeving terecht. Het begint zijn levensloop op aarde en moet zich daar ontwikkelen tot een volwassen mens. De ziel kunnen wij bij de natuurlijke mens zien als het slechts ten dele ontwikkelde onzienlijke lichaam. Zij bevindt zich in de sfeer van de overste van deze wereld. Bij haar nieuwe geboorte wordt zij onttrokken aan de macht van satan en overgezet in het Koninkrijk van Gods geliefde Zoon (Col.1:13).

In hun staat van onschuld waren Adam en Eva naakt. Dit drukte de situatie uit van hun innerlijke mens. Ze bezaten nog geen kleed van ongerechtigheid, maar ook nog niet een kleed van gerechtigheid, want zij hadden nog geen schatten verzameld in de hemelse gewesten. Na de zondeval werd hun ziel echter onrein en spreekt de profeet over een ‘bezoedeld kleed’ (Jes.64:6). Daarom stond God niet toe dat Adam en Eva in de geestelijke wereld zouden leven en zich daar in de verkeerde richting verder ontwikkelen. Hij verdreef ze van de levensboom die hun de toegang ontsloot tot de hemelse gewesten.

De torenbouwers van Babel en de antichristenen

Toen later de torenbouwers van Babel zich eensgezind verbonden om het Koninkrijk van de hemelen binnen te dringen, zei God: ‘Dit is begin van hun streven; nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn’. Om de verdere pogingen van satan te laten mislukken, greep Hij opnieuw in en verwarde de spraak, zodat nergens op aarde de afgodendienaars en occultisten eensgezind konden optrekken. De verdeling van de elkaar bestrijdende godsdiensten begon in Babel. In de tijd van dé antichrist zullen de goddelozen met hulp van satans demonen opnieuw in eensgezindheid proberen de heerschappij in de onzienlijke wereld te verwerven, maar dan zullen de zonen van God met de heilige engelen hen overwinnen in het hemelse Armageddon.

Zoals bij de geboorte in de natuurlijke wereld een kind in de staat van zijn onschuld naakt op de wereld komt, maar daarna bekleed wordt, zo is het ook met zijn innerlijke mens. Het kind groeit op in het domein van de overste van deze wereld en onder diens regime. Al snel heeft het een kleed van de ongerechtigheid geweven. Bij het groeien moet dan gezegd worden: ‘Uw ongerechtigheden (uw zondekleed) zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God en uw zonden (die u doet) laat zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort’ (Jes.59:2).

Nadat Jezus onze schuld wegnam, verdween het zondekleed en staat de gelovige voor God weer in staat van onschuld. Hij is een rechtvaardige geworden. Daarom kan hij opnieuw geboren worden en een goede plaats innemen in de onzienlijke wereld, zoals er staat: ‘God heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten’ (Ef.2:6). Deze werkelijkheid moet het kind geloven en vasthouden en dan kan het zich ontwikkelen tot een geestelijk volwassene. Zijn rechtvaardige daden vormen dan het gewaad van zijn ziel of geestelijk lichaam en bepalen zijn geestelijke statuur. Er staat van de vrouw van het Lam, de gemeente van Jezus Christus: ‘Haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden van de heiligen’ (Op.19:8). Paulus schreef: ‘Wij hebben een gebouw van God in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis’ (2 Cor.5:1).

De ziel van de mens wordt dus door de geest in staat gesteld via een ontwikkelingsproces niet alleen in de zintuiglijke wereld te functioneren, maar ook in de onzienlijke wereld. Door de nieuwe geboorte moet dit geestelijk lichaam tot volle rijpheid komen. De ogen moeten opengaan om te zien en de oren om te horen, de voeten moeten tot ontwikkeling komen om de hoge weg te lopen. De geestelijke tastzin is nodig tot onderscheiding van de boze en goede geesten; de demonen en de goede engelen. Het verstand moet verlicht worden en de gevoelens kunnen worden opgevoerd tot een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde. De geestelijke mens ervaart dan de vrede van het rijk van God die alle natuurlijke verstand te boven gaat.

De dood verzwolgen in de overwinning

Wanneer het innerlijke lichaam van de opnieuw geboren mens de volwassenheid of volmaaktheid bereikt heeft, verdwijnt zijn natuurlijk en sterfelijk lichaam in zijn geestelijk lichaam. Het wordt dan in een ondeelbaar ogenblik veranderd. Vervuld wordt dat ‘dit vergankelijk onvergankelijkheid aangedaan heeft en dit sterfelijke, onsterfelijkheid’. Deze voleinding is ook het tijdstip van de terugkomst van de Heer. Dan wordt de dood verzwolgen in de overwinning (1 Cor.15:50-58). Bij de verheerlijking op de berg, zien wij dat Jezus de overwinning van het geestelijke lichaam aan zijn leerlingen in een visioen toonde. Hij werd voor de ogen van zijn leerlingen getransfigureerd, van gedaante veranderd, zodat zijn gelaat straalde zoals de zon, terwijl Hij omhuld was met het witte kleed van de gerechtigheid. Zo is het de bedoeling dat wij metamorfoseren ’naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid’ (2 Cor.3:18).

Toen de slang tot Eva zei: ‘U zult zeker niet sterven’, drukte deze het wezenlijke verschil uit tussen de mens en het dier. De slang was immers van nature bestemd om te sterven, terwijl God een hogere bedoeling met de mens voorhad. Bij de val stierf de inwendige mens de dood, dat wil zeggen dat zijn ziel of zijn innerlijk lichaam zich niet verder ontwikkelde. Zij kon niet hoger opstijgen. Wel mocht de mens zich vermenigvuldigen net als de planten en dieren. Het was slechts een enkeling die een ‘getuigenis’ van hoger leven ontving over het Koninkrijk van God. Denk aan de geloofsgetuigen in Hebreeën 11. Bij zijn sterven ging de onontwikkelde ziel van de mens met zijn geest niet naar de aarde, maar naar het dodenrijk, naar de gevangenis, waar zij bewaard wordt tot de dag van de opstanding.

  • Waar echter de ziel van de christen zich verder ontplooit, is van de dood naar de innerlijke mens geen sprake meer. Zij is dan met Christus in het paradijs van God, waar volop geestelijk leven is. Ook bij het sterven van de christen blijft zijn innerlijke mens met Christus verborgen in God. Bij zijn opstanding zal deze levende ziel als geestelijk lichaam herrijzen en met Christus terugkomen, om zo haar taak ook op deze aarde te kunnen vervullen.

>>>>>