11. Het doorwerken van de zonde in de familie van David

<<<<<

Nahas

Wij zagen hoe in Davids huis de machten van onreinheid uit de voorgeslachten gewerkt hebben. Iets wat we later in deze serie ook zien bij Sebna en Eljakim. Natuurlijk komen de kinderen het meest en het eerst in aanraking met die geesten, die ook vader en moeder gebonden hebben. Wanneer de duisternis zo vlak om het kind werkt, wordt het ook een gemakkelijke prooi. Terwijl Saul maar één bijvrouw (Rizpa) had, begint David al een hele harem te verzamelen.

David had als stamvorst van het kleine Juda in Hebron al zes vrouwen. In Jeruzalem kwamen er nog wat meer bij. De oudste zoon van David, Ammon, misbruikte zijn zuster Tamar. David strafte zijn zoon niet, want hij had hem lief, omdat hij zijn eerstgeborene was, vertellen de Septuaginta handschriften. De derde zoon van David was Absalom, die voor de ogen van het hele volk gemeenschap had met de bijvrouwen van David. Hij deed dit op hetzelfde dak, vanwaar David eerder Bathseba begluurd had (2 Sam.16:22).

Van koning Salomo is bekend dat hij veel vrouwen liefhad: 700 vorstinnen en 300 bijvrouwen (1 Kon.11). Van Amasa, de zoon van Davids stierf (?) zuster Abigal, schrijft de bekende Dächselverklaring bij 2 Samuël 17:25:

  • ‘Amasa was de zoon van Jethra, in 1 Kronieken 2:17 beschreven als een Ismaëliet, die overspel pleegde met Abigal. Zij was de dochter van Nahas. Zij is de zuster van Zeruja, Joab’s moeder. Bij Abigal had Jethra deze natuurlijke zoon, Amasa, verwekt’.

Wie is deze Nahas? Was het een man of een vrouw?

De kanttekeningen van de Statenvertaling zeggen:

  • ‘Nahas is de huisvrouw (zoals sommigen menen) van Isaï, Davids vader.’

Anderen denken dat Nahas een andere naam is voor Isaï zelf. De kanttekeningen van de vertaling Kok zeggen:

  • ‘De moeder van Amasa schijnt een halfzuster van David geweest te zijn: zij hadden – als Nahas de vader van Abigal was – dezelfde moeder en een verschillende vader’.

Dächsel citeert Keil:

  • ‘Abigal wordt aangeduid als dochter van Nahas en zuster van Zeruja, niet de zuster van David. Daardoor hebben oudere uitleggers terecht opgemerkt dat Abigal en Zeruja slechts stiefzusters van David waren, dochters van Davids moeder en Nahas, niet van Isaï’.

Daarvan uitgaand kan men concluderen dat Davids moeder een mannennaam had, omdat deze naam zoveel voorkwam. Wij wijzen er echter op dat de naam Nahas in de Bijbel alleen in de geschiedenissen van Saul en David voorkomt en nergens anders. Dat in de concordantie van Trommius, Nahas als moeder van David genoemd wordt, komt door de veronderstelling van de kanttekenaars van de Statenvertaling. Maar dat is geen logische conclusie. Dat Isaï drie namen zou hebben (Isaï, Jesse en Nahas) komt ongeloofwaardig over. De naam Nahas komt dus drie keer voor in de Bijbel:

  • Nahas is de koning van de Ammonieten (1 Samuël 11),
  • Nahas is de naam van de eerste man van Davids moeder, of het is Davids moeder zelf,
  • Nahas, de vader van Sobi, die in de hoofdstad van de Ammonieten woonde (2 Sam.17:27).

Toch blijft het vreemd dat in de geschiedenis van David de naam Nahas met drie verschillende personen verbonden zou zijn en dit zonder enige verklaring: Nahas zou dan de naam zijn van een Ammonitische koning (2 Sam.10:2), een Israëlitische vrouw en van een nog onbekende man uit Rabba Ammon (2 Sam.17:25,27). Het lijkt ons logischer dat het hier om één persoon gaat, namelijk de koning van de Ammonieten. Het verhaal zou dan als volgt zijn:

De jonge koning Nahas had een bijvrouw bij wie hij twee dochters had. Deze vrouw werd verstoten en week uit naar de omgeving van Bethlehem. Haar ene dochter (Abigal) had gemeenschap met een Israëliet die Jitra heette en waarschijnlijk een tijd lang bij de Ismaëlieten woonde, vandaar dat hij in 1 Kronieken 2:16 een Ismaëliet genoemd wordt. De nieuwe vertaling heeft in 2 Samuël 17:25 gemakshalve het woord Israëliet maar vertaald door Ismaëliet, maar dit woord staat er oorspronkelijk niet.

Haar andere dochter (Zeruja) had drie zonen, namelijk Abisai, Joab en Asaël. Het is niet duidelijk wie de vader van hen was, zij worden steeds aangeduid als ‘zonen van Zeruja’. Als haar dochters Abigal en Zeruja volwassen zijn, krijgt hun moeder contact met Isaï. Uit deze zondige gemeenschap werd David geboren. David wordt wel door vader Isaï als zoon erkend werd, maar hij telde bij zijn broers niet mee. Abigal en Zeruja werden zussen van de zonen van Isaï genoemd, omdat zij door David en zijn moeder aan het huis van Isaï geparenteerd waren.

De woorden broer en zus hadden een ruimere betekenis dan in onze taal. Abraham noemde Lot zijn broer, hoewel deze slechts een neef was (Gen.13:8). In 1 Kronieken 2:16 worden voorname mannen als Abisai, Joab, Asaël en Amasa in het koninkrijk van David op deze manier onder de nakomelingen van Juda gerangschikt. Als koning onderhield David met Nahas goede betrekkingen; Saul deed dit niet, toen hij Jabes in Gilead uit de handen van Nahas bevrijdde (2 Sam.10:2 en 1 Sam.11).

Als Joab de hoofdstad van Rabba Ammon inneemt (vlak na de zonde van David en Bathseba) stuurt hij een bericht aan David:

  • ‘Nu dan, verzamel u de rest van het krijgsvolk, beleger de stad en neem haar in, zodat niet ik de stad inneem en niet mijn naam over haar wordt uitgeroepen’ (2 Sam.12:28).

Het zou immers vreemd zijn als een kleinzoon van Nahas de koning van de Ammonieten werd. Waarschijnlijk heeft David nadat hij Rabba Ammon ingenomen had, daar Sobi, een andere zoon van Nahas, in plaats van Hanun, tot regent aangesteld. Dit verklaart waarom Sobi uit dankbaarheid met allerlei goede gaven naar David toe kwam toen deze moest vluchten voor Absalom (2 Sam.17:27).

David – Een aparte zoon

David telde in zijn vaders huis niet mee. Toen Samuël een van de zonen van Isaï tot koning moest zalven, liet men David bij de kudde op het veld. Dit was niet omdat David de jongste zoon was. Denk maar aan hoe men Jacobs jongste zoon Benjamin behandelde, totaal anders. Jesaja 11:1 spreekt over een rijsje, dat voortkwam uit de afgehouwen tronk van Isaï. Afgezien van de geestelijke betekenis van deze woorden is zo’n rijsje, zo’n twijgje een wilde loot, die verschilt met de andere takken.

Opmerkelijk is dat de naam van Davids moeder niet in zijn geschiedenis vermeld wordt, terwijl van de andere koningen van Juda behalve de naam van de vader, ook die van de moeder staat opgetekend (zie bijv. 1 Kon.14:21, 31; 15:2, 10; enz.).

Dan is er nog iets, dat David tot een buitenbeentje in het gezin maakte. In 1 Samuël 16:12 en 17:42 wordt gezegd dat David ‘rossig’ was, ‘ook had hij mooie ogen en een prima voorkomen’. De Statenvertalers gebruiken het woord ‘roodachtig’. Obbink vertaalt door blond. Het feit dat bij David juist het roodachtige als iets aparts gezien wordt, wijst erop dat dit signalement hem onderscheidde van de grote rest van Israël en van zijn broers. Hij had vreemd bloed. Het is ook heel apart als in 1 Samuël 16:18 aan Saul verteld wordt dat men de zoon van de Bethlehemiet Isaï voor hem op de citer zou laten spelen, terwijl in een hoofdstuk later Saul (in 1 Samuël 16:21 staat dat hij veel van David hield) aan David moet vragen: ‘Van wie ben jij een zoon, jongeman?’

Ook Abner kon de blonde jongeman niet thuisbrengen; hij wist het echt niet (1 Sam.17:55)! Saul wilde waarschijnlijk precies weten, wie hij eigenlijk in zijn gezin als schoonzoon kreeg. David werd dus in het gezin van zijn vader gediscrimineerd, hoewel hij knap was én een musicus, een dichter, een held en een trouwe herder was. Bovendien liet hij zien dat hij een goed karakter had. Het oordeel van zijn oudste broer was echter: ‘Ik ken uw overmoed en de slechtheid van uw hart’ (1 Sam.17:28). Dit werd gezegd tegen de man, die naar Goliath liep met de woorden:

  • ‘Ik treed je tegemoet in de naam van de Heer van de hemelse legers, de God van de slagorden van Israël, die jij bespot hebt’.

Davids legeroversten zijn later dan ook niet de zonen van Isaï, maar de zonen van Zeruja.

Zonde is geen biologisch verschijnsel

David was als een goed mens geboren en God zegende hem. De uitroep van David in psalm 51 heeft dan ook niets met erfzonde te maken. Men kan van zijn ouders geen zonde érven. David dééd zonden. Zondigen is gehoorzaam zijn aan demonen en voor hen werken (Gen.4:7; Jac.1:15). De duivel is de vader van de leugen en de oorsprong van alle ongerechtigheid. Hij heeft het auteursrecht en het patent van elke vorm van wetteloosheid. Uit de kracht van de wet van zonde en dood keert hij aan zijn slaven, de mensen die zich tot zonde laten verleiden, hun loon uit, dat als straf bij hen overkomt. Door middel van zijn verleidende en onderdrukkende geesten moet hij ieder mens tot (on)gehoorzaamheid dwingen en aan zich onderwerpen. Niet door ‘overerving’, maar door misleiding en dwang gaat de zonde tot alle mensen door.

Erfzonde, erfschuld en erfsmet?

In de kerken wordt nog steeds gesproken over erfzonde, erfschuld en erfsmet. Maar deze woorden komen in de Bijbel niet eens voor. In de kerken wordt echter bijna nooit gesproken erfgenaam zijn van God en mede-erfgenaam zijn van Jezus Christus, de hoge positie waartoe ieder die in Christus is, wordt geroepen. Wanneer men over zonde spreekt, elimineert men graag het aandeel van de satan:

  • ‘Men moet niet zoveel over demonen spreken…!’

Men gelooft liever dat de mens alleen en uit zichzelf de werken van de duisternis al in de baarmoeder voortbrengt. Zonde wordt in het kerkdom altijd in verband gebracht met de mens als auteur, waardoor de weg tot bevrijding en verlossing, dat is losmaking, achter een mistgordijn verdwijnt. Zolang de Heer op aarde was, streed Hij tegen de zonde die Hij toeschreef aan de satan. Hij kwam om de werken van de duivel te verbreken. Ook zij die door Hem van schuld en gebondenheid verlost zijn, hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, in casu hun eigen natuur, maar tegen de zondemachten die buiten hen zijn: ‘Biedt weerstand aan de duivel en hij zal van u vluchten’ (Jac.4:7). Een goede boom kent men aan de goede vruchten en een valse leer ook.

Charles Finney

De grote evangelist Charles Finney verzette zich ruim 2 eeuwen geleden tegen de leer van de erfzonde. Tijdens zijn kruistochten werd hij namelijk met de vruchten van deze leer, die – oneindig onterend is voor God en een gruwel voor het menselijk intellect – geconfronteerd. Overal waar hij kwam, vond hij kerken die hun geestelijk verval vergoelijkten met de opmerking: ‘We zondaars zijn tot de dood…’ Net als vandaag.

De erfzonde, die ‘we nu eenmaal van onze voorouders meegekregen hebben’, vond en vindt men in de kerk een onuitroeibaar kwaad. Finney zag het ingrijpende van deze leer in, want voor haar aanhangers is er namelijk geen bevrijding van zonde mogelijk dan door middel van de lichamelijke dood. Zo leert toch immers ook de Heidelbergse Catechismus in zondag 16 dat onze dood:

  • ‘Een afsterving is van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven….’

Met onze dood zou er dus een einde komen aan onze van Adam geërfde zondige natuur. Niet Jezus Christus, maar de dood zou de eer mogen opeisen de volkomen overwinning op de zonde te behalen. Niet Jezus Christus, maar de dood zou de doorgang zijn tot het eeuwige leven! Maar Finney leerde:

  • ‘Het dogma van de erfzonde ontneemt aan de gelovigen het uitzicht op een volledige overwinning op de zonde. Het doet daarmee tekort aan het werk van Jezus Christus en aan de overwinningskracht van Gods Geest die in ons woont.’

Finney wees op de noodzaak van een volkomen overwinning op de wetteloosheid. Wie meent dat hij de zondigheid die hij van zijn ouders geërfd heeft, tot zijn dood toe meedragen MOET, keert zich als vanzelfsprekend tegen iedere boodschap die op de mogelijkheid en op de noodzakelijkheid van een overwinnend leven wijst. De hypothese van de erfzonde is nog steeds voor de meeste kerkgangers een heilig kasteel, waartegen niet geschopt mag worden. Wie de moed heeft dit op Bijbelse gronden tóch te doen, loopt gevaar onmiddellijk voor ketter of valse profeet uitgestoten te worden! Wij spreken uit jarenlange ervaring, zowel bij de Staphorster varianten als Rome!

>>>>>