1. Kennis van de onzienlijke wereld

Geen strijd tegen vlees en bloed

Voordat wij de erfzondeleer behandelen, is het nodig eerst een juist inzicht te hebben in de oorsprong en het wezen van de zonde zelf. Wij zullen daartoe de vage en verkeerde voorstellingen over dit onderwerp moeten vervangen door duidelijke en juiste begrippen, waarmee wij in staat zijn het kwaad te ontmaskeren en te bestrijden. Wie de zonde in zijn leven overwinnen en uitbannen wil, zal kennis moeten hebben van de onzienlijke wereld. De strijd tegen de zonde ligt in de hemelse gewesten en is niet een worsteling tegen vlees en bloed, ook niet tegen eigen vlees en bloed, maar tegen de satan en zijn demonenlegers. Voor een overwinning op slechtheid en gebondenheid is kennis nodig van het Koninkrijk der hemelen en zijn wetten. Hierover verschafte Jezus inzicht. Hij deed dit vaak in gelijkenissen, niet omdat deze voor ieder zo verhelderend werkten en zo eenvoudig waren, maar opdat de ongeestelijke mens ‘ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen’ zou. Tegen zijn geestelijke leerlingen zei de Meester echter: ‘Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven’ (Matth.13:11-17).

Wij leven in een tijd dat bij de zich ‘christelijk’ noemende volken, de sleutels van de kennis al lang geleden zijn weggenomen. Men meent bevrijdingen tot stand te kunnen brengen zonder dat men inzicht heeft in de geestelijke wereld. Wanneer er staat, dat de wet van Gods levensgeest de christen vrijgemaakt van de wet van de zonde en dood (Rom.8:2), is het niet nodig de Sinaïtische wet van de tien geboden uit het hoofd te leren. Maar wel is het noodzakelijk de wetten in de geestelijke wereld na te speuren. Hoe kan men in de hemelse gewesten strijden, als men niet weet welke wapens daar gebruikt moeten worden en als men de wapenrusting niet kent, die ons tegen de vurige pijlen van de vijand beschut? Hoe kan men iemand in vrijheid stellen, wanneer men zelfs niet het enige Bijbelse fundament in eigen leven heeft gelegd, de regels van het Koninkrijk niet kent, noch het recht waarop zij zijn gebaseerd? Paulus schreef:

  • ‘Een atleet wordt niet gelauwerd als hij zich niet aan de regels houdt’ (2 Tim.2:5). ‘Daarom ren ik niet als iemand die geen doel heeft, vecht ik niet als een vuistvechter die in de lucht slaat’ (1 Cor.9:26).

Men kan de zonde niet op geestelijk terrein bestrijden, als men niet eerst onderzoekt hoe de geesten van de duisternis werken en op welke manier Gods Geest en de heilige engelen met het kind van God in de strijd om het herstel samenwerken. Paulus zei dat de Geest van God alle dingen doorzoekt, zelfs de diepten van God en dat deze Geest in ons woont. Wat het rijk van de duisternis betreft, maakte hij de opmerking dat de gedachten van de satan hem niet onbekend waren. Wij hebben toch de Geest van God ontvangen: ‘zodat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is’ (1 Cor.2:12). Het is juist Gods Heilige Geest, die in ons de gave ontwikkelt van kennis van de onzienlijke wereld en die van de onderscheiding van geesten. Wanneer er nog geen inzicht in de geestelijke wereld is, moet men het tekort niet camoufleren door dit gebrek aan kennis voor te stellen als een soort ‘christelijke eenvoud’, maar de mens zal moeten streven naar de geestelijke gaven en moeten proberen uit het Woord van God meer geestelijke kennis op te doen. De profeet van het oude verbond klaagde al: ‘Mijn volk gaat te gronde (valt ten prooi aan de demonen) door het gebrek aan kennis’ (Hos.4:6). Wanneer men een geestelijk mens wil zijn, zal er kennis moeten zijn van de geestenwereld. De geest van de mens zal voortdurend zijn plaats moeten innemen in de hemelse gewesten en van daaruit de situatie, waarin het zich bevindt, moeten bezien. Geestelijk leven is niet een zaak van ernst, devotie, emotionaliteit, inspanning, vroeg opstaan om stille tijd te houden en laat naar bed gaan om nachtbidstonden bij te wonen en van meditatie in een klooster, maar van een burgerschap en wandel in de hemel. Een gedachteleven dat voortdurend de dingen bedenkt die boven zijn, van een strijd en een overwinning in de hemelse gewesten.

De bewerkers van het kwaad

Jezus had kennis van de onzienlijke wereld en Hij onderscheidde de geesten of zij uit God waren of uit de vijand. Hij wist ook wat in de mens was (Joh.2:25). Wanneer zijn leerling getuigt dat Hij de Christus is, de Zoon van de levende God, antwoordt de Heer: ‘Gelukkig ben je, Simon Barjona, want vlees en bloed heeft je dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is’. Petrus had dus contact gehad met de hemelse Vader. Enkele verzen later lezen wij dat dezelfde leerling een verkeerde raad geeft. Dan keert de Meester zich om en zegt tot Petrus: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je zou me nog van de goede weg afbrengen. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen’ (Matth.16:23b). De lippen van Petrus vormden toen de spreekbuis van satan, die de Heer wilde tegenhouden zijn verzoenend werk te doen. Toen Petrus Jezus verloochende, werd niet gezegd, dat deze leerling een zwak ogenblik had, of dat de oude mens in Simon over heerste, maar:

  • ‘Simon, Simon, weet dat satan jullie (alle leerlingen) voor zich heeft opgeëist om jullie als graan te mogen zeven. Ik heb voor je gebeden zodat je geloof niet zou bezwijken. En als jij eenmaal tot inkeer bent gekomen, moet jij je broeders versterken’ (Luc.22:31,32).

Het grote geheim van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen is, dat men zijn ware vijanden weer ontdekt en de weg geopend wordt om van hen bevrijd te worden: ‘dat wij ontkomen aan onze vijanden, Hem zonder angst zouden dienen, toegewijd en oprecht, voor altijd levend in zijn nabijheid’ (Luc.1:74,75). De Mensenzoon kwam om de werken van de duivel te verbreken. Hij verbrak geen werken van mensen en Hij streed niet tegen vlees en bloed, maar bad voor zijn vijanden, hoewel zij de mensen waren die de bedoelingen en plannen van de duivel tegen Hem ten uitvoer brachten. De demonen beïnvloeden de gedachtewereld van de mens, verleiden hem en dwingen hem daden te doen, die tegengesteld zijn aan de wetten van God. Deze duistere machten gebruiken de inwendige mens om hun anti-goddelijke intenties te infiltreren en om te zetten in daden. Zij veroorzaken onrust, twijfel, hoogmoed, vrees, leugen, onreinheid, moord, diefstal, jaloersheid, ruzie, verslaving en nog veel meer. Zoals van de Heilige Geest gezegd wordt: ‘Hij blijft bij u en zal in u zijn’, zo kan men van de onreine demonen zeggen: ’Zij blijven bij u en proberen in u te komen’. Wanneer de catechismus in zondag 4 spreekt over ‘het ingeven van de duivel’, die de mens van de gaven van God berooft, ziet deze inspiratie niet alleen op Adam, maar in ruimere zin op de beïnvloeding van ieder mens door de duivelen.

Het Nieuwe Testament legt oorzakelijk verband tussen de inwerking van de demonen en het zondigen. Tegen de Joden zei Jezus, dat zij ‘de duivel tot vader’ hadden. Zij werden dus geleid door religieuze demonen (Joh.8:44). Van Kaïn wordt gezegd, dat hij ‘uit de duivel’ was en dus door deze voortgedreven werd. Dit staat dan in lijnrechte tegenstelling met het ‘uit God’ zijn van de ware gelovigen, die door de Heilige Geest worden geïnspireerd (1 Joh.3:12 en 4:6). Het Nieuwe Testament zit vol met aanduidingen dat de onheilige geestenwereld de verwekker is van alle ellende en kwaad. Wij horen van ‘de machten van de duisternis’, van ‘de overste van de macht in de lucht’, die weerstaan kan worden, als de christen zijn geestelijke wapenrusting aan heeft (Ef.6). Er is sprake van het ‘uur van de duisternis’, van ‘de god van deze eeuw’, die de zinnen verblindt, van de duivel, die ‘sommigen van u in de gevangenis zal werpen’. De satan is in algemene zin de zaaier van het onkruid. In Judas vaart de duivel en tot Ananias wordt gezegd: ‘Waarom heeft de satan uw hart vervuld om de Heilige Geest te bedriegen?’ Johannes schrijft aan de sterke jonge mensen, die het woord van God blijvend in zich hebben: ‘U hebt de boze overwonnen’. Jezus werd geopenbaard als Zoon van God, ‘zodat Hij de werken van de duivel verbreken zou’ en zij die zondigen zijn ‘kinderen van de duivel’ en die rechtvaardig leven zijn ‘uit God geboren’. Onze Verlosser ging rond: ‘weldoend en allen genezend, die door de duivel overweldigd waren, want God was met Hem’. In de Openbaring wordt gesproken over ‘het uur van de verzoeking, die over de hele wereld komen zal’ en over onreine geesten, die uitgaan om de leiders van deze wereld te verzamelen voor de slag bij Armageddon. Duidelijk verbindt de Bijbel al het kwaad aan de terreur van de overmachtige vijandelijke bezetter van de aarde, die door de goedwillende mens niet in eigen kracht kan worden weerstaan. Daarom moeten men door de Geest van God, die in de opnieuw geboren christen woont, de boze geesten weerstaan, bestraffen, binden en uitdrijven. Heel duidelijk wordt de associatie gelegd tussen begane misdaden en de werkingen van de demonen.

In de orthodoxe prediking wordt op alle mogelijke wijze aangepraat dat de mens bijzonder verdorven is, dat hij eigenlijk tot alle slechtheid in staat is en dat zijn beste werken met zonden zijn bevlekt. De deugden van de wereldling zijn bij deze visie slechts blinkende zonden. Het evangelie van Jezus Christus, dus zijn leer over het Koninkrijk der hemelen wil echter de sluier wegnemen die het denken van alle volken bedekt, ook dat van massa’s onbekeerde christenen. Het wijst de vijanden van God en de mens aan als boze geesten in de onzienlijke gewesten.

Wat is zonde?

De Bijbel leert dat de duivel de oorsprong van al het kwaad is. In hem is het wezen van alle ongerechtigheid en hij is de auteur van alle rechtsverkrachting ‘en de zonde is wetteloosheid’ (1 Joh.3:4). Er is geen zonde zonder duivel en waar de duivel heerst, is duisternis en geen licht of leven. Net als zijn onreine engelen is de duivel met eeuwige banden aan de duisternis verbonden. De apostel schreef: ‘Wie de zonde doet, is uit de duivel…’ (1 Joh.3:8). Dit wil zeggen dat de zondaar door de duivel bevrucht werd. Wanneer de mens zondigt, ligt de oorsprong van zijn kwaad niet bij hemzelf, maar bij de demonen met wie hij gemeenschap heeft gehad. Daarom geldt voor onze Vader in de hemel in zijn houding ten opzichte van de mens: alles begrijpen, is alles vergeven. Vandaar dat Hij zijn Zoon zond ‘in een vlees, aan dat van de zonde gelijk’ om de werken van de satan in de mens te verbreken. Zijn gezindheid blijkt uit het feit dat Hij ’wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkenning van de waarheid komen’ (1 Tim.2:4). Wij moeten de waarheid kennen, dat is weten hoe de dingen in de hemelse gewesten werkelijk zijn en hoe het plan van God ons door deze waarheid vrij maakt. Jezus noemde de duivel de overste van de wereld, want de schepping is onvrijwillig onderworpen aan de destructieve machten van de duisternis ter wille van koning Adam ‘die haar aan de boze overgegeven heeft’ (Rom.8:20). Men moet deze overste van de wereld weerstaan en wanneer zijn boze geesten in de mens werken, hen uit drijven of laten uitwerpen. In Jacobus 4:7 staat:

  • ‘Biedt weerstand aan de duivel en hij zal van u vluchten’. Als troostrijke tegenstelling volgt dan: ‘Nader tot God en Hij zal tot u naderen’.

De boze machten en krachten willen ons scheiden van de liefde van Christus, maar wij zullen het schild van het geloof opheffen, waarmee wij al hun brandende pijlen kunnen doven. De overste van de wereld is onze tegenpartij, die slechts na een zeer felle worsteling geheel overwonnen wordt door de zonen van God, van wie wordt gezegd: ‘Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis’ (Openb.12:11). Is het niet tragisch dat juist in zoveel zogenaamde ‘christelijke’ kringen deze alles beslissende worsteling wordt genegeerd of geloochend en men sentimenteel beweert, dat men niet zoveel over de duivel moet spreken, omdat men hem daarmee teveel eer zou bewijzen? Een vijand voor wie men tot het eind toe waakzaam moet zijn, die rondgaat als een brullende leeuw om te verscheuren en te verslinden, zou niet geïdentificeerd mogen worden of zelfs zijn naam niet genoemd, terwijl Jezus en zijn apostelen ons erin voorgingen dit wél te doen.

In de brief van Jacobus lezen we hoe de machten werken en hoe zij de mens tot hun medewerker maken. Hun begeerte gaat naar de mens uit en zij wachten slechts tot de begeerte van de mens loskomt van Gods gedachten en woord, om zo met haar contact op te nemen en te bevruchten: ‘Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde’ (Jac.1:15). ‘Als de lust ontvangen heeft, baart zij zonde’ (vert. Brouwer). De zonde wordt dus in de onzienlijke wereld uit bevruchting geboren en dit gebeurt van buiten af. In de dagen van Jacobus waren er mensen, die leerden dat zij van Godswege verzocht werden. In het Oude Testament, toen er weinig of geen inzicht was in de hemelse gewesten, kon men gemakkelijk tot zulke dwalingen komen, omdat alles wat uit de onzienlijke wereld tot de mens kwam, aan God werd toegeschreven. Men wist niet nauwkeurig hoe het goede en het kwade zijn ontstaan. Daarom lezen wij ook nergens in het Oude Testament over het uitwerpen van demonen. Het enige wat men toen doen kon, was terugkeren tot de Heer, en de zonde in eigen kracht bestrijden.

De kennis van de onzienlijke wereld was vóór de prediking van Jezus een geheimenis of verborgenheid. Hij leerde zijn leerlingen de mysteries van het Koninkrijk der hemelen kennen. Hij vertelde: ‘wat sinds de grondvesting van de wereld verborgen gebleven is’ (Matth.13:35). Men zou kunnen zeggen: welk redelijk denkend mens en welke gelovige christen zou er ooit aan denken dat zonde, ziekte en gebondenheid, vervolgingen, verdrukkingen, benauwde situaties, kortom het kwade, hun oorsprong zouden hebben in en bewerkt zouden worden door de Schepper, die alles juist goed heeft gemaakt? Toch waarschuwt Jacobus tegen zulke onredelijke opvattingen, omdat zij voorkwamen en helaas nog steeds voorkomen. Vandaag zelfs op grote schaal bij hen die de kerken allang zijn ontvlucht. De zelfhaat en zelfvernietiging heeft bij de westerse mens inmiddels enorme proporties aangenomen. De apostel vermaant daarom: laat niemand toch zo iets denken of uitspreken, want het kwade kan net zomin uit God voortkomen als de duisternis uit de zon. Het werkwoord ‘verzoeken’ kan zowel passief als actief worden gebruikt. Passief bedoelt het: het kwade in zich laten opwekken en actief: het kwade proberen over te brengen.

Wat God betreft, wijst de apostel op de onmogelijkheid hiervan. Zo kan Hij niet passief door het kwade verzocht worden en Hijzelf brengt actief niemand in verzoeking. De verzoeker is altijd de duivel! God staat volkomen buiten de zonde. ‘God is één’, zegt dezelfde schrijver in hoofdstuk 2:19. In Hem is geen enkele afwijking of wetteloosheid. Het is ook een onmogelijkheid God met zonde te infiltreren en daarom sidderen de duivelen. Over de mens gaat de apostel echter verder: ‘Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging (actief) en verlokking of verleiding (dus van buiten af en passief) van zijn eigen begeerte’ (Jac.1:14). De verleider houdt dus de mens iets moois voor en trekt daarmee zijn begeerte tot zich. De zuigkracht gaat dus actief van de duivel uit, terwijl de passieve mens door zijn begeerte wordt meegesleept. Zou de mens actief worden, dan zou hij de duivel weerstaan en zou er geen zonde worden geboren. Blijft de mens passief, dan volgt er gemeenschap en daaruit ontwikkelt zich een wetteloze daad: ‘Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij de zonde’. Uit de gemeenschap met God wordt nooit het kwade geboren. Dit is onmogelijk: ‘Ieder, die uit God geboren is, doet geen zonde; want het zaad van God (zijn woord) blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren’ (1 Joh.3:9). Het zaad van God geeft een andere vrucht dan het zaad of het verleidende woord van de duivel. Uit God die geest is, gaat de Heilige Geest, die zich met de geest van de opnieuw geboren mens verbindt. De vrucht van deze gemeenschap zijn de goede werken, terwijl de vrucht van de gemeenschap met de boze geesten de zondige werken zijn. De oorsprong van het goede en van het kwade liggen beide in de geestelijke wereld. Zoals er in de stoffelijke wereld gemeenschap noodzakelijk is om vrucht te verwekken, zo is het ook in de geestelijke of onzichtbare wereld het geval. Het resultaat openbaart zich in de werken, die naar de verwekkers genoemd worden: of de vrucht van de Geest of de werken van de duisternis.

Het kind wordt genoemd naar zijn vader

Het is zeer onlogisch en ‘vroom’, om te zeggen dat de goede werken van Gods Heilige Geest zijn, maar dat men de slechte werken zelf voortbrengt. Zonde is een vrucht, die in de geestelijke wereld ontstaat door gemeenschap van de menselijke geest met een demon. Door middel van het vlees, de leden van het natuurlijke lichaam, openbaart zij zich in de zienlijke wereld als de werken van het vlees’. Het raffinement van de duivel is, dat hij de zonde bewerkt heeft en toch de mens beschuldigt, dat deze haar alleen uit zichzelf heeft voortgebracht. Daarom heet hij de aanklager van de broers en zusters, die hen dag en nacht, dus zonder ophouden voor God beschuldigt. De christen heeft niet de taak om zichzelf te beschuldigen, maar wel om zonder ophouden te strijden tegen de boze geesten in de hemelse gewesten, want dezen benaderen en benauwen hem. De duivel camoufleert zijn eigen aandeel in het ontstaan van de zonde, maar zoals in het natuurlijke leven een moeder geen kind voortbrengt zonder een verwekker, zomin brengt een mens werken van het vlees voort zonder de verwekkende boze geesten. Vaderloze kinderen bestaan niet, maar het is opmerkelijk dat de vrome geesten in zo’n geval ook altijd de volle schuld leggen op de vrouw. In Johannes 8 lezen wij dat alleen de overspeelster gegrepen werd, terwijl de man en de vrouw beiden toch op heterdaad werden betrapt!

Wanneer in Jacobus van begeerte gesproken wordt, is wel duidelijk dat niet ieder verlangen zondig is. De psalmist zegt: ‘Mijn ziel dorst naar God’. Deze begeerte was goed. Ook het verlangen van een man naar een vrouw of omgekeerd is door de Schepper zelf in de mens gelegd. Lukt het de satan echter deze lust op de man of de vrouw van een ander te richten, dan wordt zij zondig. Ook het begeren naar bezit is niet verkeerd. Van de goede huisvrouw zegt de Spreukendichter: ‘Zint zij op een akker, dan verwerft zij die’ (31:16). Wordt deze begeerte echter op het bezit van een ander gericht, dan klinkt het: ‘U zult niet begeren iets dat van uw naaste is’. De tong is een onmisbaar orgaan om te spreken voor de mens, maar wanneer zij onder beïnvloeding van satan komt, wordt zij in vlam gezet of aangestoken door de duivel (Jac.3:6). De begeerte van de mens kan dus gebruikt worden in dienst van God, maar zij kan ook misbruikt worden door de satan. In het oude verbond had men geen kennis van de onzienlijke wereld; daarom schreef de apostel Paulus:

  • ‘Immers, ook van de begeerlijkheid zou ik niet geweten hebben, als de wet niet zei: u zult niet begeren. Maar uitgaande van het gebod, wekte de zonde(macht) in mij allerlei (verkeerde) begeerlijkheid op’ (Rom.7:7,8).

Toch werd in het oude verbond deze ‘verborgen’ zonde niet bestraft. Hoe zou de priester of rechter het ook gekund hebben? In het nieuwe verbond dat het wezen van de zonde openbaart, wordt gezegd dat een man die een vrouw had aangezien om te begeren, in zijn hart al overspel met haar had gepleegd. Ook zei Jezus: ‘U hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: U zult niet doodslaan; en: Wie doodslag pleegt, zal vervallen aan het (aardse) gerecht. Maar Ik zeg u: Ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het (hemelse) gerecht’ (Matth.5:21,22). Treedt de zonde naar buiten, dan komt zij als werk van het vlees in de zienlijke wereld. Dezelfde geestelijke wet zien wij in werking treden, wanneer Gods Geest op de mens beslag legt: ‘Die zich aan de Heer hecht, is één geest met Hem’ (1 Cor.6:17). De vrucht uit deze gemeenschap is: ‘liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing’ (Gal.5:22). Wanneer deze vrucht naar buiten treedt, worden de goede werken geboren, waarin de mens van God wandelt (Ef.2:10). Bij de val in het paradijs werd Eva ook van buitenaf verleid. Niet haar begeerte om verstandig te worden was verkeerd. Zelfs haar verlangen om als God het goede en het kwade te kennen, was niet tegen het plan van de Schepper. Als de mens immers als geestelijk wezen overgezet zou worden in de hemelse gewesten, zou hij ook in aanraking komen met de boze geesten aldaar. De duivel verleidde haar echter en om dit doel te bereiken stelde hij een andere wet voor dan die God gedacht had. Niet door geloof en verbinding met God, maar langs een onwettige en occulte weg zou haar begeerte dan bevredigd worden. Het resultaat, de vrucht, is bekend, want door één mens is de zonde in de (zienlijke) wereld gekomen. Dat de zonde van buitenaf op ons aankomt, blijkt ook uit wat God tegen Kaïn zei:

  • ‘Maar als u niet goed handelt (uw begeerte losmaakt van God), ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat’ (Gen.4:7).