David in zonde ontvangen en geboren?

  • ‘Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen…’ 

Zijn onze baby’s kleine demonen volgens zondag 3 vraag 7 H.C.!??

Psalm 51 begint met een concrete situatie. David maakte deze psalm ‘toen de profeet Nathan bij hem gekomen was, nadat hij tot Bathséba gekomen was’. Naar het rechtvaardig oordeel waren David en Bathséba vanwege hun overspel aan de dood schuldig (Lev.20:10). In plaats daarvan zei Nathan:

  • ‘U zult niet sterven… uw pasgeboren zoon moet sterven’ (2 Samuel 12:14).

Een week lang streed de koning om het behoud van zijn zoon. Hij vastte en bracht de nachten liggend op de grond door. In die dagen dichtte hij de 51-ste Psalm en wij mogen deze niet losmaken van Davids zielenstrijd om het leven van zijn kind. David worstelde met God vanwege de vraag: waarom moet deze kleine sterven en ik niet? Natuurlijk had hij ook tegen Uria gezondigd, maar uiteindelijk spitste zijn belijdenis zich toe in de woorden: ‘Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad was in uw ogen’. In zijn strijd om het behoud van zijn kind stelde David zich nogmaals voor de Heer, hoewel Nathan hem verzekerd had dat zijn zonde vergeven was. Maar als God ‘dan rechtvaardig is in zijn uitspraak’ dat zijn zonde vergeven was en ‘zuiver in zijn gericht’ (vers 6), waarom moest zijn zoontje dan sterven? Gebeurde dit dan alleen omdat het ‘in zonde ontvangen en geboren was’? Maar dan roept David het uit:

  • ‘Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen’ (vers 7).

Wanneer zijn kind vanwege deze onwettige geboorte sterven moest, had hém ditzelfde oordeel bij zijn geboorte moeten treffen! David was geen orthodoxe theoloog, wiens gedachten door de leer van de erfzonde gericht waren. ‘Het Joodse denken kent geen erfzonde’, verzekerde ons een rabbijn. Wie deze woorden van David objectief en zonder de bril van de erfzondeleer leest, zal moeten toegeven dat David hier erkent dat ook zijn afkomst in verband stond met wetteloosheid. Wanneer iemand zou zeggen: ‘Mijn geboorte is een gevolg van de zonde van mijn moeder’ zal ieder daaruit dezelfde conclusie trekken.

Sommigen beschuldigen ons dat wij een smaad op de moeder van David gelegd zouden hebben. Theatraal schrijven zij over een ‘eerherstel voor Davids moeder’. Maar wij dichtten deze psalm niet, het zijn Davids eigen woorden. Van het kindje van Bathséba kon gezegd worden, dat het in ongerechtigheid geboren was en dat zijn moeder het in zonde (buiten Gods wet om) ontvangen had. David wilde zeggen: ‘Waarom ben ik dan blijven leven en waarom moet dit kind sterven?’ Hoe weinig David aan een erfzondehypothese gedacht heeft, blijkt dan opnieuw uit de volgende ontboezeming: ‘Ontzondig mij met hysop (als bij een melaatse), dan ben ik rein, was mij, dan ben ik witter dan sneeuw’. Dit is een heel ander geluid dan wat artikel 15 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis schrijft:

  • ‘Dat de erfzonde zelfs door de doop niet helemaal teniet gedaan wordt…..’ 

In de oorspronkelijke tekst stond zelfs:

  • ‘dat de doop de erfzonde niet had weggenomen….’

David spreekt echter van witter dan sneeuw; dus volkomen rein. Wij stellen de vraag: waarom zegt men dat genade geen erfgoed is en zonde wel?

Zonde is geen biologisch verschijnsel!

Er bestaat voor het onderwijs aan kinderen een plaatjesboek, waarbij er een plaat is van een schattige baby in een wieg. Om nu de erfzonde te illustreren kan men het lieve masker van het gezichtje afhalen en men ziet dan plotseling de lugubere trekken van een duiveltje tevoorschijn komen. Men wil hiermee aantonen dat een kindje, hoewel uiterlijk gezond, gaaf en lief, naar het innerlijke totaal verdorven is! Wij verwerpen deze afschuwelijke voorstelling, alsof onze kinderen verdoemelingen of kinderen van de satan zouden zijn. Wanneer – zoals geleerd wordt – onze kinderen de verdoemenis deelachtig zijn, hoewel ze geen onderscheid kennen tussen hun rechter- en linkerhand en ook niet tussen goed en kwaad, dan gaan ze niet verloren, maar hebben ze deel aan de verdoemenis en zijn ze verloren. We stellen de vraag: waarom zit dan deze verdorvenheid alleen in hun onzichtbare, innerlijke mens en openbaart zij zich niet in hun lichaampje?

In de erfzondeleer wordt de mens als van nature zondig voorgesteld. Hij is dan wezensgelijk met de satan. Maar dan kan hij evenmin als de duivel gered worden, want dan zou hij van zichzelf verlost moeten worden. De mens moet echter losgemaakt worden van zijn vijand, de boze, waarmee hij in contact staat. Jezus leerde ons daarom niet bidden: ‘Verlos mij van mijzelf’ maar ‘Verlos mij van de boze’. De theologie houdt echter geen rekening met het bestaan van de duivel en zijn engelen. Zij is demonenblind. De woorden van Paulus over onze strijd in de hemelse gewesten is voor haar slechts woordenspel. De mens is voor haar de auteur van de zonde en leert men: 

  • ‘De erfzonde is de onzalige fontein van alle werkelijke, dadelijke en persoonlijke zonden….’ 

Over de erfzonde schreef de ‘Uitvoerende Raad van de broederschap van Pinkstergemeenten in Nederland’ onder andere:

  • ‘Wij hebben hier te doen met een ontaarde mentaliteit, die zich onverbiddelijk voortzet in het nageslacht. Eigenschappen, die zijn vereenzelvigd en ingeboren in een verdorven natuur en daarom de nieuwe geboorte noodzakelijk maakt. Elke arts kan vertellen, dat de eigenschappen van het hele voorgeslacht via de mannelijke zaadcel worden voortgeplant. De vrouw wordt wel zijdelings genoemd, maar Adam wordt voor de overtreding verantwoordelijk gesteld. Vandaar dat de wet zegt in Exodus 10 dat de misdaden van de vaders worden bezocht aan de kinderen. Jezus had geen aardse vader, maar zou ook als mens Gods Zoon zijn, door Heilige Geest in de moederschoot verwekt. Zijn leven was uit de Vader en Hij wist dat dit de met de mens niet zo was (Joh.2:24,25)’.

De uitspraak dat de eigenschappen van het hele voorgeslacht alleen via de mannelijke zaadcel voortgeplant worden, is wel zeer curieus. De erfelijkheid bestaat immers hierin, ‘dat ieder langs geslachtelijke weg ontstaan wezen zijn aanleg dubbel verworven heeft’ (Algemene Winkler Prins). Elk kind kan vertellen dat het zowel eigenschappen van vader als moeder bezit. Volgens bovengenoemde gedachte had David niet moeten zeggen: ‘In zonde heeft mijn moeder mij ontvangen’, maar ‘in zonde heeft mijn vader mij verwekt!’ Dat Jezus geen zonde gekend of gedaan had, lag in het feit dat Hij vanaf zijn geboorte in de Vader geheiligd was (Joh.10:36). De kinderen zijn geheiligd in de ouders (1 Cor.7:14) en niet in een verzonnen christus uit de kerk, zoals het doopformulier zegt. Zoals de ouders zorgen voor kleding en voedsel en de natuurlijke beschermers zijn, zo zijn zij dit ook in de geestelijke wereld. Zij horen op de bres te staan, wanneer Satans demonen van zonde en ziekte hun kind aanvallen. Hun taak is om voor het weerloze kind de demonen te weerstaan, die het soms al vanaf zijn verwekking belagen. Als deze het kind overweldigd hebben, zullen de ouders deze boze geesten naar Jezus’ bevel uitdrijven (Marcus 16). Als ouders heiligen wij onze kinderen wel eens te laat, omdat wij deze machten pas bestrijden, wanneer zij zich al geopenbaard hebben. Jezus was echter door zijn Vader volmaakt geheiligd, zodat Hij zonder zonde kon opgroeien.

Afschuwelijke, vrome vervloekingen

Het is werkelijk onbegrijpelijk dat men de belijdenis van één man in een concrete situatie tot een grondpilaar voor de erfzondeleer heeft kunnen maken, temeer omdat de reden van zijn ontboezeming aan deze gedachtewereld niet ontleend kan zijn. Had David in de Middeleeuwen geleefd dan was hij door Rome en de Bijbelbelt levend verbrandt! 

Wij hebben opgemerkt, dat velen geïrriteerd worden, als wij Davids geboorte met de zonde van zijn moeder in verband brengen, terwijl men verruimd adem haalt als ‘geleerd’ wordt, dat ieder mens in zonde ontvangen en geboren wordt en uiteindelijk een vervloekte is! De theologie heeft door de erfzondeleer de duivel uit haar denken geëlimineerd en de hypothese van erfzonde, erfschuld en erfsmet in zijn plaats gesteld. De vijand van de mens is nu de mens zelf. Men strijdt niet meer tegen de vijand, de duivel en wil niet meer van hem verlost worden, maar van zichzelf! Zonde staat altijd in verband met boze geesten. Zij is geen biologisch verschijnsel, waarbij van erfelijkheid sprake zou zijn.

Nahas

Wij zien hoe in Davids huis de machten van onreinheid uit de voorgeslachten gewerkt hebben. Natuurlijk komen de kinderen het meest en het eerst in aanraking met die geesten, die ook vader en moeder gebonden hebben. Wanneer de duisternis zo vlak om het kind opereert, wordt het ook een gemakkelijke prooi. Terwijl Saul maar één bijvrouw (Rizpa) had, begint David al een hele harem te verzamelen. David had als stamvorst van het kleine Juda te Hebron al zes vrouwen. In Jeruzalem kwamen er nog wat meer bij. De oudste zoon van David, Ammon, misbruikte zijn zuster Tamar. David deed zijn zoon geen leed, want hij had hem lief, omdat hij zijn eerstgeborene was, vertellen de Septuaginta-handschriften. De derde zoon van David was Absalom, die voor de ogen van het hele volk gemeenschap had met de bijvrouwen van David. Hij deed dit op hetzelfde dak, vanwaar David eerder Bathseba bespied had (2 Sam.16:22). Van koning Salomo is bekend dat hij veel vrouwen liefhad: zevenhonderd vorstinnen en driehonderd bijvrouwen (1 Kon.11). Van Amasa, de zoon van Davids (stief-?)zuster Abigal, schrijft de bekende Dächselverklaring bij 2 Samuël 17:25:

  • ‘Amasa nu was eens mans zoon, wiens naam was Jethra, de Israëliet, naar de zeker nauwkeuriger lezing uit 1 Kronieken 2:17 een Ismaëliet, die buiten huwelijk ingegaan was tot Abigal, dochter van Nahas, zuster van Zeruja, Joabs moeder en bij haar deze natuurlijke zoon verwekte’.

De vraag doet zich voor wie deze Nahas was: 

  • De kanttekeningen van de Statenvertaling merken op: ‘Nahas, de huisvrouw (gelijk sommigen menen) van Isaï, Davids vader.’
  • Anderen menen dat Nahas een andere naam is voor Isaï zelf.
  • De kanttekeningen van de nieuwe vertaling (Kok) veronderstellen: ‘De moeder van Amasa schijnt een halfzuster van David geweest te zijn: zij hadden – als Nahas de vader van Abigal was – dezelfde moeder en een verschillende vader’.
  • Dächsel citeert Keil: ‘Uit de aanduiding van Abigal als dochter van Nahas en zuster van Zeruja, niet zuster Davids, hebben reeds oude uitleggers met recht opgemaakt, dat Abigal en Zeruja slechts stiefzusters van David waren, dochters van Davids moeder en Nahas, niet van Isaï’.

Men kan veronderstellen dat Davids moeder een mannennaam had, omdat deze naam zoveel voorkwam. Wij wijzen er echter op, dat de naam Nahas in de Bijbel alleen in de geschiedenissen van Saul en David voorkomt en nergens anders. Dat in de concordantie van Trommius Nahas de moeder van David genoemd wordt, is een gevolg van de veronderstelling van de kanttekenaars van de Statenvertaling en heeft dus verder geen enkele grond. Om aan Isaï drie namen toe te schrijven: Isaï, Jesse en Nahas lijkt ons ook ongeloofwaardig. Men onderscheidt dus:

  • Nahas, de koning van de Ammonieten: 1 Sam.11
  • Nahas de naam van de eerste man van Davids moeder, of Davids moeder zelf,
  • Nahas, de vader van Sobi, wonende in de hoofdstad van de Ammonieten: 2 Sam.17:27.

Het vreemde is dan, dat in de geschiedenis van David de naam Nahas met drie verschillende personen verbonden zou zijn en dit zonder enige verklaring. Nahas zou dan de naam zijn van een Ammonitische koning (2 Sam.10:2), een Israëlitische vrouw en van een nog onbekende man uit Rabba Ammon (2 Sam.17:25,27). Het lijkt ons dichterbij de werkelijkheid om in alle drie gevallen Nahas als een en dezelfde persoon te zien, namelijk als koning van de Ammonieten.

Wij stellen ons de geschiedenis zo voor: Koning Nahas bezat als jongeman een bijvrouw bij wie hij twee dochters had. Deze vrouw werd verstoten en week uit naar de omgeving van Bethlehem. Haar ene dochter had gemeenschap met een Israëliet die Jitra heette en waarschijnlijk een tijd lang onder de Ismaëlieten verbleef, zodat hij ook in 1 Kronieken 2:16 een Ismaëliet genoemd wordt. De nieuwe vertaling heeft in 2 Samuël 17:25 gemakshalve het woord Israëliet maar vertaald door Ismaëliet, maar dit woord staat er niet. Haar andere dochter Zeruja had drie zonen, namelijk Abisai, Joab en Asaël. Wie de vader van deze mannen was, wordt nergens vermeld. Zij worden steeds aangeduid als ‘zonen van Zeruja’. Als haar dochters Abigal en Zeruja al groot zijn, raakt de moeder in contact met Isaï. Uit deze zondige gemeenschap werd David geboren, die wel door vader Isaï als zoon erkend werd, maar bij zijn broers niet in tel was. Abigal en Zeruja werden zusters van de zonen van Isaï genoemd, omdat zij door David en zijn moeder aan het huis van Isaï geparenteerd waren.

De woorden broer en zuster hadden een ruimere betekenis dan in onze taal. Zo noemde Abraham Lot zijn broer, hoewel deze slechts een neef was (Gen.13:8). In 1 Kronieken 2:16 worden de in het koninkrijk van David zo voorname mannen als Abisai, Joab, Asaël en Amasa op deze wijze onder de nakomelingen van Juda gerangschikt. Als koning onderhield David met Nahas goede betrekkingen; dit in tegenstelling met Saul, die Jabes in Gilead uit de handen van Nahas bevrijdde (2 Sam.10:2 en 1 Sam.11). Als Joab de hoofdstad van Rabba Ammon inneemt, juist na de zonde van David en Bathseba, bericht hij aan David: ‘Nu dan, verzamel u de rest van het krijgsvolk, beleger de stad en neem haar in, zodat niet ik de stad inneem en niet mijn naam over haar wordt uitgeroepen’ (2 Sam.12:28). Het zou immers zo vreemd niet zijn als een kleinzoon van Nahas Joab, de koning van de Ammonieten werd. Waarschijnlijk heeft David nadat hij Rabba Ammon ingenomen had, daar Sobi, een andere zoon van Nahas, in plaats van Hanun, tot regent aangesteld. Dit zou dan verklaren waarom Sobi uit dankbaarheid met allerlei goede gaven David op zijn vlucht voor Absalom tegemoet trok (2 Sam.17:27).

Een aparte zoon

Wij merkten al op dat David in zijn vaders huis niet meetelde. Toen Samuël een van de zonen van Isaï tot koning moest zalven, liet men David bij de kudde op het veld. Wie beweert dat dit gebeurde, omdat David de jongste zoon was, herinneren wij aan de geschiedenis van Jacobs jongste zoon Benjamin. Jesaja 11:1 spreekt over een rijsje, dat voortkwam uit de afgehouwen tronk van Isaï. Afgezien van de geestelijke betekenis van deze woorden is zo’n twijgje een wilde loot, die verschilt met de andere takken. Opmerkelijk is dat de naam van Davids moeder niet in zijn geschiedenis vermeld wordt, terwijl van de andere koningen van Juda behalve de naam van de vader, ook die van de moeder staat opgetekend (zie bijv. 1 Kon.14:21, 31; 15:2, 10; enz.).

Dan is er nog iets, dat David tot een buitenbeentje in het gezin maakte. In 1 Samuël 16:12 en 17:42 wordt vermeld, dat David ‘rossig’ was, ‘ook had hij mooie ogen en een schoon voorkomen’. De Statenvertalers gebruiken het woord roodachtig. Obbink vertaalt door blond. Juist het feit dat bij David het roodachtige als iets aparts meegedeeld wordt, wijst erop dat dit signalement hem onderscheidde van de grote rest van Israël en van zijn broers. Hij had vreemd bloed. Het doet altijd zonderling aan, als in 1 Samuël 16:18 aan Saul meegedeeld wordt, dat men de zoon van de Bethlehemiet Isaï voor hem op de citer zou laten spelen en dat een hoofdstuk later Saul (waarvan in 1 Samuël 16:21 staat dat hij veel van David hield) aan David moet vragen: ‘Van wie ben jij een zoon, jongeman?’ Ook Abner kon de blonde jongeman niet thuisbrengen; hij wist het echt niet (1 Sam.17:55)! Saul wilde waarschijnlijk nu eens nauwkeurig weten, wie hij eigenlijk in zijn gezin als schoonzoon kreeg.

Wij zien dus dat David in het gezin van zijn vader gediscrimineerd werd, hoewel hij een mooi uiterlijk bezat en een musicus, een dichter, een held en een trouwe herder was. Bovendien had hij blijk gegeven dat hij een edel en godvruchtig karakter bezat. Het oordeel van zijn oudste broer was echter: ‘Ik ken uw overmoed en de boosheid van uw hart’ (1 Sam.17:28). Dit werd gezegd tot de man, die naar Goliath liep met de woorden: ‘Ik treed u tegemoet in de naam van de Heer van de hemelse legers, de God van de slagorden van Israël, die U getart hebt’. Davids legeroversten zijn dan later niet de zonen van Isaï, maar de zonen van Zeruja.

Zonde wordt veroorzaakt door demonen

Het is niet voor niets, dat we aan het begin van dit onderwerp schreven, dat David in een concrete situatie over concrete dingen sprak. De erfzondeleer wordt gebaseerd op de tekst in Psalm 51:7, maar heeft een zeer wankele ondergrond. Men mag zulke belangrijke leerstukken, die bepalend zijn voor het wezen en de natuur van de mens, niet op een uitspraak gronden die in een bepaalde situatie gedaan werd. Zonde is niet iets, dat wij als een erfenis van ouder op ouder meekrijgen, maar zondigen betekent gehoorzamen aan en werken voor de demonen. De duivel is de vader van de leugen en de oorsprong van alle ongerechtigheid. Door middel van zijn verleidende en onderdrukkende geesten moet hij ieder mens tot gehoorzaamheid brengen en aan zich onderwerpen. Niet door overerving, maar door misleiding en pressie gaat de zonde tot alle mensen door.

Wij hebben opgemerkt dat er meer gesproken wordt over erfzonde, erfschuld en erfsmet, woorden die in de Bijbel niet voorkomen, dan over erfgenaam zijn van God en mede-erfgenaam van Christus, de hoge positie waartoe ieder die in Christus is, wordt geroepen. Zolang de Heer op aarde was, streed Hij tegen de zonde die Hij toeschreef aan de satan. Jezus kwam om de werken van de duivel te verbreken. Ook zij die door Hem van schuld en gebondenheid verlost zijn, hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, in casu hun eigen natuur, maar tegen de zondemachten die buiten hen zijn.

  • ‘Verzet u tegen de duivel, dan zal die van u wegvluchten’ (Jac.4:7).