Bang voor God?

Wij stellen ons regelmatig op de hoogte wat er zoal op het kerkelijk erf leeft. Onderstaand citaat kwamen we in een gereformeerd kerkblad tegen onder de titel: ‘Over het kind en zijn angstgevoelens’. Wij citeren de inhoud van het tussenkopje:

De straffende boeman

  • “De periode van hel, duivel en verdoemenis, weleens de zwarte bladzij van de kindercatechese genoemd, is voor velen achter de rug. Het nadrukkelijk dreigen met allerlei straffen later is nog maar in kleine kring gangbaar. Zoals gezegd betekent dit echter niet, dat de kinderen niet meer bang kunnen zijn voor God. Deze angst wordt zichtbaar in iedere Godsvoorstelling, die niet gekenmerkt wordt door dat gevoel van veiligheid en geborgenheid. We kunnen dogmatisch misschien juist spreken, maar dat hoeft nog niet altijd pedagogisch juist te zijn. Het tegen kinderen zeggen bijvoorbeeld, dat ze in zonde ontvangen en geboren zijn (Zondag 3 vraag 7), is misschien theologisch wel juist, maar zeker niet pedagogisch verantwoord. Ook niet, dat ze van nature geneigd zijn God en de naaste te haten (Zondag 2 vraag 5). Het mag dan misschien vaak niet met dezelfde woorden gezegd worden, toch kan men dikwijls de grondtoon horen, dat ze zondig zijn, niets goeds presteren, dat de mens door en door slecht is en in Gods ogen niets of nauwelijks iets waard. En dat allemaal tegen kinderen, die het nog zo nodig hebben dat ze bij hun pogingen een schouderklopje krijgen, een bemoediging, ook van Gods kant. Het afkraken van de niet volmaakte resultaten, is zeker geen stimulans om door te gaan.
    Het is opvallend, dat veel mensen dit principe van stimuleren wel hanteren bij allerlei ‘aardse’ zaken door bv. tekeningen, ook al zijn het een paar potloodstrepen, te bewonderen en zo het kind een plezier te doen zodat het opnieuw iets probeert. Zo gauw het echter gaat over onze verhouding tot God, is al deze pedagogiek verdwenen. Het moet toch wel een wrede onredelijke God en Vader zijn, die zulke eisen stelt dat je het nooit zou kunnen volbrengen. Het is mijn stellige overtuiging, dat op deze wijze de weg geblokkeerd wordt tot een juist verstaan van de liefde van God. Heel gauw belasten we op deze manier kinderen met een juk, dat volgens Christus, eigenlijk licht had moeten zijn. Het gebed: ‘‘t Boze dat ik heb gedaan, zie het, Here, toch niet aan. Hoewel mijn zonden vele zijn, maak om Jezus’ wil mij rein’, klinkt nog steeds als kinderen naar bed gebracht worden. Veel pedagogieën van Christenen beginnen – als het om God gaat – met de ellende, terwijl we eigenlijk pas weten hoe groot de schuld is tegenover God, nadat we weet hebben gekregen hoe groot zijn liefde is.
    Treffend schrijft Langeveld in zijn boek Kind en religie: ‘Het schijnt zelfs, dat de religie van heel wat christenen zo in het teken van de zonde staat, dat men zich nauwelijks kan voorstellen, dat de God van hen wat anders is dan een soort eeuwig loerende geheime politieagent. ‘t Is me de pret wel, zo’n geloof.’ Men kan opmerken, dat de Bijbel toch zelf ook spreekt over het feit, dat we God hebben te vrezen. Deze vrees voor God is echter wat anders dan angst voor God. Het woord betekent zoiets als eerbied en ontzag. Natuurlijk houdt dit ook beducht zijn voor straf in, maar deze angst voert niet de boventoon in de relatie God – mens. Het is een vrees binnen een liefdevolle relatie. Liefde sluit strengheid en de dreiging van straf niet uit. Uit liefde moet er wel eens streng worden opgetreden. Zo is het ten aanzien van de verhouding kind-aardse vader. Zo ook ten aanzien van kind-hemelse Vader. We hebben echter in beide gevallen wel te bedenken, dat deze strengheid en dreiging van straf plaats vindt in een overigens veilige sfeer. Eigenlijk zijn angst en vrees de aller slechtste raadgevers en opvoeders, die meestal afbreken en nooit opbouwen. De grote bouwende krachten zijn veel eerder eerbied, bewondering en liefde. Wanneer deze aanwezig zijn, kunnen de zo noodzakelijke gevoelens van vertrouwen, geborgenheid en zekerheid toenemen.”

Einde citaat

Johannes Calvijn zegt:

  • ‘Wij zeggen dat de Schrift op zijn minst duidelijk aantoont, dat God door zijn eeuwige en onveranderlijke raad eens en voor altijd heeft vastgesteld, in welke persoon Hij een behagen had om hem tot behoud aan te nemen en anderzijds in welke persoon Hij een behagen had hem te veroordelen tot verderf.’

Op de gereformeerde catechisatie komt regelmatig de leer van de uitverkiezing aan de orde. Men krijgt te horen dat God van eeuwigheid mensen heeft uitgekozen tot een eindeloos behoud, maar ook tot een nooit eindigend verderf. De predikant leert het supralapsarisme, dat ongeveer inhoudt dat God zijn naam en deugden verheerlijkt, door zijn barmhartigheid te openbaren in mensen, die Hij van eeuwigheid gepredestineerd heeft tot behoud en zijn gerechtigheid openbaar wordt in hen, die Hij in zijn raadsbesluit heeft verworpen. Dit betekent dus dat het uiteindelijke resultaat van het mensenleven al van voor de geboorte bepaald is door onwrikbare zekerheden. Daar valt niet meer aan te tornen. Wel merkt zo’n dominee op, dat je dit dogma maar beter niet in een evangelisatietoespraak naar voren moest brengen. Deze opvatting zou bij onbekeerde mensen zeker niet aanslaan en hen ongetwijfeld afschrikken vanwege haar redeloosheid.

Hel, duivel en verdoemenis

Het blijkt zonneklaar dat ook de leer van de erfzonde in de praktijk niet voldoet. De ‘hel, duivel en verdoemenis’-gedachte heeft men al achter de rug. Deze is er natuurlijk officieel nog wel, maar men praat er niet meer over, zoals men ook de naam van een bepaalde gevreesde ziekte niet noemt. Het komt blijkbaar niet in de gedachte op, of misschien de hele opvatting van de kerk over hen, die eeuwig in de vuurpoel moeten branden, wel herzien moet worden. In het geciteerde artikel wordt opgemerkt dat tussen de dogmatische juistheid en de pedagogische toepassing van de erfzondeleer een tegenstelling bestaat. Hij maakt terecht duidelijk dat je met dit dogma de kinderziel in de vernieling brengt.

De leer dat de mens door en door slecht zou zijn, is onpedagogisch, dit wil zeggen dat zij niet waar te maken is tegenover kinderen. De vraag blijft over voor wie deze theologie dan wel nuttig is. Wie belijdt dat hij tot zijn dood toe een zondaar blijft, dat zijn beste werken toch maar met zonden bevlekt zijn, omdat nu eenmaal de wetteloosheid een wezenlijke eigenschap van hem is die ‘zelfs de heilige doop niet wegneemt’, wie erkent dat hij dus wezens gelijk met de duivel is(!), ontmoet ook een ‘wrede, onredelijke God en Vader’, die maar eisen stelt waaraan je nooit en te nimmer kunt voldoen.

De lezer ziet hier wat onder gereformeerde predikanten leeft. Wanneer zij oproepen tot geloof in God, kunnen zij het noch in de wereld, noch bij de opvoeding het ‘maken’ met de leer van de uitverkiezing en van de erfzonde. Wij hopen dat men tot de erkenning zal komen, dat deze stelsels niet deugen, omdat ze beide niet in staat zijn de mens te veranderen, te herstellen of te vernieuwen. Met deze leerstukken van de voorvaders blijft de christen tot aan het einde ‘een heilige sukkelaar’.

‘Ik’ moet dood!

Regelmatig ontvangen we mails, waarin ons verweten wordt, dat we het ons maar gemakkelijk maken door de duivel van alle kwaad te betichten. Maar waarom is dit nu verkeerd? Waarom zou het fout zijn te bidden: ‘Verlos mij van de boze’ en dus niet van mijzelf? Waarom mag ik in de strijd tegen de zonde niet de duivel alleen weerstaan? Waarom moet ik de vijand van mijzelf zijn, terwijl ik mijn naaste die gelijk is aan mij, moet liefhebben?

Laten we hopen dat dit artikel uit een gereformeerd kerkblad de ogen opent en mag helpen de agressie te verleggen naar de eigenlijke verwekker van alle ongerechtigheid en wetteloosheid, zodat wij niet meer met de vinger naar onszelf wijzen en onszelf beschuldigen, of ook andere mensen van vlees en bloed. Daarom brengen wij het ook onze kinderen al vroeg bij, dat zij niet ‘moeilijk en lastig’ zijn, maar dat het hun ‘moeilijk en lastig’ gemaakt wordt door satans demonen. Wij heiligen onze kinderen en verdrijven hun verdrukkers in de Naam van Jezus Christus. Zo heeft Hij het de gelovigen geleerd.

Hoewel de schrijver zijn betoog aan het einde weer afzwakt, door toch ‘strengheid en dreiging van straf’ van Gods kant ‘in een overigens veilige sfeer’ aan te nemen, zijn wij echt blij dat het gezonde verstand bij velen sterker is dan de ongezonde leer. De apostel spreekt immers van een gezonde leer, die de mens naar geest, ziel en lichaam herstelt!