Eén God en één Christus

  • ‘Toch is er voor ons maar één God: de Vader, uit Wie alle dingen zijn en wij voor Hem en één Heer: Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem’ (1 Cor.8:4b; Col.1:16b).

Binnen de christelijke kerken en bewegingen worden regelmatig discussies gevoerd over de plaats en positie van Christus in het geloofsleven. De satan probeert daarbij meningen te laten escaleren zodat een normaal gesprek onmogelijk wordt. Dit valt ook op te merken ten aanzien van de discussie over Jezus, de Zoon van God. In de ogen van sommigen wordt het zelfs als een misdaad gezien als men ook maar iets afwijkt van de gevestigde en vastgeroeste meningen zoals die eeuwen hebben bestaan, met name in de traditionele kerken, maar ook in veel andere gemeenschappen. Meningen die niet het ‘goddelijke leven’ in zich hebben, maar veel meer het kenmerk dragen: ‘de dood in de pot’.

Nieuwe inzichten

Als de waarachtige gemeente zich gaat ontwaken en er door geestelijke groei christenen zich gaan ontwikkelen tot stabiele, volwassen christenen, ontstaat er openheid voor nieuwe inzichten en worden oude inzichten overboord gezet. Deze ‘nieuwe inzichten’ worden eeuwenlang door de vorst van de duisternis onder de dekmantel gehouden (Op.6:5,6). Maar naarmate de kracht en het inzicht in de opnieuw geboren christenen – door de vervulling met Gods Geest – gaat toenemen, moet de duivel terrein prijsgeven. Eén van deze inzichten is het duidelijke onderscheid dat er bestaat tussen God en Jezus Christus. Wie dit onderscheid weg wil vlakken en bijvoorbeeld de Zoon van God op één lijn wil stellen met God de Vader, door Hem als een tweede of derde godheid te gaan zien, doet afbreuk aan de duidelijke gegevens hierover zoals bijvoorbeeld de apostel Paulus die in zijn brieven heeft genoteerd. In 1 Corinthiërs 8:5 schrijft hij dat er maar één God, de Vader is, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn. Maar daarnaast schrijft hij:

  • ‘Er is maar één Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem. En in 1 Timotheüs 2:5 schrijft hij: ‘Want er is één God en ook één bemiddelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus’. In Johannes 8 vers 40 noemt Jezus zichzelf mens.

Een duidelijk onderscheid

Er is dus een duidelijk onderscheid. En waaruit bestaat dat onderscheid? God is ‘God’ en Jezus Christus is ‘mens’. Door de opmerking die Paulus aan Timotheüs maakte, blijkt echter dat Jezus wel een bijzonder mens was: Hij was de eniggeboren Zoon van God die op bijzondere wijze geschapen was. Uit God de Vader en de mens Maria geboren was Hij niet God zelf, maar de mens van God. De echte mens, zoals die de Vader voor ogen stond al van voor de grondvesting van de wereld. Uit de Vader en niet als de Vader zelf. Als Jezus geen mens was zou Hij ook nooit de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van Gods wezen, zoals Hebreeën 1:3 zegt, kunnen zijn. Ook zou Hij zich uiteindelijk niet aan de Vader te hoeven onderwerpen na het volmaken van de herschepping, zoals Paulus schreef in 1 Cor.15:28:

  • ‘En wanneer alle dingen aan Hem onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf Zich onderwerpen aan Hem Die alle dingen aan Hem onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn.’

Hierdoor doen wij geen afbreuk aan de waarde van het verlossingswerk van Jezus Christus. Integendeel! De werkelijke betekenis van deze Godsdaad krijgt juist veel meer waarde. Hoe oneindig groot en hoe onuitsprekelijk heerlijk komt hierdoor Gods grote liefde t.o.v. de mens – de kroon van zijn schepping – tot uitdrukking. Als enig geschapen Zoon van God was Hij de volmaakte beelddrager van God. Wie hier eenmaal oog voor krijgt, ontdekt de geweldige liefde en wijsheid die God openbaarde ten aanzien van de mensheid.

Niet afstand scheppend

Het onderscheid tussen God en Jezus Christus, is daarom ook geen afstand scheppend onderscheid. Want de mens is de hoogste vorm van Gods scheppingswerk: de kroon van zijn schepping. En God heeft de mens nooit los of in de steek gelaten. Jezus Christus was de ‘bemiddelaar’ tussen God en mensen en Hij kon dit alleen zijn omdat Hijzelf mens was (1 Tim.2:5). Juist daardoor kon Hij ook verzoening teweegbrengen tussen de mens die in zonde was gevallen en de heilige God. Hij werd voor ons tot zonde gemaakt (2 Cor.5:21). Daardoor was ook de ‘geestelijke waarde’ van Jezus Christus even groot als die van God zelf. Paulus schrijft zelfs dat Hij ‘aan God gelijk was’ en ook lezen wij op enkele plaatsen dat Hij ‘God’ genoemd(!) wordt. Maar net zo min als wij ons ‘Christus’ kunnen noemen, ook niet wanneer wij ooit gelijk aan Hem zullen zijn, geldt dit ook voor het feit dat Christus zich niet ‘God’ kon laten noemen. Hij deed dat trouwens zelf ook geen enkele keer.

Een grote leugen

De afstand die er in de loop van de eeuwen ontstaan is en waardoor het wordt voorgesteld dat God ergens vanaf een hoog verheven troon aan de touwtjes trekt, waarbij de nietige mens machteloos mag toekijken, is één van de grootste leugens uit het rijk van de duisternis. Miljoenen mensen zijn daardoor verstoken gebleven van de heerlijkheid van God, zoals die in het nieuwe leven in Christus tot ons komt. En dat terwijl God wil dat alle mensen behouden worden en tot erkenning van de waarheid komen (1 Tim.2:4). Bovendien werd het ‘behouden worden’ voorgesteld als ‘een later in de hemel komen’, terwijl nu al onze plaats met Christus in de hemel is! Ook weer zo’n leugen uit het rijk van de duisternis. Opnieuw geboren, volwassen christenen leren satan echter steeds meer te ontmaskeren en te overwinnen. Door het geweldige feit dat Jezus als mens – vol van de Geest van God – uiteindelijk de duivel volledig heeft overwonnen en onttroond, heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken (Fil.2:9). Dat was dus geen automatisme, zoals wel eens wordt voorgesteld: ‘Hij was immers God en dus was het voor Hem een koud kunstje…’ Wát een verdraaiing van de waarheid en wát een miskenning van het verlossingswerk van Jezus Christus. Terecht komt Paulus in zijn brief aan de Filippenzen tot de uitroep:

  • ‘Jezus Christus is Heer, tot eer van God de Vader’ (2:11).

Hoge positie

De hoge positie die Jezus Christus nu heeft, terwijl Hij zit aan de rechterhand van de troon van de Vader, is echter ook weggelegd voor allen die in Zijn voetsporen gaan. Zo lezen wij in Openbaring 3:21: ‘Wie overwint, zal Ik naast Mij plaatsen op mijn troon, zoals Ik zelf heb overwonnen en met mijn Vader op zijn troon zit.’ Hoe meer wij oog gaan krijgen voor het geweldige perspectief van het verlossingsplan van God, hoe meer wij afstand gaan nemen van dode dogma’s en formules. Zij hebben nooit gewerkt en zullen nooit gaan werken, ook al zijn of worden ze vastgesteld en vastgelegd na vaak eindeloze en oeverloze discussies op allerlei officiële kerkvergaderingen. Zij hebben geen zeggingskracht in de ogen van God omdat zij de geestelijke invulling missen, want de letter doodt, maar de Geest (de ‘werkzame’ Geest van God) maakt levend. Sterker nog, kerken met niet opnieuw geboren christenen, die weigeren het fundament uit Hebreeën 6:1,2 te leggen in mensenlevens, hebben geen enkel geestelijk recht. Hun leiders verstrooien slechts en scheppen enkel rampen (Matth.12:30b; Luc.11:23b).

Ingevoegd in de Christus

Er is één God en één Christus. Beiden hebben hun eigen plaats in het grote plan van God tot voltooiing van Zijn schepping, zoals ook wij die hebben. Want het heerlijke is dat wij, door het geloof in het volbrachte verlossingswerk van Christus, daar volledig bij zijn ingevoegd. In Christus zijn wij nieuwe scheppingen. In Hem zijn wij volledig betrokken en ingeschakeld in Gods plan. En wij mogen delen in zijn volle heerlijkheid:

  • ‘Want in Christus woont lijfelijk de godheid in heel haar volheid en in Hem, die het hoofd is van alle heerschappijen en machten, bent u vervuld van die volheid’ (Col.2:9-10).

Zoals Christus één was met de Vader, waardoor Hij immuun was voor de infiltratiepogingen uit het rijk van de duisternis, mogen ook wij dat zijn. God wil niets liever dan dat, want zijn wil is ‘het goede, Hem welgevallige en volkomene’ (Rom.12:2b). Zoals Christus de volmaakte beelddrager was van de Vader (Col.1:15; 2 Cor.4:4b), mogen ook wij dat zijn. En omdat wij daartoe geroepen zijn zal dat zeer zeker ook in ons leven gerealiseerd worden. Wij zijn immers bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van Christus (Rom.8:29). Daarom geloven wij met heel ons hart dat wij dat gaan beleven.