4. Naar Zijn beeld

<<<<<

‘U hebt de mens bijna goddelijk gemaakt’ (Psalm 8).

Als God geen mens is, is de mens geen god. Het ‘naar zijn beeld en gelijkenis geschapen zijn van de mens’ betekent niet dat de mens dus een god(je) is of zal worden. De goddelijke natuur draagt hij niet als wezenskenmerk om zich. Ook de tekst hierboven doelt daar niet op. De Hebreeuwse grondtekst spreekt over: ‘U maakte de mens iets minder dan geestelijk(e) wezen(s)’. De meeste vertalingen vullen daar ‘God’ of ‘engelen’ in. Paulus citeert deze tekst in Hebreeën 2:7: ‘U hebt de mens voor een korte tijd lager dan de engelen gesteld.’ Hij voegt er ook de woorden ‘voor een korte tijd’ tussen en doelt dan op de positie van de gevallen mens die inderdaad overheerst wordt door de boze engelen. In die toestand zijn de heilige engelen hun meerderen in sterkte en macht (2 Petr.2:11).

Als we echter Psalm 8 gebruiken voor een beschrijving van de mens, blijkt uit de andere in deze serie genoemde Bijbelteksten dat het ‘bijna goddelijk’ niet evolueert in ‘goddelijk’. Het wijst op de statuur (positie) van de mens (met eer en heerlijkheid bekleed) en niet op zijn natuur (wezen). Een mens blijft eeuwig mens. Het evangelie leert ons dat de mens, die in Christus is, deel mag hebben aan de goddelijke natuur (Joh.6:53; 2 Petr.1:3,4). Dit is een heel bijzondere situatie die alleen voor de mens geldt. Het vormt het hart van Gods plan met de mens.

Als een arme man door een bijzondere gunst gebruik mag maken van de bezittingen en het geld van een miljonair, zal hij zich als een rijke kunnen gaan gedragen. Maar die rijkdom is niet zijn eigendom, het blijft het vermogen van die miljonair. Zo zal een mens die door genade deel mag hebben aan de goddelijke natuur, zich gaan gedragen ‘als goddelijk’, maar hij blijft mens en zijn rijkdom blijft het wezenlijke eigendom van God. Paulus schrijft in dit verband o.a.:

  • ‘Maar wij zijn slechts een aarden pot voor deze schat; het moet duidelijk zijn dat onze overweldigende kracht niet van onszelf komt, maar van God’ (2 Cor.4:7).

Jezus was de eerste mens die van dit heerlijke aanbod vrijmoedig gebruik maakte, zodat er terecht van Hem geschreven kon worden:

  • ‘Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van’ (Fil.2:6,7).

Net zoals de arme man die het geld niet van die miljonair had gestolen, maar door diens aanbod er wel deel aan had en daardoor zich in zijn doen en laten ook als een miljonair gedroeg. Hierdoor was hij in de gestalte van een miljonair en door die leefwijze gelijk aan hem. De situatie die ontstaat uit het ‘deel hebben aan andermans bezittingen’, zal er nooit toe leiden dat men die ander zèlf wordt. In het ‘deel hebben aan de goddelijke natuur’ blijft de mens een mens.

Goden

De Joden beschuldigden Jezus van godslastering, ‘omdat U, een mens, Uzelf God maakt’ (Joh.10:33). Binnen het kader van ons onderwerp is dit een interessante uitspraak, want zij gingen er destijds nog wèl vanuit dat Jezus een mens was. Zij maakten zich juist kwaad, omdat ze vermoedden dat Hij zichzelf tot God verhief. Tegenwoordig is dat precies andersom! Er worden nu juist bezwaren gemaakt, wanneer Jezus als mens wordt gezien en niet langer als God. Jezus’ antwoord op hun beschuldiging is een citaat uit Psalm 82:6: ‘Ooit heb Ik gezegd: ‘U bent goden, zonen van de Allerhoogste, allemaal.’

Tot wie zei God dit? Dat waren volgens deze psalm de rechters of leiders van Israël, mensen dus. Zij worden in Exodus 21:6 zelfs letterlijk zo genoemd. Ook in Psalm 50:1-6 en Psalm 58:2 wordt dat verband gelegd. In die functie worden zij ‘als’ goden gezien. Van Mozes wordt gezegd dat hij voor zijn broer Aäron tot een God is (Ex.4:16b). Deze benaming geldt slechts voor een bepaalde positie en functie. Dat kan ook gelden voor engelen. In Ezechiël 28:11-19 wordt er in beeldspraak over Satans val gesproken. In vers 16b is sprake van ‘de berg van de goden’. Er wordt echter nergens in de Bijbel geleerd dat mensen en engelen, als wezens, goden zijn of worden. Ook de ‘zogenaamde goden en heren die er in menigte zijn’ – door Paulus in 1 Corinthiërs 8:5 aangehaald – worden met recht ‘zogenaamde’ genoemd. Het zijn namelijk afgoden, demonen, die zich maar wat graag als god(en) voordoen. Het zal een mens en een engel echter nooit lukken om een god te worden, dus van wezen te veranderen.

De geest van de antichrist (Apollyon – Op.13:1) streeft er echter wél naar om met behulp van een mens (de antichrist – Op.13:11) zich als zodanig te presenteren. In Jesaja 14 is Babel het beeld daarvan. Vers 13,14 zegt:

  • ‘Ik zal opstijgen naar de hemel; tot boven Gods sterren zal ik mijn troon verheffen, ik zal zitten op de berg van de ontmoeting aan de noordzijde. Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten, ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste.’ Paulus schrijft er ook over: ‘de tegenstander, die zich verheft boven alles wat God heet of verering ontvangt, zelfs zo zeer dat hij zich neerzet in de tempel van God (de mens; en niet een herbouwde aardse tempel van de tijdperkenknippers) en zich voor God uitgeeft’ (2 Thess.2:4).

Deze handelwijze wordt door God veroordeeld. Dit is iets wat nooit mag gebeuren! Vandaar de duidelijke afwijzing ervan in Ezechiël 28:1-10. Het is belangrijk dat gedeelte eens aandachtig door te lezen.

Zoon van God

Als Jezus zijn tegenstanders in Johannes 10 antwoordt, geeft Hij eerst aan wie goden genoemd worden, namelijk ‘tot wie het woord van God gekomen is’ (35). Als er iemand ooit heeft bestaan voor wie dat geldt, is het de Heer wel. Toch gaat Hij daar niet verder op in. Hij zegt niet niet dat Hij, een mens, zichzelf God maakt. Trouwens, dat het eigenlijk om titels gaat en niet om wezens, blijkt nog eens duidelijk uit zijn woordkeus. Hij spreekt over goden genoemd worden en niet over goden zijn. Vervolgens valt het op dat Hij nu juist de twééde regel van vers 6 uit Psalm 82 voor zichzelf gebruikt. Daar staat: zonen van de Allerhoogste. Jezus verwoordt dat met: Ik ben Gods Zoon (vers 36) en niet God Zelf. Eigenlijk is deze benaming op zich heel normaal. Ook wij mogen zeggen dat wij door onze hernieuwde geboorte, zonen en dochters van God zijn, maar dan in opleiding.

In Lucas 3 staat een geslachtsregister van Jezus. Dat loopt via veel mensen van zijn voorgeslacht terug naar Adam. Deze wordt in vers 38 de zoon van God genoemd. Wel, wie daar van afstamt, mag zichzelf ook zo noemen. Wij zijn immers van Gods geslacht (Hand.17:28). God, is als vader, de verwekker geweest van de mens Jezus Christus. Dus is Jezus daardoor ook zoon van God. Omdat God door Zijn Geest slechts eenmaal op deze heel uitzonderlijke wijze een mens heeft voortgebracht, is Jezus de eniggeboren Zoon van de Vader: ‘naar de Geest van de heiligheid verklaard Gods Zoon te zijn’ (Rom.1:4). Hierdoor is Hij uniek als mens. De Heer mag Zich terecht Zoon van God noemen. Twee maal heeft God zelf dit bevestigd door uit de hemel te spreken:

  • ‘Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar Hem’ (Matth.3:17 en 17:5) – (dus geen verzonnen 1/3e godheid).

De Geest van het zoonschap

Wie een zoon van God is en Hem dus als Vader heeft, ontvangt diens Geest. Dat is een belangrijk kenmerk. Het vormt een essentieel onderdeel van het zoonschap. Zeker in praktische zin heeft het zoonschap geen enkel gevolg voor een zoon van God, als deze niet met Gods Geest is gedoopt. Paulus schrijft:

  • ’Als iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe’ (Rom.8:9).

Jezus is de eerste zoon die deze Geest ontvangt (Joh.1:32). God is door middel van zijn Geest in zijn Zoon en ook in de zonen en dochters, bekeerde mensen. Zo kan Hij leiding aan hun leven geven om het volledig te doen ontplooien tot geestelijke volwassenheid.

  • ‘Allen die door de Geest van God geleid worden, zijn zonen van God’ (Rom.8:14).

Daarom wordt zijn Geest ook wel de Geest van het zoonschap genoemd. Jezus werd door die Geest geleid. Hierdoor is zijn ‘Zoon van God zijn’ in praktische zin concreet geworden. Dit reikt verder en dieper dan alleen het door God verwekt zijn. Het zoonschap van de Heer wordt juist reëler doordat ‘de Vader in Mij is’ (Joh.14:11). Paulus verwoordt dit in de Colossenzenbrief met:

  • ‘Want in Hem heeft heel de volheid willen wonen’ en met: ‘Want in Christus woont lijfelijk de godheid in heel haar volheid’.

Hierdoor kon de Heer de volledige uitdrukking van de onzienlijke God zijn.

In heel zijn denken, spreken, doen en laten is Jezus mens en tegelijk was Hij één met God: ‘De Vader en Ik zijn één’. Hij is en blijft dezelfde. Enkel goed, heilig, liefde, leven en waarheid, net als de Vader. Dit is één van de redenen waardoor de Zoon de juiste weergave van Gods wezen is, maar niet dat Hij hierdoor ook God zou zijn. Ook is het ‘één zijn’ met de Vader een situatie waarin de Jezus een volledige eenheid met Hem vormt. Dit is ontwikkeld door een totale en eeuwige gemeenschap met God, door het ‘in’ God zijn en blijven. De bedoeling is dat Hij hierin niet de enige blijft, maar veel zonen tot diezelfde heerlijkheid kan brengen. Zonder vlek of rimpel (Ef.5:27). Als die doelstelling is bereikt, kunnen de zonen van God op hun beurt getuigen dat zij één zijn, zoals de Vader en de Zoon, maar niet dat zij dan God zijn. Wel zijn zij hierdoor een juiste weergave van het beeld van de Zoon. Jezus’ hartenwens in zijn hogepriesterlijk gebed zal dan heerlijk verhoord zijn.

Broers en zusters

Wanneer wij allen samen komen tot de eenheid in het geloof en de kennis van Gods Zoon en de volmaakte man en de volkomenheid van Christus in velen is gerealiseerd, wordt het woord werkelijkheid dat Jezus de eerstgeborene is onder veel ‘broers’ (Rom.8:29). Hebreeën 2 zegt:

  • ‘Want Hij die heiligt, en zij die geheiligd worden, zijn allen uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen broers (en zusters) te noemen.’

God noemt de mens nooit zijn broers. Zowel Jezus als wij zijn uit God: mens en kind van God. Wij moeten echter nog geheiligd worden, dat is afgezonderd van het kwaad, hersteld en opgevoed. Hij was vanaf zijn geboorte door de Vader volmaakt geheiligd en zondigde nooit. Wel heeft Jezus op dezelfde manier als wij in deze wereld geleefd. De Satan heeft Hem zelfs in àlles beproefd. Hij kreeg geen voorkeursbehandeling van God, maar ging volledig door al het lijden heen. Hierdoor is Hij in alle opzichten gelijk geworden aan ons, zijn broers en zusters. Wij bevinden ons immers in een situatie waarin de Satan ons verzoekt, zodat lijden en strijd ons deel zijn.

Deze teksten leren dus niet dat Jezus in zijn zogenaamde ‘hoedanigheid van God’ tijdelijk mens werd en daardoor iedereen zou redden. Hij werd een barmhartige en trouwe hogepriester, die door persoonlijke ervaring alle begrip en bekwaamheid heeft om ons, die nog verzocht worden, te hulp te komen. Hij kent als mens het leven in het vlees (= het tijdelijk aardse bestaan) door en door. Niets komt Hem vreemd voor. Vandaar zijn liefdevolle uitnodiging om vrijmoedig tot zijn troon van genade te komen om hulp te ontvangen. Onze broederschap met de Heer zal echter niet onderhouden mogen worden op basis van gelijkheid, zo van ‘ouwe jongens krentenbrood’. Hij is en blijft immers de eniggeboren Zoon van God, het Lam van God, de Christus, de Hogepriester, de hoogste Leider, de Koning van de koningen en de Heer van de Heren. Zoals er over de omgang met onze hemelse Vader staat geschreven, zo ook over de Zoon: met eerbied en ontzag.

Teksten

Er resten ons tenslotte nog enkele teksten die nog niet eerder genoemd zijn, maar die zeker om een korte toelichting vragen. Ter afronding van de bespreking over de drie-eenheid volgen deze hieronder:

  • ‘door de gerechtigheid van onze God en Heiland, Jezus Christus’ (2 Petr.1:1).
  • ‘verwachtende de zalige hoop en de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus’ (Titus 2:13).

In beide teksten zijn ‘God’ en ‘Heiland’ twee afzonderlijke personen en niet dezelfde. In de tweede tekst staat zelfs: de grote God en onze Heiland (St.Vert.) .

  • ‘maar van de Zoon: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid. Daarom heeft U, o God, uw God met vreugdeolie gezalfd boven uw deelgenoten’ (Hebr.1:8 en 9).

Deze tekst is een citaat van Psalm 45:7 en 8. Het ‘o God’ is een toevoeging met de betekenis van ‘naar Gods wil’. De vertaling Gerhard luidt: Uw troon, van Godswege verkregen. Het onderwerp is God. De zin is dus: daarom heeft God – uw God – U gezalfd.

  • ‘Uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid’ (Rom.9:5).

De Leidse vertaling luidt: en van wie zoveel het vlees betreft de Christus afstamt. God, die boven alles staat, is in eeuwigheid te prijzen!

  • ‘en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst’ (Jes.9:5).

Eerder schreven we al dat de begrippen vader-zoon elkaar uitsluiten. In deze uitspraak ligt het accent op ‘men noemt Hem’. Hier wordt gesproken over Jezus’ positie en functies als komende Christus. Martin Buber vertaalde uit de grondtekst heel duidelijk en mooi: Raadsman van (= namens) de Held-God, Vader van de overwinnaars, Vorst van de vrede. De Septuaginta spreekt over: de wonderbare boodschapper van grote Raad. ‘Thomas zei tot Hem: Mijn Heer en mijn God’ (Joh.20:28). De Bijbel geeft hier geen enkele aanwijzing hoe deze uitroep van Thomas gelezen moet worden. Hij kan met ‘Heer’ zijn Meester bedoelen en met ‘God’ zijn hemelse Vader. Of erkent deze leerling Jezus tot een God voor zich, naar analogie van Aäron ten opzichte van Mozes? In ieder geval zal hij in deze voor hem zeer emotionele situatie niet gedacht hebben aan het lanceren van een dogmatisch stelling m.b.t. de Drie-eenheid-’leer’ die uit de overige schriften onjuist blijkt te zijn.

  • ‘Want, terwijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding van de doden door een mens’ (1 Cor.15:21).

Door de mens (Adam) is de duisternis de wereld binnengekomen. Door de mens (Jezus Christus) is echter het licht teruggebracht.

Slot

In een andere serie wordt de ‘leer’ van de Pre-existentie behandeld. Het belang van een juist inzicht in beide dwalingen is al aangegeven. Het gaat hierbij niet om de letter op zich, maar om een scherp inzicht te ontwikkelen over de plaats van de mens in het plan van God. Voor de komende tijden is dat van grote betekenis en waarde voor de gelovigen. Zeker op dit punt probeert de vijand al 18 eeuwen lang, zand in de ogen van Gods volk te strooien en dit is hem aardig gelukt.

Ons gebed is daarom, dat God ons allen verlichte ogen van het hart zal schenken. Dan zullen wij weten welke hoop zijn roeping wekt en hoe rijk de heerlijkheid van zijn erfenis is!