1. Gods wezen kennen

<<<<<

Jezus zegt in Johannes 17:3:

  • ‘Dit nu is het eeuwige leven dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus die U gezonden hebt.’

Het kennen van de Vader en de Zoon is dus het eeuwige leven. Met ‘kennen’ wordt niet bedoeld een theoretisch weten alleen. Het reikt veel verder. Johannes schrijft, dat wie zegt Hem te kennen, ook zelf zó hoort te wandelen als Hij gewandeld heeft (1 Joh.2:3-6). Het ware kennen is de gelijkvormigheid van de gelovige aan het beeld van Gods Zoon (Rom.8:29). Dit is dus heel wat meer dan het kennen van allerlei theologische feiten en weetjes. De letter, de theorie, moet geest en leven worden. Het Woord (Gods Logos, Joh.1:1) wordt zodoende vlees. De volheid van God wordt zo in en door de ware christenen geopenbaard. Dat is geen roof of diefstal van de mens, maar juist Gods uitdrukkelijke bedoeling met hem (Fil.2:6b). Johannes geeft dit gebeuren bij zichzelf en zijn medeleerlingen weer met de woorden:

  • ‘Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en getast hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat vertellen wij: het Woord dat leven is’ (1 Joh.1:1).
  • Petrus noemt dit proces van vleeswording van het woord van God: ‘zodat u daardoor groeit en uw redding bereikt. U hebt toch ondervonden hoe goed de Heer is?’

Het zien, horen, tasten en proeven duidt op een persoonlijke realisering en beleving van de kennis van God. Het woord is werkelijkheid geworden in mensen. Dit praktisch en daadwerkelijk delen van de gelovige in de goddelijke natuur begint wel door het horen van de Woorden van God, dus bij de theorie, de kennis. Vandaar dat Jezus, de leerlingen en Paulus, veel uren besteedden aan het brengen en onderwijs. De bedoeling ervan is dat de gelovigen inzicht, richting, doel, houvast, advies, be­grip en leiding ontvangen. Niet om er een verzameling van theoretische schatten van te maken zoals men in een museum in steriele vitrines levenloze voorwerpen bewaart. Wel om er zijn leven naar in te richten en zich er naar te gedragen. De kennisoverdracht heeft als doel te gaan leren en ‘onderhouden’ alles wat Jezus ons bevolen heeft (Matth.28:19b). Paulus vat dit samen met het bekende vers in 2 Timotheüs 3:17:

  • ‘Elk van God ingegeven Schriftwoord is ook nuttig om te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, zodat de mens van God volkomen is, tot alle goede werken volkomen toegerust’.

God is enkel goed

Het christendom is een monotheïstisch godsdienst, d.w.z. het kent slechts één God: Deze zegt:

  • ‘Ik ben de eerste en Ik ben de laatste en buiten Mij is er geen God. Is er een God buiten Mij? Er is geen andere Rots. Ik ken er geen’ (Jes.44:6,8b).

Hij is de Schepper van hemel en aarde: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde’. Deze beide gegevens worden samengevat in Jesaja 45:18: ‘Zo zegt de Heer, die de hemelen geschapen heeft – Hij is God – die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft: Ik ben de Heer en er is geen ander.’ Deze God heeft ook van zich laten horen door te spreken. Eerst tot de aartsvaders en de profeten en tenslotte tot zijn Zoon. Op hun beurt spraken dezen zijn Woorden tot ons. Wat daarvan op schrift gesteld is, werd bij elkaar gebracht in de Bijbel. Vandaar dat men dit boek ook wel ‘De woorden van God’ noemt. Zowel uit zijn schepping als uit zijn woord is al het een en ander van zijn goddelijk wezen te verstaan:

  • ‘Want wat een mens over God kan weten is hun bekend omdat God het aan hen kenbaar heeft gemaakt. Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar’ (Rom.1:19,20). 

De Bijbel vermeldt meer aspecten van Gods wezen. Naast zijn eeuwige kracht en goddelijkheid worden ook zijn liefde, barmhartigheid, goedheid, gerechtigheid, trouw, ontferming, wijsheid, enz. genoemd. Wij leren Hem echter goed kennen door Jezus. Deze is immers het BEELD van God (Col.1:15a), de AFSTRALING van zijn heerlijkheid en de AFDRUK van zijn wezen (Hebr.1:3a). Alle anderen vóór Hem hebben van een afstand en voor een deel maar iets van God gekend (Joh.1:18a). In Jezus vinden we het totaalbeeld, het complete en volmaakte. Door Hem zullen wij God geheel leren kennen zoals Hij werkelijk is.

Namen

De Bijbel noemt verschillende namen van God waarin ook verschillende kanten van zijn goddelijk wezen tot uitdrukking komen:

  • Jahwe: Ik ben, die Ik ben (Ex.3:14). Het draagt de betekenis in zich van: Ik zal er zijn, op Mij kun je aan. Hij wordt ook wel genoemd ‘de Paraatblijkende’.
  • El: De Sterke, de Gebieder, de Leider (Ex.3:6). Er wordt een afstand in uitgedrukt tussen God en mens als zijnde twee verschillende wezens.
  • El Sjaddai: God de hoogste of de Almachtige (Gen.17:1).
  • El Eljon: God de Allerhoogste (Gen.14:18).
  • El Olam: De eeuwige God, Dezelfde (Gen.21:33; Jes.40:28).
  • El Ra’i: God des aanziens (Gen.16:13; 22:14). Hij is de God die meer ziet dan een ander en zich laat zien om op het juiste ogenblik reddend te handelen.
  • El Eloehe’i: God van Israël (Gen.33:20). Alleen die God is de werkelijke Leider.
  • Elohim: Dit is een titel die vaak toegevoegd werd bij de naam Jahweh.

Al vanaf Genesis 1:1 wil dit onderstrepen dat deze God de enige godheid is die alle andere goden uitsluit. Hij alleen omvat alle goddelijke macht en leven. Hij is in volstrekte, onvergelijkelijke, exclusieve zin werkelijk en waarachtig God.

Vader

De mooiste naam is echter Vader. Deze wordt ons door Jezus geleerd en dichtbij gebracht. Daarin wordt samengevat wat Hij voor ons is en doet binnen de intieme relatie die de mens in Christus met God mag hebben. Daar gaat in dit tijdperk niets bovenuit. Hij is de Vader van de heerlijkheid, de God van de vertroosting, de God van de hoop en de God van de vrede. Als Paulus in de eerste drie hoofdstukken van zijn Efezebrief over het geheimenis van God heeft geschreven, welt de lof en aanbidding uit zijn hart en pen op: Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen! Wij voegen met heel ons hart ons amen daarbij.

God en de schepping

De namen El en Elohim geven sterk de afstand tussen God, de Schepper en zijn maaksels weer. In al het bestaande zijn namelijk de volgende soorten te onderscheiden: God – mens – engel – dier – plant – materie. Elk voor zich is uniek in wezen en daardoor ook bepaald. Met andere woorden: God is en blijft (de) God en gaat nooit over in een ander wezen (bv. een mens). Dit laatste kom je alleen tegen in heidense godenverhalen. Voor Romeinen en Grieken was het bv. normaal dat hun afgoden vlees en bloed aannamen en liefde e.d. bedreven met vrouwen op aarde. Daaruit werden dan halfgoden geboren met allerlei bijzondere eigen­schappen. Maar men kan niet tegelijkertijd een god en een mens zijn. Dit feit drukt Jezus uit met de woorden: ‘De Vader is meer dan Ik’ (Joh.14:28b).

Een mens is en blijft een mens en wordt nooit een engel of een god, of andersom. Een dier is een dier; materie is materie. Ieder wezen, soort, heeft zijn eigen natuur. Er is geen vermenging of overgang van soorten onderling. Tussen een mens en een dier gaapt een eeuwige onoverbrugbare kloof in soort. Als koning Nebukadnezar zich als een dier gedraagt, blijft hij als wezen een mens (Dan.4). Zo is en blijft er tussen God en mens – als wezen – ook een eeuwig onoverbrugbare kloof. Jesaja zegt terecht:

  • ‘Moet de boetseerder op één lijn gesteld worden met het leem?’ (Jes.29:16a) en: ‘Zal ook het leem tot zijn vormer zeggen?’ (Jes.45:9a).

In deze beeldspraak leert de profeet ons die afstand – als wezen – tussen God en mens. De mens is van een lagere orde. Hij is geschapen, is een schepsel en als zodanig nooit gelijk aan de Schepper. Bij gebrek aan kennis en inzicht ontstaat er een verkeerd denken over deze zaken. Daarom geeft Asaf ter correctie een gedachte van God door:

  • ‘Zou Ik dan zwijgen bij wat u doet, u denkt toch niet dat Ik ben als u?’ (Ps.50:21a). De profeet Hosea spreekt nog directer in deze trant als hij leert: ‘Ik ben God en geen mens’ (Hos.11:9b).

Een drie-eenheid?

Uit het bovenstaande blijkt dat God als wezen uniek is. Als er buiten Hem geen echte andere goden zijn en Hij ook geen mens is, dan is Hij de enige in zijn soort. Het is totaal overbodig, onnodig, tegenstrijdig en onlogisch dat Hij als godheid uit verschillende wezens zou moeten bestaan die onderling ongelijkwaardig zijn (god en mens). Johannes 4:24a zegt: God is geest! Ook in zichzelf ongedeeld: ‘Hoor, Israël, de Heer is onze God; de Heer is een!’ (Deut.6:4). De ‘Drie-eenheidleer’ gaat er echter van uit dat de godheid wel uit drie wezens zou bestaan die echter toch één god vormen, namelijk:

  • God, de Vader – God, de Zoon – God, de Heilige Geest. Deze drie zouden dan bestaan van eeuwigheid.

Deze drie verschillende wezens zouden dan de openbaringsgestalten van de een ‘godheid’ zijn. Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 8:6 echter: ‘Wij weten: er is één God, de Vader.’ Geen Drie-eenheid dus. En over Jezus schrijft hij vervolgens: ‘En één Heer, Jezus Christus.’ Daar komt nog bij dat het begrip ‘vader-zoon’ gelijkheid uitsluit. De vader is de verwekker, is meerder dan zijn kind (Joh.14:28b). Een vader kan niet tegelijkertijd ook zoon zijn van zichzelf. Zo laten ‘god-mens’ en ‘vader-zoon’ zich nooit rijmen als zijnde één wezen.

>>>>>