Een ‘drie-eenheid’? Nee!

Gods wezen kennen

De enkel goede God heeft in zijn grote liefde de mens uitverkoren om eeuwig zijn partner, zijn tempel en zijn dienstknecht te zijn. Hij wil en zal uiteindelijk daartoe alles in allen worden en blijven. Om dat grootse plan uit te werken, is het noodzakelijk dat de mens Hem volledig leert kennen. Daarvoor heeft Hij zijn Zoon Jezus de wereld in gezonden om zichzelf te openbaren aan de mensen. Niemand heeft namelijk ooit God gezien of gekend, maar de eniggeboren Zoon die aan de boezem van de Vader is, heeft Hem doen kennen (Joh.1:18). Wij zijn dus op Jezus aangewezen, omdat alleen Hij ons tot de Vader kan laten komen en vervolgens Hem aan ons toont (Joh.14:6b,9). Het leren kennen van de Zoon leidt dus tot het leren kennen, dat is het zien van God, de Vader (Joh.14:7). Om deze reden willen wij ons gaan verdiepen in Jezus Christus. Daarin zullen belangrijke aspecten als Drie-eenheid (= één God die Zich in drie gelijkwaardige wezens openbaart: de Vader, de Zoon, de Heilige Geest), Pre-existentie (= Jezus zou van eeuwigheid al bestaan hebben), het kruis, de Christus, e.d. besproken worden.

Kennen

Jezus zegt in Johannes 17:3: ‘Dit nu is het eeuwige leven dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus die U gezonden hebt.’ Het kennen van de Vader en de Zoon is dus het eeuwige leven. Met ‘kennen’ wordt niet bedoeld een theoretisch weten alleen. Het reikt veel verder. Johannes schrijft, dat wie zegt Hem te kennen, ook zelf zó hoort te wandelen als Hij gewandeld heeft (1 Joh.2:3-6). Het ware kennen is de gelijkvormigheid van de gelovige aan het beeld van Gods Zoon (Rom.8:29). Dit is dus heel wat meer dan het kennen van allerlei theologische feiten en weetjes. De letter, de theorie, moet geest en leven worden. Het Woord wordt zodoende vlees. De volheid van God wordt zo in en door de ware christenen geopenbaard (1 Tim.3:16a). Dat is geen roof of diefstal van de mens, maar juist Gods uitdrukkelijke bedoeling met hem (Fill.2:6b; Ef.1:4,5). Johannes geeft dit gebeuren bij zichzelf en zijn medeleerlingen weer met de woorden:

  • ‘Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat vertellen wij: het Woord dat leven is’ (1 Joh.1:1). Petrus noemt dit proces van vleeswording van het woord van God: ‘zodat u daardoor groeit en uw redding bereikt. U hebt toch ondervonden hoe goed de Heer is?’

Hij brengt dat in verband met het voorafgaande vers, waarin hij ons wijst op het opgroeien en de redding bereiken (1 Petr.2:2b,3). Het zien, horen, tasten en proeven duidt op een persoonlijke realisering en beleving van de kennis van God. Het woord is dan werkelijkheid geworden in mensen. Dit praktisch en daadwerkelijk delen van de gelovige in de goddelijke natuur begint wel door het horen van het woord van God, dus bij de theorie, de kennis. Vandaar dat Jezus, de leerlingen en Paulus, veel uren besteedden aan prediking en onderwijs (Luc.19:47a; Marc.16:20a; Hand.19:9c). De bedoeling ervan is dat de gelovigen inzicht, richting, doel, houvast, advies, be­grip en leiding ontvangen. Niet om er een verzameling van theoretische schatten van te maken zoals men in een museum in steriele vitrines levenloze voorwerpen bewaart. Wel om er zijn leven naar in te richten en zich er naar te gedragen. De kennisoverdracht beoogt te gaan leren ‘onderhouden’ alles wat Jezus ons bevolen heeft (Matth.28:19b). Paulus vat dit samen met het bekende vers in 2 Timotheüs 3:17: ‘Elk van God ingegeven Schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen is, tot alle goed werk volkomen toegerust’.

God

Het christendom is een monotheïstisch godsdienst, d.w.z. het kent slechts een God: Zo zegt de Heer: ‘Ik ben de eerste en Ik ben de laatste en buiten Mij is er geen God. Is er een God buiten Mij? Er is geen andere Rots. Ik ken er geen’ (Jes.44:6,8b). Hij is de Schepper van hemel en aarde: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde’ (Gen.1:1). Deze beide gegevens worden samengevat in Jesaja 45:18: ‘Zo zegt de Heer, die de hemelen geschapen heeft – Hij is God – die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft: Ik ben de Heer en er is geen ander.’ Deze God heeft ook van zich laten horen door te spreken. Eerst tot de aartsvaders en de profeten en tenslotte tot zijn Zoon. Op hun beurt spraken dezen zijn woorden tot ons (Hebr.1:1; Joh.8:26b). Wat daarvan op schrift gesteld is, werd bijeengebracht in de Bijbel. Vandaar dat men dit boek ook wel ‘De woorden van God’ noemt. Zowel uit zijn schepping als uit zijn woord is al het een en ander van zijn goddelijk wezen te verstaan: ‘Want wat een mens over God kan weten is hun bekend omdat God het aan hen kenbaar heeft gemaakt. Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar’ (Rom.1:19,20). De Bijbel vermeldt meer aspecten van Gods wezen. Naast zijn eeuwige kracht en goddelijkheid worden ook zijn liefde, barmhartigheid, goedheid, gerechtigheid, trouw, ontferming, wijsheid, enz. genoemd. Wij leren Hem echter goed kennen door Jezus. Deze is immers het beeld van God (Col.1:15a), de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen (Hebr.1:3a). Alle anderen vóór Hem hebben van een afstand en voor een deel iets van God gekend (Joh.1:18a). In Jezus vinden we het totaalbeeld, het complete en volmaakte. Door Hem zullen wij God geheel leren kennen zoals Hij werkelijk is.

Namen

De Bijbel noemt verschillende namen van God waarin ook verschillende kanten van zijn goddelijk wezen tot uitdrukking komen:

  • Jahwe: Ik ben, die Ik ben (Ex.3:14). Het draagt de betekenis in zich van: Ik zal er zijn, op Mij kun je aan. Dr. Reisel vertaalt deze naam met de Paraatblijkende.
  • El: De Sterke, de Gebieder, de Leider (Ex.3:6). Er wordt een afstand in uitgedrukt tussen God en mens als zijnde twee verschillende wezens.
  • El Sjaddai: God de hoogste of de Almachtige (Gen.17:1).
  • El Eljon: God de Allerhoogste (Gen.14:18).
  • El Olam: De eeuwige God, Dezelfde (Gen.21:33; Jes.40:28).
  • El Ra’i: God des aanziens (Gen.16:13; 22:14). Hij is de God die meer ziet dan een ander en zich laat zien om op het juiste ogenblik reddend te handelen.
  • El Eloehe’i: God van Israël (Gen.33:20). Alleen die God is de werkelijke Leider.
  • Elohim: Dit is een titel die vaak toegevoegd werd bij de naam Jahweh.

Al vanaf Genesis 1:1 wil dit onderstrepen dat deze God de enige godheid is die alle andere goden uitsluit. Hij alleen omvat alle goddelijke macht en leven. Hij is in volstrekte, onvergelijkelijke, exclusieve zin werkelijk en waarachtig God (uit ‘Bijbelse woorden en hun geheim’ van F.J. Pop).

Vader

De mooiste naam is echter Vader. Deze wordt ons door Jezus geleerd en dichtbij gebracht. Daarin ligt alles besloten wat Hij voor ons is en doet binnen de intieme relatie die de mens in Christus met God mag hebben. Daar gaat in deze bedeling niets bovenuit. Hij is de Vader van de heerlijkheid, de God van de vertroosting, de God van de hoop en de God van de vrede. Als Paulus in de eerste drie hoofdstukken van zijn Efezebrief over het geheimenis van God heeft geschreven, welt de lof en aanbidding uit zijn hart en pen op: Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen! Wij voegen met heel ons hart ons amen daarbij.

God en de schepping

De namen El en Elohim geven sterk de afstand tussen God, de Schepper en zijn maaksels weer. In al het bestaande zijn namelijk de volgende soorten te onderscheiden: God – mens – engel – dier – plant – materie. Elk voor zich is uniek in wezen en daardoor ook bepaald. Met andere woorden: God is en blijft (de) God en gaat nooit over in een ander wezen (bv. een mens). Dit laatste kom je alleen tegen in heidense godenverhalen. Voor Romeinen en Grieken was het bv. normaal dat hun afgoden vlees en bloed aannamen en liefde e.d. bedreven met vrouwen op aarde. Daaruit werden dan halfgoden geboren met allerlei bijzondere eigen­schappen. Maar men kan niet tegelijkertijd een god en een mens zijn. Dit gegeven drukt Jezus uit met de woorden: ‘De Vader is meer dan Ik’ (Joh.14:28b). Een mens is en blijft een mens en wordt nooit een engel of een god, of andersom. Een dier is een dier; materie is materie. Ieder wezen, soort, heeft zijn eigen natuur. Er is geen vermenging of overgang van soorten onderling. Tussen een mens en een dier gaapt een eeuwig onoverbrugbare kloof in soort. Als koning Nebukadnezar zich als een dier gedraagt, blijft hij als wezen een mens (Dan.4). Zo is en blijft er tussen God en mens – als wezen – ook een eeuwig onoverbrugbare kloof. Jesaja zegt terecht: ‘Moet de boetseerder op één lijn gesteld worden met het leem?’ (Jes.29:16a) en: ‘Zal ook het leem tot zijn vormer zeggen?’ (Jes.45:9a). In deze beeldspraak leert de profeet ons die afstand – als wezen – tussen God en mens. De mens is van een lagere orde. Hij is geschapen, is een schepsel en als zodanig nooit gelijk aan de Schepper. Bij gebrek aan kennis en inzicht ontstaat er een verkeerd denken over deze zaken. Daarom geeft Asaf ter correctie een gedachte van God door: ‘Zou Ik dan zwijgen bij wat u doet, u denkt toch niet dat Ik ben als u?’ (Ps.50:21a). De profeet Hoséa spreekt nog directer in deze trant als hij leert: ‘Ik ben God en geen mens’ (Hos.11:9b).

Drie-eenheid

Uit het bovenstaande blijkt dat God als wezen uniek is. Als er buiten Hem geen echte andere goden zijn en Hij ook geen mens is, dan is Hij de enige in zijn soort. Het is totaal overbodig, onnodig, tegenstrijdig en onlogisch dat Hij als godheid uit verschillende wezens zou moeten bestaan die onderling ongelijkwaardig zijn (god en mens). Johannes 4:24a zegt: God is geest! Ook in zichzelf ongedeeld: ‘Hoor, Israël, de Heer is onze God; de Heer is een!’ (Deut.6:4). De ‘Drie-eenheidleer’ gaat er echter van uit dat de godheid wel uit drie wezens zou bestaan die echter toch een god vormen, namelijk: God, de Vader – God, de Zoon – God, de Heilige Geest. Deze drie zouden dan bestaan van eeuwigheid. Deze drie verschillende wezens zouden dan de openbaringsgestalten van de ene godheid zijn. Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 8:6a echter: ‘Wij weten: er is één God, de Vader.’ Geen Drie-eenheid dus. En over Jezus schrijft hij in vers 6b er achter: ‘En één Heer, Jezus Christus.’ Daar komt nog bij dat het begrip ‘vader-zoon’ gelijkheid uitsluit. De vader is de verwekker, is meerder dan zijn kind (Joh.14:28b). Een vader kan niet tegelijkertijd ook zoon zijn van zichzelf. Zo laten ‘god-mens’ en ‘vader-zoon’ zich nooit rijmen als zijnde één wezen.

De mens Jezus

Uit dit alles is het duidelijk dat God nooit tegelijk een mens is, of dat de mens Jezus tegelijk God zou zijn. De Bijbel leert nergens dat Jezus Christus ook God is. Ook niet in die teksten die, oppervlakkig en naar de letter gelezen, dat wel schijnen te beweren. Dit komt later aan de orde. Er zijn twee duidelijke uitspraken die er niet om liegen dat onze Heer mens is:

  • ‘Door de overtreding van één mens moesten alle mensen sterven, maar de genade die God aan alle mensen schenkt door die ene mens, Jezus Christus, is veel overvloediger’ (Rom.5:15c). ‘Want er is maar één God en maar één bemiddelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus’ (1 Tim.2:5).

Wat zou hier toegelicht moeten worden? Dit spreekt voor zich! Het mens zijn van Jezus zullen we eerst uitwerken. Het andere aspect: Zoon van God, komt ook later aan de orde.

Dienstknecht

In Filippenzen 2:7 staat: ‘Maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En is als mens verschenen.’ Men meent hier dan een tekst gevonden te hebben waarmee Paulus zou leren dat Jezus, als God zijnde, mens werd. Dat zou dan zijn ‘afstand nemen’ zijn en een vernedering. Maar is mens-zijn vernederend? Nee, de mens is juist de kroon van de schepping en mag het beeld van God dragen. Een dergelijke uitleg is op zich al onjuist. De apostel schrijft hier over iets heel anders. Het woord ‘slaaf’ doelt op de gevallen mens die in een situatie van slavernij verkeert (Rom.6:17a). Door de zonde is hij in de macht van de duivel gekomen. Jezus nam nu, als Lam van God tijdens zijn plaatsvervangend lijden en sterven, deel aan die vernederde, aan de duivel onderworpen toestand. Hij werd door dit slaafzijn gelijk aan de gevallen mens en nam diens plaats in het rijk van de duisternis. Daartoe legde Hij tijdelijk zijn heerlijkheid af (dat is de inwoning van de volheid van God, Col.2:9) die Hij tevoren, tijdens zijn bediening, zo liefdevol had ingezet tot redding, verlossing en genezing van velen. Deze tekst is dus per definitie geen uitleg van een goddelijke ‘Drie-eenheid’.

Omdat Jezus dus mens is, worden er in de Bijbel ook nog andere termen gebruikt die daaraan ontleend zijn, zoals zoon, vlees, broer. Wij zullen deze bespreken om te proberen een zo volledig mogelijke Bijbelse onderbouwing te bieden aan dit belangrijke gegeven. Het gaat hier immers niet om een theologische woordenstrijd of muggenzifterij. Of Jezus Christus mens of God is, heeft zeer verstrekkende gevolgen voor ons! Als Hij God is, was Hij ‘als mens’ een uitzondering ten opzichte van ons allen. Dan is het een klein kunstje voor Hem geweest om te overwinnen. De conclusies uit zo’n zienswijze zijn voor de mensheid afschuwelijk. Allereerst zal voor ons nooit haalbaar zijn, wat bij Hem wel kon: overwinning, volmaaktheid, koningschap, zoonschap. Ten tweede zou de duivel dus door God zijn verslagen en niet door de mens. Maar de Bijbel beweert juist het tegendeel: ‘Ik zal vijandschap zetten tussen u (satan) en de vrouw en tussen uw zaad en haar zaad’ (Gen.3:15a). Openbaring 12:11 getuigt van de goede afloop. Als God de satan zou moeten bestrijden dan was het pleit allang beslecht. Ten derde zou de (gevallen) mensheid dus niet geschikt zijn geweest om het goede voort te brengen: de Christus. In het paradijs spreekt God echter al dat er uit ‘uw zaad’ een komt die de kop van satan zal vermorzelen (Gen.3:15b). Daarom noemt Jezus zichzelf steeds ‘Mensenzoon’. Duidelijker kan het niet gezegd worden.

Mensenzoon

Jezus is de grootste, volmaaktste en heerlijkste zoon die uit de mensheid, uit haar zaad, is voortgekomen. Hij is dè zoon die de mensheid door Gods ingrijpen alsnog mocht voortbrengen. Dat dit mogelijk was, had de duivel nooit gedacht. Hierin schittert God in al zijn wijsheid en kundigheid. Hij hoefde niet op een andere planeet een nieuw soort wezen, mens, te scheppen om zijn plannen daarmee dan maar uit te gaan voeren. Wie en wat zou er trouwens garant voor staan dat er dan niets mis zou gaan? De grootheid van onze God is dat Hij oplossingen kan aandragen binnen de mogelijkheden van het al bestaande. Zijn schepping is zó goed, dat Hij ondanks haar val toch nog een Christus, een Lam, uit haar tevoorschijn kon laten komen. Ook toont Hij daarin zijn liefde voor de mens(heid). Dit is echte aanvaarding, de ware balsem op de wonden van verwerping door de duivel aangebracht. Dit is rehabilitatie. De benaming ‘Mensenzoon’ biedt zekerheid en hoop voor de mensheid. Het is een erenaam, waar wij God onuitsprekelijk dankbaar voor zijn. Het blijkt dat Hij zijn voornemen met ons absoluut tot een goed einde kan brengen. Deze Mensenzoon zal komen op, in, met een wolk (de gemeente) met grote macht en heerlijkheid. Zowel de Heer als de zijnen zullen met eer en heerlijkheid gekroond zijn en alle dingen zullen onder de voeten van de mens van God onderworpen zijn (Hebr.2:5-9). God heeft het laatste woord; zijn voornemen met de mens zal uitgevoerd worden. Om zijn wil was hij en werd hij geschapen. Jezus Christus is de Mensenzoon. Deze realiteit biedt oneindig veel troost en perspectief voor de mensheid, voor de mens, voor ons. Zijn solidariteit met de mens stoelt mede op het feit dat Hijzelf ook mens is (Matth.25:40). Wat dit aspect betreft, mogen we zeggen: Hij is er iemand als wij. De profeet Micha schrijft in hoofdstuk 5:1:

  • ‘Uit u, Bethlehem in Efratha, te klein om tot Juda’s geslachten te behoren, uit u komt iemand voort die voor mij over Israël zal heersen. Zijn oorsprong ligt in lang vervlogen tijden, in de dagen van weleer.’

De kerkgeleerde Dr. A.H. Edelkoort noteert in de ‘Bijbel met kanttekeningen’ bij enkele deeltjes van deze tekst het volgende:

  • ‘Uit u zal Mij voortkomen: Men heeft wel vermoed, dat in het Hebreeuws een woord uitgevallen zou zijn, bijv. ‘kind’: uit u zal Mij een kind voortkomen.
  • oorsprong: het Hebreeuws heeft hier meervoud staan, dus oorsprongen.
  • van ouds: Daarmee doelt de profeet op de tijd van koning David, die reeds drie eeuwen achter hem lag. Tot zo verre tijd zou de afstamming van de Messias teruggaan.
  • dagen van de eeuwigheid: Hier wordt niet de Pre-existentie van de Zoon geleerd. Het woord ‘eeuwigheid’ heeft hier de Israëlitische betekenis van: onafzienbaar lange tijd. En zo mocht van Micha’ s tijd uit gezien de eeuw van David wel heten.

Deze kanttekeningen kunnen wij geheel onderschrijven. De tekst kan dan als volgt gelezen worden: ‘En u, Bethlehem Efratha, al bent u klein onder de geslachten van Juda, uit u zal voor Mij een kind (zoon) voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprongen van lang geleden zijn, historisch gezien zelfs een onafzienbare lange tijd geleden’. Bovengenoemde tekst wordt wel eens aangehaald om de Pre-existentie van Jezus te bewijzen.

We belichten eerst met deze tekst iets over de menselijke afstamming van Jezus. Met deze notities wordt namelijk uiteengezet dat Micha in zijn profetie verwijst naar de diverse beloften van God voor de komende Messias. Deze waren in vroegere tijden aan de aartsvaders en profeten door Hem bekend gemaakt (Luc.1:55). De eerste maal is dat aan Eva: de paradijsbelofte (Gen.3:15). Vervolgens spreekt God tegen Abraham weer over nageslacht (Gen.12:7). Paulus schrijft – deze gebeurtenis in Galaten 3:16 aanhalend – over ‘zaad’. En dat is Christus. Daarna volgt Juda (Gen.49:10). En tenslotte David: ‘De Heer heeft David een dure eed gezworen, waarop Hij niet terugkomt: Een van uw lijfelijke zonen zal Ik op uw troon zetten’ (Ps.132:11; 2 Sam.7:12). Dit wordt dan ook door Petrus in zijn pinksterrede aangehaald (Hand.2:30). Jezus’ wortels liggen diep verankerd in het menselijk geslacht! Hij is mens. Hij wordt terecht de wortel van Isaï genoemd (Jes.11:1). Terugziend in de tijd vanaf Micha en zeker vanaf Maria, zijn zijn dagen van ouds en ‘van de oude tijden’, zoals de letterlijke vertaling luidt van de woorden ‘dagen der eeuwigheid’.

Een kant en klaar embryo?

Gods spreken zou Hem tot een aanfluiting worden als Hij Maria alleen gebruikt zou hebben als draagmoeder. In haar baarmoeder zou Hij dan een kant en klaar embryo geplaatst hebben. De Bijbel spreekt echter andere taal. Op haar vraag aan de engel Gabriel hoe zij zwanger zou kunnen word en zonder omgang met een man, antwoordt hij: ‘De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God’ (Luc.1:34,35). Hij zal Zoon van God genoemd worden: God verwekt (d.m.v. zijn Heilige Geest) als een vader een zoon. Hebreeën 1:5a zegt: ‘Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt.’ Overbodig te zeggen dat het wonder, dat een maagd zwanger zou worden (Jes.7:14), geen enkele inhoud meer zou hebben als er geen bevruchting plaats had gevonden (naar analogie van de spreekwijze in 1 Cor.15:15b). Deze Bijbelse gegevens, gekoppeld aan die over ‘zaad’ en ‘nageslacht’, getuigen van het vaderschap van God en het moederschap van de mens.

God heeft met zijn Geest een volmaakte verbinding geschapen met Maria, zoals ook in Genesis de schepping van de mens wordt beschreven. Alles – en als laatste de mens – is immers door God Zelf geschapen in miljarden jaren en Mozes heeft dit kort samengevat tot een week. Zo werd God de vader van Jezus en Maria de moeder van de mens Jezus van Nazareth. Hierin is Jezus uiteraard uniek, want op die manier zijn wij niet verwekt. Die door God geschapen Geestelijke verbinding bracht bij Maria een mens voort. God is geest en bezit geen (goddelijke) zaadcellen, waarmee Hij Zich zou kunnen verbinden met mensen om Zich zo te kunnen voortplanten. (Als kanttekening zij hier opgemerkt dat de Drie-eenheid-’leer’ – met o.a. Jezus is God – bij de rooms-katholieken ertoe geleid heeft dat Maria de moeder van God wordt genoemd. Vanuit die leer geredeneerd logisch, maar het demonstreert wel tot welke dwaasheden men kan komen). Als Hij een andersoortige zaadcel geschapen zou hebben, dan zou Hij buiten het al bestaande zijn getreden. Dus de verliezer zijn geworden t.o.v. satan. Hij zou dan als God niet in staat zijn geweest om zijn bestaande schepping te gebruiken, waarvan Hijzelf getuigd had dat zij zeer goed was (Gen.1:31a).

De leugen

Gods beloften aan de mens en zijn plannen met hem zouden waardeloos worden als Jezus God zou zijn geweest en geen mens. Daarom is dit onderwerp in deze tijd zo actueel geworden. Honderden miljoenen, ‘zich christelijk noemenden” geloven immers nog steeds in een uitgevonden ‘drie-eenheid’. De duivel wil uit alle macht voorkomen dat wij er naar streven óók zonen van God te worden. Dat houdt hij voor onmogelijk; dat is niet meer haalbaar voor een (gevallen) mens. Dus wil hij ons die leugen inpeperen: wat met Jezus is gebeurd, kan met ons niet gebeuren, nl. dat de mens van God komende is in ons vlees (1 Joh.4:2; Joh:7). Jezus moet dus maar als een uitzondering gezien worden, desnoods als God zelf. In ieder geval mag Hij geen mens zijn. Begrijpt u, lezers, dat het zoeken naar de juiste inzichten over al deze zaken niets te maken heeft met theoretische haarkloverijen, maar al een voorronde is van de worsteling met de geest van de antichrist (1 Joh.4:3,4).

Het geslacht van David

Vanwege de volledigheid m.b.t. ons onderwerp en om eventuele knelpunten al vooraf op te lossen, komen we even terug op de Bijbelse vermelding dat Jezus uit het geslacht van David stamt. Diverse theologische bronnen vermelden dat zowel Jozef als Maria uit Davids geslacht stammen. In de twee geslachtsregisters die de Bijbel kent, eindigt de stamboom van David bij Jozef, de man van Maria (Matth.1:16,20). We weten dat hij niet de vader van Jezus was (Luc.3:23), maar eigenlijk zijn stiefvader. Toch blijkt uit de Bijbel dat dit voldoende is om Jezus als nakomeling, als zaad, van David te beschouwen (Matth.1:1). Ook Jezus’ tijdgenoten dachten daar zo over (Matth.21:9; Marc.10:47). De stamboom in het Lucasevangelie wordt wel gezien als die van Maria. Overigens zal het duidelijk zijn dat dit gegeven weinig heeft uit te staan met het mens-zijn van Jezus. Het is en blijft de mèns Maria – als vertegenwoordigster van de mensheid – die, na Gods bevruchting door heilige Geest, de Zoon voortbracht.

‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.’

Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.’ Deze uitspraken in Johannes 1:1-14 worden nogal eens aangevoerd om gelovigen te overtuigen dat Jezus God is en dus ook van eeuwigheid al bestond bij Hem. Ze vormen de kernen van de zogenaamde dogma’s van Drie-eenheid en Pre-existentie. In de bespreking van deze verzen proberen we ons te beperken tot het aspect Drie-eenheid (zie ook het Comma Johanneum). Uitgaande van dit Schriftgedeelte redeneert men dan als volgt:

  • Het Woord = God (vers 1c)
  • Het Woord wordt vlees (vers 14a)
  • Het vleesgeworden Woord is de persoon Jezus
  • Dus: Jezus = God.

Er wordt dus zonder meer van uitgegaan dat dit eerste hoofdstuk, net als in de evangeliën van Mattheüs, Marcus en Lucas, een kerstevangelie is. Maar dat is het niet!

Logos

Voor het woordje ‘Woord’ staat in het Grieks ‘Logos’. Dit betekent: rede, scheppende gedachte, woord als gedachteuiting, gesproken woord, leer, enz. Het begrip Logos staat voor het totaal aan gedachten en plannen van God die in Hem zijn. Hij is daar zo één mee, zo mee vervuld en verweven, dat ze niet van Hem te scheiden is: Logos was God. Ook wordt met deze spreekwijze benadrukt dat wij er goed van doordrongen dienen te zijn, dat die Logos geen menselijk voortbrengsel is, maar uit de Schepper komt (1 Cor.2:9). Logos was bij God. Het betekent in ieder geval niet, dat Logos een wezen, een persoon is. Als dat wél zo zou zijn, zou er geen ‘was’ mogen staan, omdat God eeuwig onveranderlijk is. Daarbij moeten we beseffen dat de spreker altijd meerder is dan het gesprokene. God is meer dan zijn Woord – een mens meer dan wat hij zegt. God en mens zijn wezens, woorden ‘slechts’ klanken met een inhoud en bedoeling. Wie woorden voortbrengt is maker, het uitgesprokene is maaksel.

In het begin

  • ‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.’

De verleden tijd die Johannes hier gebruikt, volgt uit zijn aanhef met ‘In het begin’. Hij beschrijft op zijn manier Genesis 1:1, het scheppingsgebeuren. God ging spreken. De tijd begon. Enkele zaken uit de Logos in Hem (het tot aanzijn roepen van een hemel en een aarde) bracht Hij vanaf dat moment sprekende onder woorden. In de vertaling van Dr. M. Reisel staat: ‘En God uitte zich.’ God maakte ‘in het begin’ een start met het uitspreken, het naar buiten brengen van zijn plan, zijn Logos. Het eerste wat er dus in het begin was, was het Woord (vers 1a). Daarom schrijft Johannes, vanuit zijn tijd terugziende, in de verleden tijd. Het is geschiedschrijving. Telkens wanneer God weer gesproken had (de zes door Mozes genoemde scheppingsdagen), waren die onderdelen van zijn Logos niet meer in Hem en niet meer alleen bij Hem bekend. Door zijn voortgaand spreken gaf Hij steeds meer aan de openbaarheid prijs van wat in de Logos was. De engelen hoorden het nu ook. Later, na zijn spreken tot de vaders, de profeten en tenslotte de Zoon, kregen vele mensen grote delen van de Logos te horen. Het Woord was aanvankelijk van en bij God alleen. Nu is dat verleden tijd geworden, want het is ons geopenbaard (1 Cor.2:7,10,11,12). Samenvattend concluderen wij dat het eerste vers van het Johannes-evangelie daarom geen beschrijving van God zelf is noch van zijn Woord. Er is geen enkele grond voor. Deze tekst is geen uitleg dat ‘God’ en ‘Woord’ hetzelfde wezen zijn. Daar gaat het helemaal niet over. Aan het eind van het vorige deeltje zagen we al dat dit nooit kan. Dus kan er ook met vers 14a niet bedoeld zijn dat het vleesgeworden Woord een mens geworden God werd. Er staat niet dat Gód vlees werd!

Vlees worden

In de Logos is nog veel meer besloten dan alleen een hemel en een aarde, namelijk ook de met eer en heerlijkheid gekroonde mens(heid). God wilde dat de heerlijkheid, die een aspect was van zijn voornemen, zijn Logos, zich zou concretiseren in mensen. Onder eer en heerlijkheid verstaan we een levenswijze als van God, zoals bv. een volmaakte heiligheid en onberispelijkheid (Ef.1:4), een heersen over alle dingen (Hebr.2:8a), alles kunnen (Marc.9:23). De eerste die daar volledig aan beantwoordde, was Jezus Christus. In heel zijn doen en laten is Hij één met de natuur, de mogelijkheden en het leven van God zelf. Wat de Logos aan heerlijkheid voor de mens bevatte en waar het Woord over sprak, werd door de mens Jezus in praktische zin volkomen gerealiseerd: het Woord werd in zijn persoon en leven vlees! De leerlingen hebben dit gezien, gemerkt: ‘en wij hebben zijn grootheid gezien’ (Joh.1:14). Het gaat in dit vers dus niet over het kerstgebeuren waar het Christuskindje ter wereld kwam. Daar waren de leerlingen niet bij aanwezig. De ‘vleeswording’ van de Logos betekent niet de totstandkoming van een babylijfje. Maar, nogmaals, de verwerkelijking van wat God voor ogen stond met de mens en dat in deze natuurlijke wereld.

Na de zondeval werd uit de Logos een nieuwe mogelijkheid geboren om d.m.v. bevruchting door Heilige Geest van de mens (de maagd Maria) alsnog de Christus te laten ontstaan (Gen.3:15b; Jes.7:14a; Luc.1:31,35). De Logos, het Woord, is echter veel meer dan dat aspect alleen. De Logos omvat alle plannen en bedoelingen van God. Daarin gaat het o.a. ook over onze positie en bestemming, over die van de engelen, over de toekomst en over wat we nog niet weten, omdat het nog in God verborgen is. Niet de héle Logos is in Jezus vlees geworden, maar slechts dát deel wat op Hem betrekking heeft (Luc.24:44). Daartoe horen uiteraard ook de aspecten van de ‘Christus’, het ‘Lam van God’ en het ‘Hoofd van de gemeente’ zijn, e.d. De zaken echter die op ons betrekking hebben, zullen in ons leven ‘vlees’ moeten worden. En wat voor de engelen bedacht is, zullen zij moeten waar maken, Enz. Het Woord is altijd meer en groter; het omspant alles (Joh.1:3; Hebr.1:3b). De Logos zèlf blijft, omdat God eeuwig blijft en werkt. Altijd weer zal Hij nieuwe dingen doen laten voortkomen die uiteraard verbonden zijn met het al eerder geopenbaarde. Dat is een aspect van zijn eeuwige leven. Hij is Schepper.

Naar het vlees

Vanuit de Drie-eenheid-’leer’ wordt ook wel gedacht dat Jezus ‘naar het vlees’ menselijk was, maar ‘naar de geest’ goddelijk. Dat zou er dan op neerkomen dat alleen Jezus’ lichaam zijn menselijke kant vormde, maar zijn inwendige mens (geest en ziel) zijn goddelijke. Met deze uitleg zou men dan tevreden gesteld zijn over de netelige kwestie van het tegelijk mens en God zijn van onze Heer. Maar … het is ten ene male onmogelijk om ‘slechts’ in de baarmoeder een natuurlijk lichaam te laten ontwikkelen zonder geestelijk, inwendig lichaam, ook wel levensgeest genoemd. Leven ligt juist verankerd in gezond menselijk zaad (eicel en sperma) en hoeft niet door God apart bij elke nieuwe foetus ingeplant te worden. Na de bevruchting ontwikkelt het embryo stoffelijk en onstoffelijk. Zó ontstaat een levend mens. De mens geeft het leven via de voortplanting door. Daaruit ontwikkelt zich steeds weer een nieuw lichaam van vlees en van geest: een kind. Zo ook Jezus. Er groeide niet alleen een stoffelijk menselijk lichaam zonder levensgeest in Maria’s baarmoeder, waarin later (?) Jezus’ innerlijk vanuit de hemel zou zijn neergedaald om er zijn intrek in te gaan nemen. Dit is een gedachte uit de Pre-existentie-leer. Men beroept zich op de uitdrukking ‘in het vlees gekomen’ (Rom.8:3). Daarbij wordt het accent gelegd op ‘in’ met de betekenis van: erin. Zoals je melk in een pannetje giet. Maar de term ‘in het vlees’, die Paulus veelvuldig gebruikt, bedoelt de totale menselijke situatie op aarde aan te duiden. Zie tot welke onlogische en tegennatuurlijke gedachtekronkels men komt. Om elke tegenspraak bij voorbaat de mond te snoeren, geeft men dit dogma het predicaat ‘mysterie der mysteries’. Wie het vatten kan, die vatte het.

We belichten ook nog de uitdrukking ‘vlees en bloed’. In Hebreeën 2:14 staat: ‘Omdat die kinderen mensen zijn van vlees en bloed, is de Zoon een mens geworden als zij.’ Het aan bloed en vlees deel hebben is een andere zegswijze voor mens-zijn, met het accent op het aanwezig zijn in deze natuurlijke wereld die in het kwaad ligt (1 Joh.5:19). Alle mensen hebben daar deel aan. Deze uitdrukking betekent voor ons toch ook niet dat wij eigenlijk goden zijn en uit de hemel neergedaald zijn om vlees en bloed aan te nemen? Deze tekst benadrukt juist het mens-zijn van Jezus, zonder uitzonderingen of bijzondere toevoegingen. Hij was zo volledig mens, dat Romeinen 8:3 spreekt van ‘heeft hij zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd.’ Met andere woorden: Jezus is mens, Hij was op aarde (met de duivel als overste) in gelijke omstandigheden als alle andere mensen. Hij bezat als wezen geen aparte, bijzondere, bovenmenselijke eigenschappen. Hij werd daarbij in alles op gelijke wijze als wij verzocht door de boze (Hebr.4:15). Hij werd daar niet van vrijgesteld. Daardoor heeft Hij ‘tijdens zijn dagen in het vlees’ gebeden met smekingen’ (Hebr.5:7), net als wij dit doen nu wij nog ‘in het vlees’ zijn. Ondanks het woeden van de vijand kan toch Gods heerlijkheid in de mens werkelijkheid worden: ‘Die Zich geopenbaard heeft in het vlees’ (1 Tim.3:16). Dát belijden wij. Daar volgt ook uit dat wij ook geloven dat Jezus’ leven zich in zijn volgelingen zal openbaren (2 Thess.1:10). In ons sterfelijk vlees, dus tijdens onze aanwezigheid hier en nu (2 Cor.4:11).

Johannes schrijft in zijn tweede brief dat iedere geest die belijdt dat Jezus Christus gekomen is ‘in het vlees’ uit God is (2 Joh.7). De vertaling ‘gekomen is’ blijkt foutief te zijn; er staat namelijk ‘komende’. Dit tegenwoordig deelwoord drukt een handeling uit die zich nu voltrekt én zich blijft voortzetten. Het proces van Jezus’ verschijning IN zijn gelovigen is bij nieuwe geboorte en doop in Gods Geest begonnen, zet zich vandaag voort – dat is tenminste de bedoeling – en komt in de eindtijd tot een climax. Johannes verenigt in deze schrijfwijze heden en toekomst. De Drie-eenheid-’leer of ‘triniteit’ is daarom een ernstige ondermijning van de geloofwaardigheid en realiteitszin die het evangelie van het Koninkrijk der hemelen juist kenmerken. De Bijbel is bij uitstek het boek van de beeldspraak. Met allerlei voorbeelden, gelijkenissen en beelden worden de diverse kanten van personen en situaties beschreven. Zo noemt bv. de profeet Zacharia hen die bij Gods volk horen: kroonjuwelen die zullen blinken in zijn land (Zach.9:16). Een dergelijke beeldspraak geeft dus de grote waarde en pracht weer van de mens van God. Het is die mens die centraal staat in zijn voornemen, de Logos. Het is daarom vanzelfsprekend dat de christen vanuit het evangelie een waarheidsgetrouw mensbeeld opbouwt en een helder inzicht ontwikkelt over de Mensenzoon, Jezus.

Naar zijn beeld

Als God geen mens is, is de mens geen god. Het ‘naar zijn beeld en gelijkenis geschapen zijn’ van de mens betekent niet dat de mens dus een god(je) is of zal worden, of de goddelijke natuur als wezenskenmerk in zich omdraagt. Ook de uitspraak uit Psalm 8:6a ‘U hebt de mens bijna goddelijk gemaakt’ doelt daar niet op. De Hebreeuwse grondtekst spreekt over ‘U maakte de mens iets minder dan geestelijk(e) wezen(s)’. De meeste vertalingen vullen daar God of engelen in. Paulus citeert deze tekst in Hebreeën 2:7a: ‘U hebt de mens voor een korte tijd lager dan de engelen gesteld.’ Hij voegt er ook de woorden ‘voor een korte tijd’ tussen en doelt dan op de positie van de gevallen mens die inderdaad overheerst wordt door de boze engelen. In die toestand zijn de heilige engelen hun meerderen in sterkte en macht (2 Petr.2:11). Als we echter Psalm 8 wel willen gebruiken voor een beschrijving van de mens, dan blijkt uit de andere in dit artikel genoemde Schriftplaatsen dat het ‘bijna goddelijk’ niet evolueert in ‘goddelijk’. Het wijst op de statuur (positie) van de mens (met eer en heerlijkheid bekleed) en niet op zijn natuur (wezen). Een mens blijft eeuwig mens. Wel leert het evangelie ons dat de mens, die in Christus is, deel mag hebben aan de goddelijke natuur (Joh.6:53; 2 Petr.1:3,4). Dit is een heel bijzondere situatie die alleen voor de mens geldt. Het vormt het hart van Gods plan met de mens.

Als een arme man door een bijzondere gunst gebruik mag maken van de bezittingen en het geld van een miljonair, zal hij zich als een rijke kunnen gaan gedragen. Maar die rijkdom is niet zijn eigendom, maar blijft het vermogen van die miljonair. Zo zal een mens die door genade deel mag hebben aan de goddelijke natuur, zich gaan gedragen ‘als goddelijk’, maar hij blijft mens en zijn rijkdom blijft het wezenlijke eigendom van God. Paulus schrijft in dit verband o.a.: ‘Maar wij zijn slechts een aarden pot voor deze schat; het moet duidelijk zijn dat onze overweldigende kracht niet van onszelf komt, maar van God’ (2 Cor.4:7). Jezus was de eerste mens die van dit heerlijke aanbod vrijmoedig gebruik maakte, zodat er terecht van Hem geschreven kon worden: ‘Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van’ (Fill.2:6,7). Net zoals de arme man die het geld niet van die miljonair had gestolen, maar door diens aanbod er wel volledig deel aan kreeg en daardoor zich in zijn doen en laten ook als een miljonair gedroeg. Hierdoor was hij in de gestalte van een miljonair en door die leefwijze gelijk aan hem. De situatie die ontstaat uit het ‘deel hebben aan’ andermans bezittingen zal er nooit toe leiden dat men die ander zèlf wordt. In het deel hebben aan de goddelijke natuur blijft de mens een mens en God (een) god.

Goden

In één van hun discussies met Jezus beschuldigden de Joden Hem van godslastering, ‘omdat U, een mens, Uzelf God maakt’ (Joh.10:33). Binnen het kader van ons onderwerp is dit een interessante uitspraak, want zij gingen er destijds nog wèl vanuit dat Jezus een mens was. Zij maakten zich juist kwaad, omdat ze vermoedden dat Hij zichzelf tot God verhief. Tegenwoordig is dat precies andersom! Er worden nu bezwaren gemaakt, wanneer Jezus als mens wordt gezien en niet langer als God. Jezus’ antwoord op hun beschuldiging is een citaat uit Psalm 82:6: ‘Ooit heb Ik gezegd: ‘U bent goden, zonen van de Allerhoogste, allemaal.’ Tot wie sprak God deze woorden? Dat waren volgens deze psalm de rechters of leiders van Israël, mensen dus. Zij worden in Exodus 21:6 zelfs letterlijk zo genoemd. Ook in Psalm 50:1-6 en Psalm 58:2 wordt dat verband gelegd. In die functie worden zij ‘als’ goden gezien. Van Mozes wordt gezegd dat hij voor zijn broer Aäron tot een God is (Ex.4:16b). Deze benaming geldt slechts voor een bepaalde positie en functie. Dat kan ook gelden voor engelen. In Ezechiël 28:11-19 wordt er in beeldspraak over satans val gesproken. In vers 16b is sprake van ‘de berg van de goden’. Er wordt echter nergens in de Bijbel geleerd dat mensen en engelen, als wezens, goden zijn of worden. Ook de ‘zogenaamde goden en heren die er in menigte zijn’ – door Paulus in 1 Corinthiërs 8:5 aangehaald – worden met recht ‘zogenaamde’ genoemd. Het zijn namelijk afgoden, boze geesten, die zich maar wat graag als god(en) voordoen. Het zal een mens en een engel nooit lukken om een god te worden, dus van wezen te veranderen. De geest van de antichrist (Apollyon – Op.13:1) streeft er echter wél naar om met behulp van een mens (de antichrist – Op.13:11) zich als zodanig te presenteren. In Jesaja 14 is Babel het beeld daarvan. Vers 13,14 zegt:

  • ‘Ik zal opstijgen naar de hemel; tot boven Gods sterren zal ik mijn troon verheffen, ik zal zitten op de berg van de ontmoeting aan de noordzijde. Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten, ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste.’ Paulus schrijft er ook over: ‘de tegenstander, die zich verheft boven alles wat God heet of verering ontvangt, zelfs zo zeer dat hij zich neerzet in de tempel van God (de mens; en niet een herbouwde aardse tempel van de bedelingenleer) en zich voor God uitgeeft’ (2 Thess.2:4).

Deze handelwijze wordt ten zeerste door God veroordeeld. Dit is iets wat nooit mag gebeuren! Vandaar de duidelijke afwijzing ervan in Ezechiël 28:1-10. Het is belangrijk dat gedeelte eens aandachtig door te lezen.

Zoon van God

Als Jezus zijn tegenstanders in Johannes 10 weerlegt, geeft Hij eerst aan wie goden genoemd worden, namelijk ‘tot wie het woord van God gekomen is’ (35a). Als er iemand ooit heeft bestaan voor wie dat geldt, is het de Heer wel. Toch gaat Hij daar niet verder op in. Hij beaamt de beschuldiging niet dat Hij, een mens, zichzelf God maakt (vers 33b). Trouwens, dat het eigenlijk om titels gaat en niet om wezens, blijkt nog eens duidelijk uit zijn woordkeus. Hij spreekt over goden genoemd worden en niet over goden zijn. Vervolgens valt het op dat Hij nu juist de twééde regel van vers 6 uit Psalm 82 voor zichzelf gebruikt. Daar staat: zonen van de Allerhoogste. Jezus verwoordt dat met: Ik ben Gods Zoon (vers 36b). Eigenlijk is deze benaming op zich heel normaal. In Lucas 3 staat een geslachtsregister van Jezus. Dat loopt via vele mensen van zijn voorgeslacht terug naar Adam. Deze wordt in vers 38 de zoon van God genoemd. Wel, wie daar van afstamt, mag zichzelf ook zo noemen. Wij zijn immers van Gods geslacht (Hand.17:28a). God, is als vader, de verwekker geweest van de mens Jezus Christus. Dus is Jezus daardoor ook zoon van God. Omdat God door Heilige Geest slechts eenmaal op deze heel uitzonderlijke wijze een mens heeft voortgebracht, is Jezus de eniggeboren Zoon van de Vader: ‘naar de Geest van de heiligheid verklaard Gods Zoon te zijn’ (Rom.1:4). Hierdoor is Hij uniek als mens. De Heer mag Zich terecht Zoon van God noemen. Twee maal heeft God zelf dit bevestigd door uit de hemel te spreken: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar Hem’ (Matth.3:17; 17:5).

De Geest van het zoonschap

Wie een zoon van God is en Hem dus als Vader heeft, ontvangt diens Geest. Dat is een belangrijk kenmerk. Het vormt een essentieel onderdeel van het zoonschap. Zeker in praktische zin heeft het zoonschap geen enkel gevolg voor een zoon van God, als deze niet in Gods Geest is gedoopt. Paulus schrijft: ’Als iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe’ (Rom.8:9). Jezus is de eerste zoon die deze Geest ontvangt (Joh.1:32). God is door middel van zijn Geest in zijn Zoon en zonen (Joh.14:11, 23). Zo kan Hij leiding aan hun leven geven om het volledig te doen ontplooien tot geestelijke volwassenheid. ‘Allen die door de Geest van God geleid worden, zijn zonen van God’ (Rom.8:14). Daarom wordt zijn Geest ook wel de Geest van het zoonschap genoemd (Rom.8:15). Jezus werd door die Geest geleid. Hierdoor is zijn ‘Zoon van God zijn’ in praktische zin concreet geworden. Dit reikt verder en dieper dan alleen het door God verwekt zijn. Het zoonschap van de Heer wordt juist reëler doordat ‘de Vader in Mij is’ (Joh.14:11a). Paulus verwoordt dit met: ‘Want in Hem heeft heel de volheid willen wonen’ (Col.1:19) en met: ‘Want in Christus woont lijfelijk de godheid in heel haar volheid’ (Col.2:9). Hierdoor kon de Heer de volledige uitdrukking van de onzienlijke God zijn.

In heel zijn denken, spreken, gedragen handelen was (is) de mens Jezus als (= deel hebben aan), zal zèlf – als mens – ook zo worden. Jezus was de eerste waarbij dit verwerkelijkt werd. Hij getuigt in Johannes 10:30: ‘De Vader en Ik zijn één’. Hij is en blijft dezelfde (Hebr.8). Enkel goed, heilig, liefde, leven en waarheid, net als de Vader. Dit is één van de redenen waardoor de Zoon de juiste weergave van Gods wezen is (Col.1:15a), maar niet dat Hij hierdoor God zou zijn. Ook is het ‘één zijn’ met de Vader een situatie waarin de Jezus een volledige eenheid met Hem vormt. Dit is ontwikkeld door een totale en eeuwige gemeenschap met God, door het’ in’ God zijn en blijven. De bedoeling is dat Hij hierin niet de enige blijft, maar veel zonen tot diezelfde heerlijkheid kan brengen (Hebr.2:10; Joh.17:21). Als die doelstelling is bereikt, kunnen de zonen van God op hun beurt getuigen dat zij één zijn, zoals de Vader en de Zoon, maar niet dat zij dan God zijn. Wel zijn zij hierdoor een juiste weergave van het beeld van de Zoon (Rom.8:29). Jezus’ hartenwens in zijn hogepriesterlijk gebed zal dan heerlijk verhoord zijn.

Broers

Wanneer wij allen samen komen tot de eenheid in het geloof en de kennis van Gods Zoon, tot de volmaakte man, tot de gehele omvang van de volkomenheid van Christus, in velen is gerealiseerd (Ef.4:13), wordt het woord werkelijkheid dat Jezus de eerstgeborene is onder veel ‘broers’  (Rom.8:29). Dit woord komt terug in Hebreeën 2:11: ‘Want Hij die heiligt, en zij die geheiligd worden, zijn allen uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen broers te noemen.’ God noemt de mens nooit zijn broers. Zowel Jezus als wij zijn uit God: mens en kind van God. Wij moeten echter nog geheiligd worden, dat is afgezonderd van het kwaad, hersteld en opgevoed. Hij was vanaf zijn geboorte door de Vader volmaakt geheiligd en zondigde nooit (Joh.10:36a; Hebr.4:15). Wel heeft Jezus op dezelfde manier als wij in deze wereld verkeerd. De satan heeft Hem zelfs in àlles beproefd. Hij kreeg geen voorkeursbehandeling van God, maar ging volledig door al het lijden heen (Hebr.5:7). Hierdoor is Hij in alle opzichten gelijk geworden aan ons, zijn broers (Hebr.2:17). Wij bevinden ons immers in een situatie waarin de satan  ons verzoekt en beproeft, zodat lijden en strijd ons deel zijn. Deze teksten leren dus niet dat Jezus in zijn zogenaamde hoedanigheid van God tijdelijk mens werd, en daardoor leider van hun redding (Hebr.2:10). Hij werd een barmhartig en trouw hogepriester, die door persoonlijke ervaring alle begrip en bekwaamheid heeft om ons, die nog verzocht worden, te hulp te komen (Hebr.2:18). Hij kent, als mens, het leven in het vlees (= het tijdelijk aardse bestaan) door en door. Niets komt Hem vreemd voor. Vandaar zijn liefdevolle uitnodiging om vrijmoedig tot zijn troon van genade te komen om hulp te verkrijgen (Hebr.4:16). Onze broederschap met de Heer zal echter niet onderhouden mogen worden op basis van gelijkheid, zo van ‘ouwe jongens krentenbrood’. Hij is en blijft immers de eniggeboren Zoon van God, het Lam van God, de Christus, de Hogepriester, de hoogste Leider, de Koning van de koningen en de Heer van de Heren. Zoals er over de omgang met onze hemelse Vader staat geschreven, zo ook over de Zoon: met eerbied en ontzag (Hebr.12:28).

Heilige Geest – De Geest van God Zelf

Bij een verhandeling over de Drie-eenheid-’leer’ hoort uiteraard ook een betoog over de Heilige Geest. Aangezien deze artikelen echter over Jezus Christus handelt, beperken we ons slechts tot het volgende. Als men ervan uitgaat dat de Heilige Geest een aparte, derde persoon van de godheid zou zijn, dan valt het op dat er in de Bijbel nergens wordt vermeld dat Jezus een zoon van de Heilige Geest is. Dat zou toch logisch zijn naar de woorden van Gabriel aan Maria in Lucas 1:35: ‘De Heilige Geest zal over u komen.’ Deze engel weet echter wel beter. Hij vervolgt namelijk zijn woorden met ‘de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom zal het heilige dat verwekt wordt, Gods Zoon genoemd worden.’ God werkt door Heilige Geest, dat is zijn eigen Geest.

Teksten

Er resten ons tenslotte nog enkele teksten die nog niet eerder genoemd zijn, maar die zeker om een korte toelichting vragen. Ter afronding van de bespreking over de drie-eenheid volgen deze hieronder:

  • ‘door de gerechtigheid van onze God en Heiland, Jezus Christus’ (2 Petr.1:1).
  • ‘verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus’ (Titus 2:13).

In beide teksten zijn ‘God’ en ‘Heiland’ twee afzonderlijke personen en niet dezelfde. In de tweede tekst staat zelfs: de grote God en onze Heiland (St.Vert.) .

  • ‘maar van de Zoon: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid’ (Hebr.1:8).

Deze tekst is een citaat van Psalm 45:7. Het ‘o God’ is een toevoeging met de betekenis van ‘naar Gods wil’. De vertaling Gerhard luidt: Uw troon, van Godswege verkregen.

  • ‘Daarom heeft U, o God, uw God met vreugdeolie gezalfd boven uw deelgenoten’ (Hebr.1:9).

Weer een citaat van Psalm 45, namelijk vers 8. Het onderwerp is God. De zin is dus: daarom heeft God – uw God – U gezalfd.

  • ‘Uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid’ (Rom.9:5)!

De Leidse vertaling luidt: en van wie zoveel het vlees betreft de Christus afstamt. God, die boven alles staat, is in eeuwigheid te prijzen!

  • ‘en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst’ (Jes.9:5).

Eerder schreven we al dat de begrippen vader-zoon elkaar uitsluiten. In deze uitspraak ligt het accent op ‘men noemt Hem’. Hier wordt gesproken over Jezus’ positie en functies als komende Christus. Martin Buber vertaalde uit de grondtekst heel duidelijk en mooi: Raadsman van (= namens) de Held-God, Vader van de overwinnaars, Vorst van de vrede. De Septuaginta spreekt over: de wonderbare boodschapper van grote Raad.

  • ‘Thomas zei tot Hem: Mijn Heer en mijn God’ (Joh.20:28).

De Bijbel geeft hier geen enkele aanwijzing hoe deze uitroep van Thomas gelezen dient te worden. Hij kan met ‘Heer’ zijn Meester bedoelen en met ‘God’ zijn hemelse Vader. Of erkent deze leerling Jezus tot een God voor zich, naar analogie van Aäron ten opzichte van Mozes? In ieder geval zal hij in deze voor hem zeer emotionele situatie niet gedacht hebben aan het lanceren van een dogmatisch stelling aangaande de Drie-eenheid-’leer’ die uit de overige schriften onjuist blijkt te zijn.

  • ‘Want, terwijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding van de doden door een mens’ (1 Cor.15:21).

Door de mens (Adam) is de duisternis de wereld binnengekomen. Door de mens (Jezus Christus) is echter het licht teruggebracht.

Slot

In een andere serie wordt de ‘leer’ van de Pre-existentie behandeld. Het belang van een juist inzicht in beide leerstellingen is al aangegeven. Het gaat hierbij niet om de letter op zich, maar om een scherp inzicht te ontwikkelen over de plaats van de mens in het plan van God. Voor de komende tijden is dat van grote betekenis en waarde voor de gelovigen. Zeker op dit punt probeert de vijand zand in de ogen van Gods volk te strooien. Ons gebed zal echter zijn, dat God ons allen verlichte ogen van het hart zal schenken. Dan zullen wij weten welke hoop zijn roeping wekt en hoe rijk de heerlijkheid van zijn erfenis is voor de zijnen!