
Volgens de Bedelingenleer heeft God twee verschillende groepen waardoor hij werkt: Het niet bekeerde Israël én de gemeente van Jezus Christus. Voor elk van de twee groepen heeft de god van de bedelingenleer een apart plan. Israël is een aards volk met aardse beloften. De gemeente van Jezus Christus vertegenwoordigt een hemels volk met geestelijke beloften. De plaats van de gemeente is de hemel. De plaats van Israël is de aarde. De gemeente wordt gered door geloof in het volbrachte werk van Golgotha en Israël in laatste instantie door gehoorzaamheid aan wetten en voorschriften.
De Bedelingenleer (Tijdperkenknippers) toveren een ander evangelie uit de Amerikaanse grabbelton
Volgens de slechts 2 eeuwen oude Tijdperkenleer, kwam Jezus niet om te sterven aan het kruis, maar om Israël een aards koninkrijk aan te bieden. Toen de Joden Hem verwierpen, werd de komst van het koninkrijk volgens deze leer, uitgesteld. Bij zijn terugkomst zal de Heer echter volgens de bedelingenleer, het wél lukken dit vrederijk voor Israël in te luiden. De Bedelingenleer gaat dus van twee veronderstellingen over het ‘Koninkrijk’ uit:
- Het Koninkrijk van de hemelen: dit is een Messiaans, aards, Davidisch koninkrijk, waarin Jezus op aarde regeert.
- Het Koninkrijk van God. Dit is een koninkrijk van geheel andere aard. Het is geestelijk in deze wereld aanwezig. Zij vertegenwoordigt de gemeente die plotseling wordt opgenomen.
We komen hiermee tot de kern van de zaak. Als het Koninkrijk van de hemelen en het Koninkrijk van God synoniemen zijn voor eenzelfde zaak, houdt dit in dat het Davidische koninkrijk al is opgericht! Enkele teksten waarin één van beide begrippen wordt gebruikt:
- ‘En van de dagen van Johannes de Doper af tot nu toe wordt het Koninkrijk van de hemelen geweld aangedaan en geweldenaars grijpen het’ (Mattheüs 11:12).
- De parallel tekst in Lucas 16:16 zegt: ‘De wet en de profeten gaan tot Johannes; sinds die tijd wordt het evangelie gebracht van het Koninkrijk van God en ieder dringt zich erin’.
Het begrip ‘Koninkrijk van de hemelen’ en ‘Koninkrijk van God’ worden hier als synoniemen gebruikt. Nog meer teksten:
- ‘Ga en zeg: Het Koninkrijk van de hemelen is dichtbij gekomen’ (Mattheüs 10:7). ‘En Hij zond hen uit om het Koninkrijk van God te brengen en te genezen’ (Lucas 9:2). Synoniemen!
Een ander tweetal:
- ‘Van toen af aan begon Jezus te zeggen: Bekeer u, want het Koninkrijk van de hemelen is dichtbij gekomen’ (Mattheüs 4:17).
- ‘En nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea om het evangelie van God te brengen en Hij zei: De tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is dichtbij gekomen. Bekeer u en geloof het evangelie’ (Marcus 1:14,15).
Verder wordt in één enkele tekst zowel de ene als de andere uitdrukking gebruikt:
- ‘Zeker, Ik zeg u, een rijke zal moeilijk het Koninkrijk van de hemelen binnengaan. Opnieuw zeg Ik u, het is gemakkelijker dat een kameel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat’ (Mattheüs 19:23,24).
Het Koninkrijk van de hemelen is het ruimere begrip van de geestelijke wereld met haar lichte en duistere kant, terwijl het Koninkrijk van God alleen op de goede geestelijke wereld ziet. Eén ding zal duidelijk zijn: God kent in zijn verlossingsplan niet twee afzonderlijke Koninkrijken. Er is maar één Koninkrijk. En dat is al opgericht. Het is opgericht bij de komst van onze Heer en wordt steeds groter door de kracht van Gods Geest.
Heeft Jezus Christus gefaald?
Volgens de tijdperkenknippers wél. Haar toekomstverwachting is namelijk dat de rol van de gemeente in feite is uitgespeeld. Volgens de tijdperkenleer moest God plan B inzetten. Plan A had gefaald. De eerstvolgende gebeurtenis in Gods ‘programma’ zou de opname van de gemeente zijn, waarbij de Heer zijn kinderen ‘veilig thuis haalt’. Wanneer dezen dan naar hogere regionen zijn verhuisd, zou de Heer een ánder volk inschakelen dat hij nog als Back Up achter de hand heeft om zijn plannen tot een goed eind te brengen. De plotseling uit het niets bekeerde Joden (die dan in de grote verdrukking leven) zullen het evangelie met zo’n elan brengen, dat alle zending- en evangelisatieactiviteiten in het ‘tijdperk van de gemeente’ daarbij verbleken. Let wel, zónder Gods Geest want Deze is dan mét de gemeente van Jezus christus, ook van de aarde weggenomen (Op.15:8)!
Wat zijn de achtergronden van deze uitzichtloze opvattingen?
De bewust verdraaide 70 jaarweken uit het boek Daniël! Een aardse uitleg zonder geestelijk inzicht.
De leer van de Tijdperkenknippers verdeelt de Bijbel dus in verschillende evangeliën, twee verschillende koninkrijken en twee verschillende volken van God. Gods plan zou over twee schijven lopen: die van de gemeente en die van zijn aardse uitverkoren volk, de Joden. Nu willen we echter (nogmaals) laten zien dat God maar één enkel plan heeft met deze wereld en dit plan ook door één enkel instrument uit zal voeren: Jezus Christus en zijn gemeente! Uiteraard is dit uitgangspunt bepalend voor onze kijk op de toekomstige dingen.
Een verborgen evangelie van Paulus?
Volgens de Bedelingenleer is de gemeente een ‘geheimenis’ dat voor het eerst door de apostel Paulus werd ontdekt. Een ‘verborgenheid’, die hij verwerkt in wat hij ‘mijn evangelie’ noemt. Volgens de Bedelingenleer wordt er in het hele Oude Testament geen enkele melding van de gemeente gemaakt. Men spreekt over ‘bergtoppen’ in de profetie. De profeten zouden hebben geprofeteerd over de eerste én de tweede komst van de Heer. Het ‘dal’ dat tussen deze twee bergtoppen verborgen was, konden zij niet zien. En dat ‘dal’ vertegenwoordigt de gemeente.
- De Bedelingenleer zegt: de gemeente is een parenthese, een tussenvoeging in Gods oorspronkelijke plan. Gods plan met de gemeente is tijdelijk. De verbroken draad met Israël neemt Hij zo snel mogelijk weer op.
- De Bijbel zegt: de gemeente is het enige, het ware lichaam van Christus en de ‘volheid van God’, dus het enige lichaam waarin God zich volkomen openbaart:
- ‘De gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt’ (Efeze 1:22,23).
- De Bedelingenleer zegt: de gemeente wordt in het Oude Testament zelfs niet genoemd.
- De Bijbel zegt: de gemeente wordt in het Oude Testament al op één van de eerste bladzijden genoemd (Genesis 2:24):
- ‘Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten en die twee zullen tot één vlees zijn. Dit geheim is groot, maar ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente’ (Efeze 5:31,32).
- De Bedelingenleer zegt: Israël en de gemeente zijn twee afzonderlijke lichamen en zij zullen dit altijd blijven.
- De Bijbel zegt: God nam twee ‘mensen’: het gelovige overblijfsel uit Israël én de gelovige heidenen. Hij vormde ze tot ‘één mens’. Nu zijn er geen twee lichamen meer, maar één:
- ‘Want hij is onze vrede, hij die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt, de muur van vijandschap ertussen heeft afgebroken en de wet met zijn geboden en voorschriften buiten werking heeft gesteld, om uit die twee in zichzelf één nieuwe mens te scheppen. Zo bracht hij vrede en verzoende hij door het kruis beide in één lichaam met God, door in zijn lichaam de vijandschap te doden’ (Efeze 2:14-16).
- De Bedelingenleer zegt: het nationale Israël zal Gods plan verwezenlijken tijdens het toekomstige millennium.
- De Bijbel zegt: Gods plannen worden door de gemeente uitgevoerd. Deze wordt de ‘volheid van God’ genoemd (Efeze 1:23) en zij is onderdeel van het eeuwige plan van God, dat in Christus wordt gerealiseerd:
- ’Zo zal nu door de gemeente de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend worden aan alle vorsten en heersers in de hemelse gewesten, naar het eeuwenoude plan dat hij heeft verwezenlijkt in Christus Jezus, onze Heer’ (Efeze 3:10,11).
De werkelijkheid

- Abrahams’ zaad is Jezus Christus en allen die na hun bekering én gelegd Bijbels Fundament, ín Hem zijn.
- Israël is de schaduw, de gemeente is de werkelijkheid.
- Niet door Abraham, maar door Abrahams záád, Christus, wordt men rechtvaardig.
- Niet de gemeente, maar Israël had een tijdelijke rol in Gods plan.
- Israël werd door God gekozen als een tijdelijk kanaal waardoor zijn zegen kon stromen. Vandaag worden christenen in het land Israël in de gevangenis gezet.
- Niet de gemeente, maar Israël was de ‘parenthese’. In het Oude Testament wordt dat al aangeduid: ‘In Juda’ s handen zal de scepter blijven, tussen zijn voeten de heersersstaf, totdat Hij (Jezus Christus) komt die er recht op heeft’ (Genesis 49:10).
- Jezus zei n.a.v. de wonderen die Hij tijdens zijn leven op aarde deed: ‘Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd mijn dag te zien en hij heeft die gezien en was blij’ (Johannes 8:56). Silo kwam 2.000 jaar geleden en nam de heersersstaf van het nationale Israël over om zijn Koninkrijk in de harten van de mensen op te richten.
- Hoewel Israël aan wet en besnijdenis vasthield, veroordeelde Jezus het voortbestaan van deze verordeningen (Rom.6:14; 7:4; 10:4; Gal.3:23-26; 4:9-11). Jezus vervulde de wet.
- De gelovige Joden worden ingevoegd in de christelijke gemeente (Rom.11:5). Dit was de vervulling van wat altijd al het eeuwige plan van God was geweest (Verg. Genesis 12:3; 22:19; Gal.3:7-9,14,16,27-29; Efeze 3:4-6).
Oudtestamentische begrippen kregen nieuwe glans. De Bijbel geeft een geestelijke definitie van het begrip:
- ‘Jood’ (Rom.2:28,29),
- Israël (Rom.9:6; Gal.6:16),
- Jeruzalem (Gal.4:26),
- Zaad van Abraham (Gal.3:29),
- Sion (1 Petr.2:6; Hebr.12:22; Rom.9:33),
- Stammen van Jacob (Jac.1:1; Hand.26:7).
Onvoorwaardelijke en eeuwige beloften?
De Bedelingenleer negeert schaamteloos wat het Nieuwe Testament uitdrukkelijk over Gods plannen door middel van de gemeente zegt. Men zegt dan:
- ‘God heeft speciale, eeuwigdurende beloften aan Israël gegeven, die aan geen enkele voorwaarde gebonden waren. Die beloften moeten dus nog steeds van kracht zijn en op een gegeven moment moét de Heer de draad met het volk Israël wel weer opnemen…’
Het gaat hier om meer dan een afleiding; nergens in de Bijbel wordt dit uitdrukkelijk zo gesteld. Hoe aannemelijk de conclusies van deze uitspraak ook mag klinken, het is altijd nog de vraag of de uitgangspunten(?) wel acceptabel zijn!
De wet IS vervuld

In welke zin heeft God aan Israël ‘eeuwigdurende beloften’ gegeven en zijn ze werkelijk aan geen enkele voorwaarde gebonden? Wat het ‘eeuwigdurende’ van Gods beloften aan Israël betreft, dit geldt in zeer beperkte zin: zolang Gods verbond met Israël van kracht was, zouden ook de beloften van dit verbond bindend zijn. Zo stelt het Oude Testament bijvoorbeeld herhaaldelijk dat de ‘wetten en voorschriften’ ‘eeuwigdurende instellingen’ zouden zijn. Paulus wijst er in 2 Cor.3 echter op, dat die wetten in Christus hebben afgedaan. Een tegenstelling? Helemaal niet, de ‘eeuwigdurende’ wetten waren zolang van kracht, alsook het verbond van kracht was. In 2 Kronieken 7:16 wordt over de tempel gezegd: ‘Nu heb ik dit huis verkoren en geheiligd, zodat mijn naam daar is tot in eeuwigheid’. Jezus echter getuigde:
- ‘Het uur komt, dat u noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden’ (Joh.4:21).
Enkele jaren later werd de tempel verwoest. Brak God zijn belofte? Nee! Het ‘tot in eeuwigheid’ had slechts betrekking op de tijd dat de tempel in Gods plan een rol zou spelen. In Exodus 40:15 en Numeri 25:13 wordt het priesterschap een ‘eeuwig priesterschap’ genoemd. De Hebreeënbrief maakt echter duidelijk dat aan dit oudtestamentische priesterschap een eind gekomen is.
Hoe kan dat?
De belofte over een ‘eeuwig priesterschap’ was alleen rechtsgeldig zolang ook de wet en het verbond van kracht waren. Zo zijn er andere begrippen te noemen, waarbij de term ‘eeuwigheid’ gebruikt wordt: wet, sabbat, besnijdenis, koninkrijk, priesterschap, uitverkoren natie. Al deze begrippen zijn óf afgeschaft óf ze hebben door verschillende ontwikkelingen een nieuwe betekenis gekregen:
- ‘Breng dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt; en beeldt u niet in, dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader’ (ook niet via een uitgevonden ‘verbondsleer’ van de kerken) (Matth.3:8,9).
Wat het onvoorwaardelijke karakter van Gods beloften aan Israël betreft, merken we op dat ze gebaseerd waren op het verbond: een verbond van God met zijn volk, tussen twee partijen dus. En zoals bij élk verbond is van beide kanten sprake van verplichtingen en rechten. Het is vanuit dit principe dat het Nieuwe Testament het verbond met Israël benaderd wordt. Het probleem van het Joodse volk was juist, dat ze het verbond als een vrijbrief voor hun zorgeloze levenshouding zagen. Een man als Johannes de Doper ging daar lijnrecht tegenin:
- ‘Breng dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt; en beeldt u niet in, dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader’ (Mattheüs 3:8,9).
- Jezus sprak vanuit hetzelfde principe: ‘Als jullie kinderen van Abraham zijn, doe dan de werken van Abraham; maar nu proberen jullie Mij te doden, dit deed Abraham niet. Jullie doen de werken van uw vader, de duivel’.
- Bij het sluiten van zijn verbond met Abraham zei God: En wat u aangaat, u zult mijn verbond houden, u en uw nageslacht in hun geslachten’ (Genesis 17:9).
- De voorwaarde die hier aan het verbond verbonden werd, was de besnijdenis. Ongehoorzaamheid aan de voorwaarde verbrak het verbond en maakte de belofte ongeldig: ‘En de onbesnedene, de man namelijk, die het vlees van zijn voorhuid niet laat besnijden, die mens zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten: hij heeft mijn verbond verbroken’ (Genesis 17:14).
Een van de meest voor de hand liggende principes bij het uitleggen van de Woorden van God is dat ‘Schrift met schrift’ vergeleken moet worden. Op sommige Bijbelplaatsen worden zeker beloften genoemd, zonder dat de voorwaarden worden vermeld. Die condities kunnen doorgaans echter op andere plaatsen worden gevonden. Het is duidelijk dat de Heer nergens verplicht is op een toekomstig tijdstip de draad met Israël weer op te pakken om dan ergens met een geheime back-up dit volk te ontplooien. Israëls deelname in Gods enige plan is duidelijk aan condities verbonden. Paulus stelt in dit verband:
- ‘Maar ook zij zullen, wanneer (conditie!) zij niet bij hun ongeloof blijven, weer geënt worden’ in de oorspronkelijke olijfboom van waaruit de ongelovige Joden werden weggebroken (Rom.11:23).
Conclusie
De Bedelingenleer kon ontstaan omdat Rome en de bijbelgordels geen enkel leven kunnen verwekken. Omdat een goed Bijbels fundament toen (en vandaag nog steeds) nergens meer te vinden was, zag satan een nieuwe kans. In een omgeving van dode botten vindt hij nog steeds mensen die verlangen naar meer, maar zij bouwen echter op wat er letterlijk in de Bijbel staat in plaats van te verstaan wat ze lezen (1 Petr.1:10-12). De uitkomst hiervan is verschrikkelijk. Voor de overgrote meerderheid van het christendom is de geestelijke wereld achter een kluisdeur verstopt en de sleutel is weggegooid. Deze leer werkt als een kankergezwel door en heeft inmiddels miljoenen christenen vergiftigd. Nooit bekeerde naamchristenen zien niet dat deze satanische leer de geestelijke wereld op het nachtslot zet. De lamme kan de blinde wel leiden, maar uiteindelijk vallen ze beide in de put, of zoals Johannes het opschreef:
- ‘En de sterren van de hemel vielen op de aarde, zoals een vijgenboom zijn onrijpe vijgen afwerpt als hij door een harde wind wordt geschud’ (Op.6:13).
Alléén de eerste 3 hoofdstukken uit de Openbaring lezen…
Het boek Openbaring is door de tijdperkenknippers na hoofdstuk 3, ooit ergens voor de Joden op aarde bestemd. Zij hebben hiermee de belangrijkste hoofdstukken uit dit troostboek bij uitstek, afgesloten. Inmiddels begrijpt vrijwel niemand dit boek meer en we spreken uit decennia ’s ervaring. Zoals we in een ander artikel al schreven:
- Het heeft geen zin voor de brenger van de Woorden van God om de aanhangers van de bedelingenexperts te overtuigen, want deze mannen of vrouwen willen niet horen.
Wat is nu onze werkelijke toekomst? Het antwoord is: God heeft maar één plan met één verlossingsinstrument waarover hij in deze wereld beschikt: Jezus Christus en zijn gemeente, bij elkaar gebracht uit Joden én heidenen. Op het openbaar worden van deze gemeente wacht de schepping:
- ‘zodat ze bevrijd zal worden uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt’ (Rom.8:21).
Dit is het rijke perspectief dat de nieuwtestamentische visie op de toekomende dingen ons te bieden heeft!
Gerelateerd:
Paulus genezen van het Judaïsme >>>>>



