De Bedelingenleer ontmaskerd

De oorsprong van de Bedelingenleer en haar duistere abracadabra

We willen in dit artikel de Bedelingenleer (of Dispensationalisme / Tijdperkenknippers) bekijken omdat deze leer het denken van miljoenen christenen heeft betoverd. Deze leer interpreteert veel Bijbelteksten over de laatste dingen (bepaalde facetten van de profetische woorden over de eindtijd) op geheel eigen wijze. Men werkt met allerlei axioma’s en voor-veronderstellingen die in ruime mate worden gehanteerd.

Een aardse visie

Het valt op dat vrijwel alle Oudtestamentische profetieën – volgens deze tijdperkenknippers – vandaag alleen op aarde gebeuren, waardoor de hemelse gewesten automatisch zijn uitgeschakeld. Een nadere studie van deze ‘bijbeluitleg’ is dus zeker nodig. Voor nieuwe gedachten staat men niet meer open, omdat het denken wordt beheerst door uitgangspunten die als onweerlegbaar worden beschouwd. Maar waarom gelooft men toch zo vast in deze ‘onweerlegbare’ standpunten en waar is Jezus Christus met zijn gemeente gebleven? Daar wordt nergens over gesproken. 

De Bedelingenleer zoals wij die vandaag kennen, vond haar oorsprong in Engeland rond het jaar 1830. Aangezien de publicaties, die deze leer uitdragen, hoofdzakelijk uit de stad Plymouth kwamen, werden de aanhangers ervan ‘Plymouth Brethern’ genoemd. De man die niet direct als stichter, maar wel als dé grote leider moet worden aangeduid, is John Nelson Darby.

John Nelson Darby

Grote bekendheid werd aan de leer van de ‘broeders’ gegeven door de zogenaamde Scofield Reference Bible. Een door Cyrus Ingerson Scofield van kanttekeningen voorziene Bijbeluitgave, die de ideeën van Darby zouden moeten bevestigen. Sinds de eerste uitgave in 1909 zijn er meer dan 2 miljoen exemplaren van deze ‘bijbel’ verkocht.

Cyrus Ingerson Scofield

Op het Amerikaanse continent was er een andere prominente figuur, W.E. Blackstone, die het bekende boek schreef ‘Jesus is coming’, in ons land gepubliceerd onder de titel ‘Jezus komt’.

W.E. Blackstone

Honderdduizenden exemplaren van dit boek uit 1878 werden aan het begin van de vorige eeuw gratis verzonden aan christenen van allerlei richtingen. En het moet gezegd worden dat deze ‘lectuuractie’ haar doel niet heeft gemist: het denken van ontelbare gelovigen werd er generaties lang door gevormd. Dit kon ook niet anders, want de dode botten van Rome en de rampzalige belijdenisgeschriften kunnen nog steeds geen enkel geestelijk leven verwekken.

Johannes de Heer op zijn harmonium

In ons land werd de Bedelingenleer voornamelijk gepropageerd door de ‘vergadering van gelovigen’ en – vooral wat de eindtijdaspecten van die leer betreft – door de zogenaamde ‘Maranathabeweging’, destijds onder leiding van Johannes de Heer.

Geen kennis van de geestelijke wereld

Om de opkomst van deze leer te begrijpen, is het goed een beeld te hebben van de tijd waarin dit gebeurde. Aan het begin van de 19e eeuw werd de geestelijke situatie in Engeland gekenmerkt door een volledig ontbreken van kennis over de terugkomst van Christus. Ze werd zelfs belachelijk gemaakt. Modernisme was ‘in’. Lauwheid en wereldgelijkvormigheid hadden de kerken volledig gedemoniseerd. Op de kansels stonden beroepspredikanten. De schapen waren zonder herder en de gelovigen waren geestelijk ondervoed (Op.6:5,6). Dit nu was het klimaat waarin de Bedelingenleer geboren werd. Het is niet verwonderlijk dat onder dergelijke omstandigheden ook allerlei andere dwalingen ontstonden en een voedingsbodem vonden.

Conferentie Mormonen 

In de tijd van Darby begonnen ook de Mormonen – vanuit Amerika – de wereld met hun ideeën op te schrikken. Joseph Smith publiceerde in 1830 het boek Mormon in hetzelfde jaar, dat beschouwd wordt als het jaar waarin Darby onder de ‘broeders’ de leiding in handen nam.

De adventist William Miller: ‘De wereld vergaat (alweer); dit keer in 1843

In 1831 begon ook William Miller, de vader van het adventisme, zijn ‘vondsten’ aan de man te brengen. Miller stelde 1843 als het jaar van het einde van de wereld. Veel volgelingen van hem verkochten hun bezittingen om de terugkomst van de Heer af te wachten. Uit dezelfde tijd stammen de eerste publicaties van de sekte die later als ‘Jehova’s getuigen’ bekend zou worden.

Jehova’s getuigen: ‘de wereld vergaat!’

Om de Bedelingenleer beter te kunnen begrijpen, moet men de man, die er de bekendste exponent van werd, leren kennen. John Nelson Darby werd in het jaar 1800 geboren in Ierland. Hij stierf in 1882. Zijn studie deed hij aan het Westminster en Trinity- (Drie-eenheid) College. Tot zijn overgang naar de ‘broeders’ was hij advocaat. Rond 1825 begonnen, overal in Europa, groepen zich los te maken van de gevestigde kerken. De leiders van deze bewegingen beschouwden ‘de pen machtiger als het zwaard’ en gaven grote hoeveelheden lectuur uit over hun specifieke leerstellingen.

Een van deze groepen beschikte over een uitgeverij in Plymouth. Aangezien de leden over hun gemeente als over ‘de broeders’ spraken, lag het voor de hand dat de nieuwe groep al spoedig de ‘Plymouth Brethern’ werd genoemd. Darby was niet de stichter van deze beweging. Hij werd echter wel haar belangrijkste leider. Rond 1830 had hij volledige controle over deze beweging en kon hij haar leerstellingen definitief vorm geven. Zijn leiderschap werd echter betwist. De vele vijanden die hij had, bewijzen dit. Velen probeerden hun nieuwe leider te ‘wippen’. Tevergeefs. Stuk voor stuk werden ze gedwongen voor Darby te buigen of het veld te ruimen. Darby’s biografen schilderen hem als een man met verschillende handicaps, een misvormd gezicht, kreupel. Een man echter ook met kwaliteiten als een scherpzinnig denkvermogen, organisatietalent en uithoudingsvermogen.

Open oecumenische beweging

Toen de ‘broeders’ zich organiseerden, hadden zij twee doelstellingen op het oog. Ze wilden een open, oecumenische beweging te zijn. En verder wilden ze afrekenen met de officiële ‘geestelijkheid’ en alles wat op organisatie wees in de plaatselijke gemeente. Ze waren tegen muziek en tegen elke vorm van liturgie in hun samenkomsten. In 1845 keerde Darby van een langdurig verblijf in Zwitserland naar Plymouth terug. Al snel kreeg hij een meningsverschil met Mr. Newton, zijn vervanger tijdens zijn afwezigheid. Dat liep uit op een complete oorlog. De meerderheid van de gemeente bleek Newton te steunen. Darby verliet dus de ‘vergadering’, 65 volgelingen meenemend. In dezelfde stad Plymouth stichtte hij zijn eigen gemeente, die nu als ‘de enige afbeelding van de gemeente van Christus’ in die plaats werd beschouwd.

Evangelist Dwight Moody

Zijn leven lang was Darby een individualist. Tijdens een publiek debat met de bekende evangelist Moody, sloot hij geërgerd zijn Bijbel en weigerde verdere discussie.

George Müller – Vader van weeskinderen – 27 September 1805-10 Maart 1898

Hij stootte ook George Müller, de vader van de weeskinderen in Bristol uit, omdat deze leden aangenomen had waar Darby iets tegen had. Tot zijn dood bleef Darby deze George Müller fel bestrijden.

John Darby en de ‘broeders’ hebben de geestelijke wantoestanden in de kerken van die dagen aan de kaak gesteld. Door het geestelijke verval van zijn tijd lukte het Darby zijn tijdperkenleer door te voeren. Darby en zijn volgelingen waren erg ijverig in het bestuderen van de Bijbel, maar bij het gebrek aan een goed gelegd fundament, lazen ze wel wat er stond, maar verstonden niet wat er staat. Die ijver, gecombineerd met Darby’s systematische, in de rechtskunde getrainde, geest, stelden hem in staat mensen met zijn ideologieën te beïnvloeden. 

Darby en zijn leer zouden echter niet zo’n geweldige indruk gemaakt hebben, zonder zijn meest toegewijde volgeling, Scofield Cyrus Ingerson. Scofield leefde van 1843 tot 1921. Hij werd geboren in Michigan in de V.S. Na de burgeroorlog begon hij aan een studie in de rechten. Ook ging hij in de politiek. In deze jaren was hij een zware drinker. Scofield kwam echter in 1879 tot bekering en werd drie jaar later tot geestelijke gewijd. De kracht van Scofield’s werk ligt in het feit, dat hij de theorieën, die hij van Darby overnam, niet in een afzonderlijk boek verzamelde, maar ze als ‘kanttekeningen’ naast de Bijbelteksten plaatste. De waarschuwing van de Heer dat hij bij het afnemen of toevoegen van Zijn Woorden de daarbij behorende plagen zou ontvangen, wist Scofield zo listig te ontwijken  (Op.22:18,19).

Openbaring na hoofdstuk 3: Jezus Christus met zijn gemeente bij het grof vuil gezet

Veel erger is het dat hij van het boek De Openbaring van Johannes, de hoofdstukken ná Openbaring 3 niet van belang vond voor de gemeente van Jezus Christus. Zie de reden hiervoor verder uitgewerkt in Scofield’s verzonnen (inmiddels heilig verklaarde) 70 jaarweken-theorie met zijn verschillende tijdperken en veel soorten evangeliën.

Strijden of deserteren?

Volgens Scofield is de rest van het boek Openbaring alleen voor de Joden bestemd, terwijl de gemeente dan al is opgenomen vóór de grote verdrukking en gerieflijk vanaf een wolkje toekijkt hoe 2/3e van de Joden op aarde wordt vermoord en de rest nog gelouterd wordt in het vuur. Scofield’s kanttekeningen gaven zijn ideeën ongewild een gezag waar ze geen recht op hadden. Het bewijs ligt voor de hand: Hoewel Darby heel goed kon schrijven, worden zijn werken praktisch niet meer gelezen. Het is Scofield en zijn ‘bijbel’ die in veel kringen in de Angelsaksische landen als dè autoriteit m.b.t. de Bedelingenleer wordt beschouwd. Darby werd praktisch vergeten. De ‘bijbel’ van Scofield echter werd enkele jaren geleden aan een revisie onderworpen en is in veel kringen nog steeds ‘hot’.

De pinksterbeweging heeft vanaf het prilste begin rond 1900, zich gekenmerkt door een groot accent op de geloofsbeleving te leggen. De geloofsleer is bij Pinksteren altijd een beetje het stiefkind geweest. Het is dan ook geen wonder dat de pinksterbeweging in het algemeen verschillende opvattingen leert, die blijkbaar eenvoudigweg van andere groepen werden overgenomen. Zo werd de doop met Gods Geest door de meeste pinksterpioniers als een op zichzelf staand gegeven beschouwd, dat men zondermeer tussen allerlei andere opvattingen in zou kunnen passen.

Nu brengt niet elke nieuwe stellingname ook per definitie een duidelijker inzicht in de bedoelingen van de Heer; niet alle oude inzichten zijn zonder meer verwerpelijk te noemen. Toch zal men zich wel degelijk moeten bedenken, wanneer men als pinkstergelovige inzichten overneemt, zoals de Bedelingenleer. De aanhangers van deze leer zijn juist tegenstanders van de doop met Gods Geest en de gaven van de Geest. Dit niet op grond van persoonlijke antipathie, maar juist op grond van hun leer!

Zeven verschillende voorwaarden voor ‘redding….’

De Bedelingenleer wordt zo genoemd vanwege haar stelling, dat het hele programma van God verdeeld is in zeven tijdperken/ bedelingen. Vijf daarvan zijn al geschiedenis. Volgens deze leer leven we nu in het zesde tijdperk. Het zevende tijdperk zal een aards koninkrijk zijn van duizend jaar (het millennium), volgend ná de opname van de gemeente. De Scofieldbijbel karakteriseert deze tijdperken als volgt:

  1. onschuld
  2. geweten
  3. menselijke regering
  4. belofte
  5. wet
  6. genade
  7. koninkrijk

Volgens Scofield begint met ieder van deze tijdperken een nieuwe manier waarop God de mens ‘test’ op gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, met daaraan verbonden verlossing of verlorenheid. Gehoorzaamheid aan de bestaande methode brengt Gods goedkeuring over de individuele mens of over de natie in zijn geheel, die door Hem getest wordt. De Bedelingenleer veronderstelt in feite zeven(!) verschillende wijzen, waarop een mens gered kan worden. Aanhangers van deze leer ontkennen dat uiteraard, maar het is de logische consequentie van de gedachte, dat God de mens op zeven verschillende wijzen ‘test’ op gehoorzaamheid. Scofield schrijft op pag. 1115, aant. 2 van zijn ‘bijbel’:

  • ‘De manier waarop de mens getest wordt, is niet langer gehoorzaamheid aan de wet als een conditie voor redding, maar het aanvaarden of het verwerpen van Christus.’

Deze uitspraak laat niets aan duidelijkheid te wensen over. Ze zegt dat sommigen onder de ene voorwaarde en anderen onder een andere voorwaarde worden gered. Voor hen die onder de wet zijn, geldt de ene conditie, voor die onder de genade een andere. De uitdrukking ‘niet langer’, wijst erop dat gehoorzaamheid aan de wet eens een voorwaarde voor de redding was. De Bedelingenleer concentreert zich vooral rondom de drie laatste: die van de wet, die van de genade – de tijd waarin wij leven – en die van het koninkrijk. Het reddingsplan dat God voor elk van de drie dispensaties heeft, komt er dan als volgt uit te zien:

  • De bedeling van de wet (het Oude Testament): Redding door gehoorzaamheid aan de wet (geldig tot aan het kruis).
  • De bedeling van de genade (de gemeente): Redding door genade en geloof alleen (gehoorzaamheid aan de wet voorlopig aan de kant gezet).
  • De bedeling van het koninkrijk (het duizendjarig rijk): Opnieuw gehoorzaamheid aan de wet vereist, maar dan op meer perfecte basis.

Vier evangeliën…

Uit een en ander volgt duidelijk, dat er van meer dan één evangelie sprake moet zijn. Immers, God stelt in verschillende tijdperken, verschillende condities tot redding, dus moeten er ook van verschillende ‘blijde boodschappen’ over die condities sprake zijn. Scofield trekt die consequentie. Hij noemt maar liefst vier(!) verschillende ‘evangeliën’:

  1. Het evangelie van het Koninkrijk: dit is het brengen van de blijde boodschap dat God van plan was een aards koninkrijk op te richten. Een boodschap speciaal voor de Joden. Dit koninkrijk zou van politieke, Israëlitische aard zijn; Jezus zou als de grotere zoon van David in dit rijk regeren.
  2. Het evangelie van de Genade van God: dit is het goede nieuws dat Jezus stierf, begraven werd en opstond uit de dood. Scofield zegt dat één van de belangrijkste kenmerken van dit evangelie is, dat het redt ‘zonder uiterlijke vormen of ordinanties’, daarmee implicerend dat dit niet het geval is met de andere drie evangeliën.
  3. Het eeuwig evangelie: dit zal gebracht worden door de Joden als de gemeente is opgenomen. Dit gebeurt vóór het begin van het duizendjarige rijk. Scofield zegt dat dit evangelie niet het evangelie van het koninkrijk en ook niet het evangelie van genade is. Het is het goede nieuws dat zij, die tijdens de grote verdrukking gered worden, het duizendjarige rijk mogen binnengaan.
  4. Het evangelie dat Paulus ‘mijn evangelie’ noemt. Dit is het evangelie van de genade van God, maar het is verder ontwikkeld als het evangelie dat door Christus en de andere apostelen gebracht werd. Paulus zou nieuw inzicht in het ‘geheimenis van de gemeente’ geven.

Volgens deze uitgevonden ideologie werd:

  1. Het eerste evangelie door Johannes de Doper en de Heer zelf gebracht. De Joden verwierpen echter dit evangelie van een aards Davidisch rijk dat aanstaande was. Gods plan moest worden uitgesteld…
  2. Het tweede evangelie. Bij de dood van Jezus werd een ander tijdperk ingevoegd: dat van de gemeente. Wanneer Hij merkt dat de Joden zijn plannen verwerpen zullen, stapt Jezus over op een ander evangelie: Het evangelie van de genade. Dit wordt later door de apostel Paulus overgenomen en verder uitgewerkt.
  3. Het derde evangelie: Als Paulus een ‘vollediger licht(?)’ ontvangt over de gemeente – een inzicht dat noch Jezus, noch de andere apostelen hadden(!), brengt hij een verbeterde uitgave van dat van Jezus onze Heer, hetzelfde evangelie dat we vandaag aan de dag brengen. Goed beschouwd is het evangelie dat Jezus Christus bracht, daarna bij het grof vuil gezet. Nummer drie zal alleen gebracht worden totdat de gemeente uit deze wereld is weggenomen, terwijl er toch nadrukkelijk staat dat nà de opname, de geestelijke tempel wordt gesloten en niemand er meer binnen kan gaan, dus ook dat Gods Geest niet meer op aarde zal werken (Openb.15:7,8).
  4. Het vierde evangelie: Joodse bekeerlingen zullen opnieuw het evangelie van het koninkrijk gaan brengen en dit zal het millennium inluiden. Van, door wie en uit welke geest geïnspireerd, hebben zij het evangelie gehoord? Jezus’ gemeente is immers al opgenomen?

Merk op dat waar de Heer zélf dus faalde(!?) een onbekeerde Joodse natie zonder Jezus Christus wèl succes zal hebben. Dus zelfs zonder Jezus Christus met zijn gemeente en zonder Gods Geest. En dan toch het leger van satan verslaan?

Geen ander evangelie

In dit licht blijkt dat het bij de Bedelingenleer niet alleen om onschuldige theorieën over het einde van de wereld gaat. Deze leer tast het hart van het evangelie aan. Het verwerpt de gedachte dat God sinds de zondeval maar één weg tot redding voor het hele menselijke geslacht heeft vastgesteld: geloof en vertrouwen in de verzoening en de verlossing die Hij men krijgt door Christus. Slechts enkele Bijbelse feiten:

  • Abel bracht een beter offer dan Kaïn. Niet door de wet nauwkeurig na te leven, maar door het geloof, waarmee het gepaard ging (Hebreeën 11:4).
  • Van Abraham wordt gezegd, dat hij door geloof gerechtvaardigd werd (Romeinen 4:1-25).
  • Echte nakomelingen van Abraham zijn niet zij, die gerechtigheid door de wet zoeken; maar zij die uit het geloof zijn (Romeinen 4:13-15).
  • ‘Mijn rechtvaardige zal uit (zijn) geloof leven’ is de kern van de boodschap zowel van het nieuwe als van het Oude Testament (Hebreeën 10:38; Habakuk 2:3,4).
  • De wet brengt toorn (Romeinen 4:15), zij kan niemand redden.
  • Dat bewustzijn leefde zelfs onder de Joden: ‘Wij, geboren Joden … wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken van de wet, maar door het geloof in Christus Jezus, zijn ook zelf tot het geloof in Christus Jezus gekomen … Want uit werken van de wet zal niemand gerechtvaardigd worden’ (Galaten 2:15,16).
  • Paulus noemt de gedachte dat men door de wet behouden kan worden een ‘ander evangelie dat geen evangelie is’ (Galaten 1:7) Wie een ander evangelie brengt, is vervloekt (Galaten 1:8). Er is maar één evangelie.

Jezus’ evangelie niet meer relevant

Het is duidelijk dat het ‘enige, eeuwig evangelie’ (Op.14:6), door deze uitleg van zijn kracht wordt beroofd. De boodschap die Jezus in zijn dagen bracht, zou in feite niet relevant meer voor christenen zijn. Het ‘voorbeeld dat de Heer ons heeft nagelaten’ wordt op deze manier als ondeugdelijk voor onze tijd, bij het grofvuil gezet. De wonderen van genezing en bevrijding die de Heer deed, zouden als exclusieve tekens voor zijn Joods gevolg zijn, zonder enige betekenis voor het brengen van een ander evangelie, dat voor ónze tijd bestemd zou zijn. Het is onbegrijpelijk dat deze eindtijdtheorieën voor een groot deel van de pinksterbeweging overgenomen werden van mensen, die op déze wijze bezig zijn geweest het evangelie van onze Heer te verkrachten!

Zoals de naam al doet vermoeden, legt de Tijdperkenleer sterk de nadruk op het ‘in tijdperken verdelen’ van Gods plan met de mensheid. Wanneer men geen oog meer heeft voor de natuurlijke, harmonische ontwikkelingen van Gods voornemen, maar Gods plannen in aparte pakketjes verpakt, die niets met elkaar te maken hebben, is het pas écht goed fout. Ook hier geldt: wat God samengevoegd heeft, zal de mens niet scheiden. We zien hoe men dit soort ‘opdelen van het woord van de waarheid’ in dezelfde geest op allerlei andere Bijbelse gegevens meent te mogen toepassen. Zo zou er niet van één ‘uitverkoren geslacht’ sprake zijn, maar van maar liefst twee verschillende ‘volken van God’. Ook zou de Heer niet één enkel Koninkrijk oprichten, maar twee totaal verschillende! De ‘toekomstige dingen’ kan men dan op allerlei manieren uitleggen en dit gebeurt dan ook.

De Bijbel

De Bedelingenleer stelt dat verschillende passages in de Bijbel voor verschillende tijdperken bestemd zijn. Door de Bijbel in aparte delen te verpakken, ziet men niet meer de dwarsverbanden. Dit is ook duidelijk te zien op honderden, paniek zaaiende ‘eindtijdsites’. Scofield wijst op 2 Petrus 1:20 als bewijs voor dit ‘verdelen’ van de Bijbel: ‘Bedenk daarbij wel dat geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat.’ Bij die uitlegging moet dan nauwkeurig met de verschillende tijdperken rekening worden gehouden. Elke andere uitleg is eigenmachtig. Uit het verband blijkt echter dat het om iets anders gaat: ‘Want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door Gods Geest geïnspireerd, hebben mensen van Godswege gesproken’ (vers 21), vervolgt Petrus. Het blijkt dat het hier niet gaat om de manier waarop de profetie geïnterpreteerd moet worden, maar de manier waarop zij werd gegeven. Petrus zei in feite: ‘Geen enkele profeet heeft zijn eigen privé-interpretatie neergeschreven, maar hij schreef alleen dat op waartoe Gods Geest hem opdracht gaf’. Petrus sprak over de autoriteit van de Bijbel, niet over haar interpretatie.

Zeven afdelingen…

De Bedelingenleer verdeelt de Bijbel in zeven afdelingen. Bovendien onderscheidt ze drie groepen waar de Heer op drie verschillende manieren te werk gaat. Men baseert dit op de tekst: ‘We moeten het woord van de waarheid recht snijden.’ Het ene Bijbelgedeelte is, zegt men, aan Joden geadresseerd, het andere aan heidenen en weer een ander aan gelovigen. De Bijbel zegt echter: ‘Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente van God aanstoot’ (1 Corinthe 10:32,33). Niet Gód, maar de gemeente in Corinthe had met deze drie groepen te maken. Het gaat hier eenvoudig om een praktische aangelegenheid. Niet om het netjes onderverdelen, het snijden van de Bijbel in drieën, ook niet vanwege een dogmatische uitspraak. Nee, deze leer is veel erger. Door het opdelen van de Bijbel wil men de opdracht van de gemeente van Jezus Christus elimineren en het onbekeerde aardse Israël voorrang geven.

William L. Pettingill

William L. Pettingill – toenmalig directeur van de door Scofield gestichte Bijbelschool – schreef bijvoorbeeld over het zendingsbevel:

  • “Ik ben er allang van overtuigd en heb steeds geleerd dat de grote Opdracht van Mattheüs 28:19 en 20 eerder op het Koninkrijk toegepast moet worden dan op de gemeente. Het zendingsbevel van Mattheüs zal slechts tot zijn recht komen door het Joodse overblijfsel, nadat de gemeente is weggenomen.”

Letterlijk of geestelijk?

De tijdperkenknippers zijn er trots op de Bijbel letterlijk te nemen. Wie durft te ‘vergeestelijken’, wordt onmiddellijk als verdacht gebrandmerkt! ‘We moeten het woord nemen zoals het er staat’, heet het onomwonden. De aanhangers van de Bedelingenleer doen het voorkomen alsof allen, die hun opvattingen niet delen, de Bijbel in haar geheel ‘vergeestelijken’, terwijl zij het Woord in zijn geheel letterlijk nemen. Dit getuigt echter van weinig kennis van de ander, noch van zelfkennis. In de verschillende kampen worden sommige gedeelten letterlijk, andere geestelijk en figuurlijk geïnterpreteerd. Het gaat echter om de vraag wélke gedeelten men op letterlijke en welke op figuurlijke wijze moet interpreteren. Zelfs bij de Bedelingenleer maakt men zich schuldig aan het door hen belasterde ‘vergeestelijken’. Enkele voorbeelden:

  • In Openbaring 4:1 wordt tot Johannes gezegd: ‘Kom hogerop’.
  • ‘Er is hier sprake van de opname van de gemeente,’ beweert men pertinent. Maar dit is vergeestelijken!

 

  • Daniël 12:2 zegt: ‘Velen van hen die slapen in het stof van de aarde zullen ontwaken, sommigen tot eeuwig leven, anderen om eeuwig te worden veracht en verafschuwd’.
  • Darby interpreteert: ‘De opstanding in Daniël 12:2 moet op de Joden worden toegepast. Het is een figuurlijke opstanding van dit volk, begraven als natie onder de heidenen.’ Darby vergeestelijkte dus!

 

  • In Mattheüs 10 geeft Jezus zijn apostelen praktische instructies m.b.t. de evangelisatiereis, die ze zullen maken.
  • Scofield merkt op: ‘dat Jezus in werkelijkheid het brengen van het evangelie op het oog had aan bekeerde Joden tijdens de grote verdrukking.’ Scofield vergeestelijkt hier!

Allerlei oudtestamentische, bloemrijke taal in het Oude Testament moet men ook figuurlijk nemen. Er wordt gesproken van bergen die zingen en in de handen klappen (Jesaja 55:12), van gesprekken met bergen (Micha 6:1), van bergen die van honing en melk druipen (Joël 3:18), van een verbond tussen het volk en het gedierte (Hosea 2:18). Moet dat alles letterlijk genomen worden? Onmogelijk! 

De achtergrond van de onwil om – waar nodig – de Bijbel te ‘vergeestelijken’ is het volgende: De Bedelingenleer legt er de nadruk op, dat de gemeente slechts een ‘noodsprong (!?)’ van de Heer was, toen Israël het aardse koninkrijk dat Jezus aanbood, verwierp. De gemeente zou iets nieuws zijn, iets spontaans, iets buiten Gods berekening om. Vandaar dat er in de oudtestamentische profetieën helemaal niet over de gemeente gerept werd. Dit was nog een ‘mysterie’ of een geheim, dat voor het eerst aan Paulus geopenbaard zou zijn. Om deze gedachte waar te maken, moet men wel kiezen voor een letterlijke interpretatie van het Oude Testament. Israël zou immers niet een ‘schaduw’ maar de werkelijkheid zelf zijn. De profetieën zouden niet op de verlossingstijd van de gemeente mogen slaan, maar als letterlijke beloften voor Israël moeten worden geïnterpreteerd. Van de gemeente zou in het Oude Testament geen sprake zijn. Dit ‘letterlijk’ nemen gaat, zoals we al aantoonden, niet altijd op. Ook met de Tijdperkenleer moet men af en toe vergeestelijken, of men wil of niet. En dit nu brengt het hele systeem aan het wankelen.

Israël en het Koninkrijk van God

Volgens de Bedelingenleer heeft God twee verschillende groepen waardoor hij werkt: Israël én de gemeente. Voor elk van de twee groepen heeft hij een apart plan. Israël is een aards volk met aardse beloften. De gemeente vertegenwoordigt een hemels volk met geestelijke beloften. De plaats van de gemeente is de hemel. De plaats van Israël is de aarde. De gemeente wordt gered door geloof in het volbrachte werk van Golgotha en Israël in laatste instantie door gehoorzaamheid aan de wet. Volgens de Tijdperkenknippers kwam Jezus niet om te sterven aan het kruis, maar om Israël een aards koninkrijk aan te bieden. Toen de Joden Hem verwierpen, werd de komst van het koninkrijk volgens deze leer uitgesteld. Bij zijn terugkomst zal het de Heer echter wél lukken dit vrederijk voor Israël in te luiden. De Bedelingenleer gaat dus van twee veronderstellingen over het ‘Koninkrijk’ uit:

  1. Het Koninkrijk van de hemelen: dit is een Messiaans, aards, Davidische koninkrijk, waarin Jezus op aarde regeert.
  2. Het Koninkrijk van God: dit is een koninkrijk van geheel andere aard. Het is geestelijk in deze wereld aanwezig, vertegenwoordigd door de gemeente.

We komen hiermee tot de kern van de zaak. Als het Koninkrijk van de hemelen en het Koninkrijk van God synoniemen zijn voor eenzelfde zaak, houdt dit in dat het Davidische koninkrijk al is opgericht! Enkele teksten waarin één van beide begrippen wordt gebruikt:

  • ‘En van de dagen van Johannes de Doper af tot nu toe wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan en geweldenaars grijpen het’ (Mattheüs 11:12)
  • De parallel tekst in Lucas 16:16 zegt: ‘De wet en de profeten gaan tot Johannes; sinds die tijd wordt het evangelie gebracht van het Koninkrijk van God en ieder dringt zich erin’.

Het begrip ‘Koninkrijk van de hemelen’ en ‘Koninkrijk van God’ worden hier als synoniemen gebruikt. Nog meer teksten:

  • ‘Ga en zeg: Het Koninkrijk van de hemelen is dichtbij gekomen’ (Mattheüs 10:7).
  • ‘En Hij zond hen uit om het Koninkrijk van God te verkondigen en genezingen te doen’ (Lucas 9:2).

Synoniemen! Een ander tweetal:

  • ‘Van toen af aan begon Jezus te zeggen: Bekeer u, want het Koninkrijk van de hemelen is dichtbij gekomen’ (Mattheüs 4:17).
  • ‘En nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galiléa om het evangelie van God te brengen en Hij zei: De tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is dichtbij gekomen. Bekeer u en geloof het evangelie’ (Marcus 1:14,15).

Verder wordt in één enkele tekst zowel de ene als de andere uitdrukking gebruikt:

  • ‘Voorzeker, Ik zeg u, een rijke zal moeilijk het Koninkrijk van de hemelen binnengaan. Opnieuw zeg Ik u, het is gemakkelijker dat een kameel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat’ (Mattheüs 19:23,24).

Het Koninkrijk van de hemelen is het ruimere begrip van de geestelijke wereld met haar lichte en duistere kant, terwijl het Koninkrijk van God alleen op de goede geestelijke wereld ziet. Eén ding zal duidelijk zijn: God kent in zijn verlossingsplan niet twee afzonderlijke Koninkrijken. Er is maar één Koninkrijk. En dat is al opgericht. Het is opgericht bij de komst van onze Heer en wordt steeds groter door de kracht van Gods Geest.

Heeft Jezus Christus gefaald?

Volgens de Bedelingenleer wel. Haar toekomstverwachting is namelijk dat de rol van de gemeente in feite is uitgespeeld. De eerstvolgende gebeurtenis in Gods ‘programma’ zou de opname van de gemeente zijn, waarbij de Heer zijn kinderen ‘veilig thuis haalt’. Wanneer dezen dan naar hogere regionen zijn verhuisd, zou de Heer een ánder volk inschakelen dat hij nog achter de hand heeft om zijn plannen tot een goed eind te brengen: de plotseling bekeerde Joden, die in de ‘grote verdrukking’ die dan inmiddels aangebroken is, zullen het evangelie met zo’n elan brengen, dat alle zending- en evangelisatieactiviteiten in het ‘tijdperk van de gemeente’ daarbij verbleken.

Wat zijn nu de achtergronden van deze uitzichtloze opvattingen?

De Tijdknippers-leer verdeelt de Bijbel dus in maar liefst vier verschillende evangeliën, twee verschillende koninkrijken en twee verschillende volken van God. Gods plan zou over twee schijven lopen: die van de gemeente en die van zijn aardse uitverkoren volk, de Joden. Nu willen we echter (nogmaals) zien dat God maar één enkel plan heeft met deze wereld en dit plan ook door één enkel instrument uit zal voeren: Jezus Christus en zijn gemeente. Uiteraard is dit uitgangspunt bepalend voor onze kijk op de toekomstige dingen.

Volgens de Bedelingenleer is de gemeente een ‘geheimenis’ dat voor het eerst door de apostel Paulus werd ontdekt. Een ‘verborgenheid’, die hij verwerkt in wat hij ‘mijn evangelie’ noemt. Volgens de Bedelingenleer wordt er in het hele Oude Testament geen enkele melding van de gemeente gemaakt. Men spreekt over ‘bergtoppen’ in de profetie. De profeten zouden hebben geprofeteerd over de eerste en de tweede komst van de Heer. Het ‘dal’ dat tussen deze twee bergtoppen verborgen was, konden zij niet zien. En dat ‘dal’ vertegenwoordigt de gemeente.

  • De Bedelingenleer zegt: de gemeente is een parenthese, een tussenvoeging in Gods oorspronkelijke plan. Gods plan met de gemeente is tijdelijk. De verbroken draad met Israël neemt Hij zo snel mogelijk weer op.
  • De Bijbel zegt: de gemeente is het enige, het ware lichaam van Christus en de ‘volheid van God’, dus het enige lichaam waarin God zich volkomen openbaart: ‘de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt’ (Efeze 1:22,23).

 

  • De Bedelingenleer zegt: de gemeente wordt in het Oude Testament zelfs niet genoemd.
  • De Bijbel zegt: de gemeente wordt in het Oude Testament al op één van de eerste bladzijden genoemd (Genesis 2:24). ‘Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten en die twee zullen tot één vlees zijn. Dit geheim is groot, maar ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente’ (Efeze 5:31,32).

 

  • De Bedelingenleer zegt: Israël en de gemeente zijn twee afzonderlijke lichamen en zij zullen dit altijd blijven.
  • De Bijbel zegt: God nam twee ‘mensen’: het gelovige overblijfsel uit Israël en de gelovige heidenen, en vormde ze tot ‘één mens’. Nu zijn er geen twee lichamen meer, maar één: ‘Want hij is onze vrede, hij die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt, de muur van vijandschap ertussen heeft afgebroken en de wet met zijn geboden en voorschriften buiten werking heeft gesteld, om uit die twee in zichzelf één nieuwe mens te scheppen. Zo bracht hij vrede en verzoende hij door het kruis beide in één lichaam met God, door in zijn lichaam de vijandschap te doden’ (Efeze 2:14-16).

 

  • De Bedelingenleer zegt: het nationale Israël zal Gods plan verwezenlijken tijdens het toekomstige millennium.
  • De Bijbel zegt: Gods plannen worden door de gemeente uitgevoerd. Deze wordt de ‘volheid van God’ genoemd (Efeze 1:23) en zij is onderdeel van het eeuwige plan van God, dat in Christus wordt gerealiseerd: ’Zo zal nu door de gemeente de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend worden aan alle vorsten en heersers in de hemelse gewesten, naar het eeuwenoude plan dat hij heeft verwezenlijkt in Christus Jezus, onze Heer’ (Efeze 3:10,11).

Abrahams zaad is Jezus Christus en allen die (na hun bekering én gelegd Bijbels Fundament – en geen kerklidmaatschapje) in Hem zijn:

  • Israël is de schaduw, de gemeente is de werkelijkheid.
  • Niet door Abraham, maar door Abrahams zaad, Christus, wordt men rechtvaardig.
  • Niet de gemeente, maar Israël heeft een tijdelijke rol in Gods plan. Israël werd door God gekozen als een tijdelijk kanaal waardoor zijn zegen kon stromen.
  • Niet de gemeente, maar Israël was de ‘parenthese’. In het Oude Testament wordt dat al aangeduid: ‘In Juda’ s handen zal de scepter blijven, tussen zijn voeten de heersersstaf, totdat Hij (Jezus Christus) komt die er recht op heeft’ (Genesis 49:10).
  • Jezus zei n.a.v. de wonderen die Hij tijdens zijn leven op aarde deed: ‘Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd mijn dag te zien en hij heeft die gezien en was blij’ (Johannes 8:56). Silo kwam 2.000 jaar geleden en nam de heersersstaf van het nationale Israël over om zijn Koninkrijk in de harten van de mensen op te richten.
  • Hoewel Israël aan wet en besnijdenis vasthield, veroordeelde de Heer het voortbestaan van deze verordeningen (Romeinen 6:14; 7:4; 10:4; Gal.3:23-26; 4:9-11). Jezus vervulde de wet.
  • De gelovige Joden worden ingevoegd in de christelijke gemeente (Romeinen 11:5). Dit was de vervulling van wat altijd al het eeuwige plan van God was geweest (Verg. Genesis 12:3; 22:19; Galaten 3:7-9,14,16,27-29; Efeze 3:4-6).

Oudtestamentische begrippen kregen nieuwe glans. De Bijbel geeft een geestelijke definitie van het begrip:

  • ‘Jood’ (Romeinen 2:28,29),
  • Israël (Romeinen 9:6; Galaten 6:16),
  • Jeruzalem (Galaten 4:26),
  • Zaad van Abraham (Galaten 3:29),
  • Sion (1 Petrus 2:6; Hebreeën 12:22), (Romeinen 9:33),
  • Stammen van Jacob (Jacobus 1:1; Handelingen 26:7).

Onvoorwaardelijke, eeuwige beloften?

De Bedelingenleer negeert schaamteloos wat het Nieuwe Testament uitdrukkelijk over Gods plannen door middel van de gemeente zegt. Men zegt dan:

  • ‘God heeft speciale, eeuwigdurende beloften aan Israël gegeven, die aan geen enkele voorwaarde gebonden waren. Die beloften moeten dus nog steeds van kracht zijn en op een gegeven moment móet de Heer de draad met het volk Israël wel weer opnemen.’

Het gaat hier om meer dan een afleiding; nergens in de Bijbel wordt dit uitdrukkelijk zo gesteld. Hoe aannemelijk de conclusies van deze uitspraak ook mag klinken, het is altijd nog de vraag of de uitgangspunten(?) wel acceptabel zijn! In welke zin heeft God aan Israël ‘eeuwigdurende beloften’ gegeven en zijn ze werkelijk aan geen enkele voorwaarde gebonden? Wat het ‘eeuwigdurende’ van Gods beloften aan Israël betreft, dit geldt in zeer beperkte zin: zolang Gods verbond met Israël van kracht was, zouden ook de beloften van dit verbond bindend zijn. Zo stelt het Oude Testament bijvoorbeeld herhaaldelijk dat de ‘wetten en voorschriften’ ‘eeuwigdurende instellingen’ zouden zijn. Paulus wijst er in 2 Corinthiërs 3 echter op, dat die wetten in Christus hebben afgedaan. Een tegenstelling? Helemaal niet, de ‘eeuwigdurende’ wetten waren zolang van kracht, alsook het verbond van kracht was. In 2 Kronieken 7:16 wordt over de tempel gezegd: ‘Nu heb ik dit huis verkoren en geheiligd, zodat mijn naam daar is tot in eeuwigheid’. Jezus echter getuigde: ‘Het uur komt, dat u noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden’ (Johannes 4:21). Enkele jaren later werd de tempel verwoest.

De Tijd was vervuld

Brak God zijn belofte? Nee! Het ‘tot in eeuwigheid’ had slechts betrekking op de tijd dat de tempel in Gods plan een rol zou spelen. In Exodus 40:15 en Numeri 25:13 wordt het priesterschap een ‘eeuwig priesterschap’ genoemd. De Hebreeënbrief maakt echter duidelijk dat aan dit oudtestamentische priesterschap een eind gekomen is.

Hoe kan dat?

De belofte over een ‘eeuwig priesterschap’ was alleen rechtsgeldig zolang ook de wet en het verbond van kracht waren. Zo zijn er andere begrippen te noemen, waarbij de term ‘eeuwigheid’ gebruikt wordt: wet, sabbat, besnijdenis, koninkrijk, priesterschap, uitverkoren natie. Al deze begrippen zijn óf afgeschaft óf ze hebben door verschillende ontwikkelingen een nieuwe betekenis gekregen:

  • ‘Breng dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt; en beeldt u niet in, dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader’ (ook niet via een uitgevonden ‘verbondsleer’ van de kerken) (Mattheüs 3:8,9). 

Wat het onvoorwaardelijke karakter van Gods beloften aan Israël betreft, merken we op dat ze gebaseerd waren op het verbond: een verbond van God met zijn volk, tussen twee partijen dus. En zoals bij élk verbond is van beide kanten sprake van verplichtingen en rechten. Het is vanuit dit principe dat het Nieuwe Testament het verbond met Israël benaderd wordt. Het probleem van het Joodse volk was juist, dat ze het verbond als een vrijbrief voor hun zorgeloze levenshouding zagen. Een man als Johannes de Doper ging daar lijnrecht tegenin: 

  • ‘Breng dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt; en beeldt u niet in, dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader’ (Mattheüs 3:8,9).
  • Jezus sprak vanuit hetzelfde principe: ‘Als jullie kinderen van Abraham zijn, doe dan de werken van Abraham; maar nu proberen jullie Mij te doden, dit deed Abraham niet. Jullie doen de werken van uw vader, de duivel’.
  • Bij het sluiten van zijn verbond met Abraham zei God: En wat u aangaat, u zult mijn verbond houden, u en uw nageslacht in hun geslachten’ (Genesis 17:9).
  • De voorwaarde die hier aan het verbond verbonden werd, was de besnijdenis. Ongehoorzaamheid aan de voorwaarde verbrak het verbond en maakte de belofte ongeldig: ‘En de onbesnedene, de man namelijk, die het vlees van zijn voorhuid niet laat besnijden, die mens zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten: hij heeft mijn verbond verbroken’ (Genesis 17:14).

Een van de meest voor de hand liggende principes bij het uitleggen van de Woorden van God is dat ‘Schrift met schrift’ vergeleken moet worden. Op sommige Bijbelplaatsen worden zeker beloften genoemd, zonder dat de voorwaarden worden vermeld. Die condities kunnen doorgaans echter op andere plaatsen worden gevonden. Het is duidelijk dat de Heer nergens verplicht is op een toekomstig tijdstip de draad met Israël weer op te pakken om dan ergens met een geheime back-up dit volk te ontplooien. Israëls deelname in Gods enige plan is duidelijk aan condities verbonden. Paulus stelt in dit verband:

  • ‘Maar ook zij zullen, wanneer (conditie!) zij niet bij hun ongeloof blijven, weer geënt worden’ in de oorspronkelijke olijfboom van waaruit de ongelovige Joden werden weggebroken (Romeinen 11:23).

Conclusie

De Bedelingenleer kon ontstaan omdat Rome en de bijbelbelt geen enkel leven kunnen verwekken. Omdat een goed Bijbels fundament toen (en vandaag nog steeds), nergens meer te vinden was, zag satan een nieuwe kans. In een omgeving van dode botten vindt hij nog steeds mensen die verlangen naar meer, maar zij bouwen echter op wat er letterlijk in de Bijbel staat in plaats van te verstaan wat ze lezen (1 Petrus 1:10-12). De uitkomst hiervan is verschrikkelijk. Voor de overgrote meerderheid van het christendom is de geestelijke wereld achter een kluisdeur verstopt en de sleutel is weggegooid. Deze leer werkt als een kankergezwel door en heeft inmiddels miljoenen christenen vergiftigd. Christenen die misschien een half fundament in hun leven hebben gelegd, maar niet zien dat deze satanische leer de geestelijke wereld op het nachtslot zet. De lamme kan de blinde wel leiden, maar uiteindelijk vallen ze beide in de put, of zoals Johannes het opschreef: 

  • ‘En de sterren van de hemel vielen op de aarde, zoals een vijgenboom zijn onrijpe vijgen afwerpt als hij door een harde wind wordt geschud’ (Op.6:13). 

Het boek Openbaring is door de tijdperkenknippers na hoofdstuk 4, ooit ergens voor de Joden op aarde bestemd. Zij hebben hiermee de belangrijkste hoofstukken uit dit troostboek bij uitstek afgesloten. Inmiddels begrijpt vrijwel niemand dit boek meer en we spreken uit decennia ’s ervaring. Zoals we in een ander artikel al schreven: Het heeft geen zin voor de brenger van de Woorden van God om de aanhangers van de bedelingenexperts te overtuigen, want deze mannen of vrouwen willen niet horen. 

Wat is nu onze werkelijke toekomst? Het antwoord is: God heeft maar één plan met één verlossingsinstrument waarover hij in deze wereld beschikt: Jezus Christus en zijn gemeente, bijeengebracht uit Joden én heidenen. Op het openbaar worden van deze gemeente wacht de schepping: ‘zodat ze bevrijd zal worden uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt’ (Romeinen 8:21). Dit is het rijke perspectief dat de nieuwtestamentische visie op de toekomende dingen ons te bieden heeft!