Zondaar tot de dood/-p?

Een groep jonge mensen met allerlei verschillende kerkelijke achtergronden, maar ook buitenkerkelijk, discussieert op de TV over een pakkend onderwerp, onder leiding van een internationaal bekend evangelist. Op een gegeven moment zoomt de camera in en de evangelist, in close-up, zegt:

  • ‘Weet dit wel, we zijn allemaal zondaars – zelfs wij, die ons christen noemen’.

Zo’n uitspraak doet het nog steeds goed. Maar is het inderdaad terecht dat gelovigen zo uitdrukkelijk belijden dat ze net zo goed zondaren zijn als de rest van de mensheid? Het is een feit dat Jezus tijdens zijn leven op aarde veel omging met zondaars. De reden was echter niet dat Hij zich zo aangetrokken voelde tot de levenswijze van deze mensen. Hij wilde ieder van hen juist afbrengen van hun slechtheden. Toen de tollenaar Levi van gedachten veranderde, zei Jezus: ‘Vandaag is aan dit huis redding geschonken’. Ook de moordenaar aan het kruis kwam niet in het paradijs omdat hij een moordenaar was, maar omdat hij geloofde en hem zijn misdaden werden vergeven.

Dat Jezus veel bij zondaars werd gezien houdt dus niet in dat Hij de mensen altijd maar zondaars wilde laten blijven. Integendeel! Jezus kwam om hen van hun zonden af te brengen. Hij kwam om hun zonden te vergeven en hen te bevrijden van de overheersing van de zonde in hun leven. Het is dus onlogisch dat iedereen die in Jezus gelooft zich dan ook nog steeds een zondaar zou moeten noemen! Toch doen veel ‘zich christelijk noemenden’ dat. Ze menen te moeten belijden dat ze nog steeds zondaars zijn. Men zegt dan: ‘We zijn allemaal zondaars tot de dood’. Sommige Bijbelkenners citeren wat in Romeinen 3:23 staat:

  • ‘Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God’. Maar wie verder leest, ziet in vers 24,25 staan: ‘en iedereen wordt uit genade, die niets kost, door God als een rechtvaardige aangenomen omdat hij ons door Christus Jezus heeft verlost. Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft…’

Wie tot geloof komt, krijgt van God dus de status van rechtvaardige in plaats van die van zondaar. God ‘rechtvaardigt hem’, zegt vers 26. De tegenwerping is vaak dat gelovigen toch ook niet in alle opzichten alles goed doen, dat ze in veel opzichten nog van alles verkeerd doen. Daar heeft men vaak gelijk in. Maar het gaat er dan ook niet in de eerste plaats om wat de gelovigen doen, maar wat God gedaan heeft! Wie herinnert zich niet hoe de verloren zoon er bij zijn thuiskomst miserabel aan toe was. Met wat voor liefde liet de vader hem verzorgen en in ere herstellen.

Stel je nu eens voor dat de zoon na het overvloedige welkomstmaal opgestaan was en tegen de buren had verklaard: ‘Ik ben nog steeds een nietswaardige zwerver, niet waard om een zoon van mijn vader te heten.’ Daar zou de vader beslist niet gelukkig mee geweest zijn. Natuurlijk zag de zoon er nog niet helemaal gezond uit na die ene maaltijd. Ook had hij onder zijn nieuwe kleren vast nog wel wat wonden die genezen moesten worden en bij het lopen had hij misschien nog last van zere voeten. Maar vaststond dat de vader had laten weten dat hij weer zijn zoon was met alle rechten van dien. De zoon hoefde dit alleen maar te accepteren, dit goed tot zich door te laten dringen en zich er naar te gedragen. Eens verloren, maar nu weer volledig erfgenaam. Eens dood, nu weer levend.

Datzelfde geldt voor opnieuw geboren christenen. Zij accepteren wat God over hen zegt en dat laten ze goed tot zich doordringen. Vervolgens gaan ze er ook naar leven. Dat is wel een hele omschakeling. De ogen van hun hart moeten steeds verder opengaan om weer scherp te kunnen onderscheiden in welke positie ze staan:

  • ’Bedenk toch hoe groot de liefde is die de Vader ons heeft geschonken! Wij worden kinderen van God genoemd en dat zijn we ook’ (1 Joh.3:1)!

Wie zich afvraagt of de periode van het zondaar zijn dan toch niet afgesloten moet worden met de dood, stelt in zekere zin toch een goede vraag. Als een ongelovige zich bekeert en zich door het geloof laat ‘inlijven’ in het lichaam van Christus, wordt hij levend voor God en gaat hij dood voor de zonde! Hij is inderdaad ‘zondaar tot de dood’ – en vervolgens geen zondaar meer. Op de eerste Pinksterdag in Jeruzalem raakten veel joden doordrongen van hun geestelijke situatie. Ze vroegen de apostelen: ‘Wat moeten wij doen?’ Het antwoord zal bekend zijn:

  • ‘Bekeer u, laat u dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen’.

Het zondaar zijn eindigt bij de bekering – en de daarop volgende doop – het uiterlijke teken dat men heel zijn verleden voor dood houdt en het ook volkomen begraven heeft! Het nieuwe leven als rechtvaardige begint daarop met het opstaan uit het water en met de doop in Gods Geest waarbij men bekleed wordt met kracht uit de hoogte.

Het komt erop aan dat u zich bewust wordt hoe God u voortaan ziet als u tot geloof gekomen bent: een rechtvaardige, die op weg is naar volkomen herstel!