Met de doop in de knoop

Een compromis van de Nederlands hervormde professor H. Berkhof

Er zijn christenen die zich volwassen hebben laten dopen en toch menen dat zij in hun kerk moeten blijven, omdat zij in kerkelijk verband nog een taak hebben. Deze mensen worden maar al te vaak als tweederangs christenen behandeld. Vanwege de Bijbelse doop is hun de weg naar het ambt versperd. Ja, er zijn zelfs kerken die hun ‘opnieuw gedoopte’ leden onder censuur stellen. Het is dan ook niet te begrijpen dat deze christenen zo dubbelhartig kunnen zijn, want wat moet een opnieuw geboren christen met een straffende God, een catechismus en een leven vanuit de oudtestamentische wet?

Hoewel de kerken bitter weinig begrip hebben voor hun doperse leden, liet de Nederlands hervormde professor H. Berkhof ooit een voorzichtig geluid horen. In een tijdschrift uit zijn dagen brak hij een lans voor ambtsdragers en belijdende leden die zich op Bijbelse wijze hebben laten dopen. Een gedeelte van zijn betoog is hieronder te lezen:

Het gaat niet om randfiguren!

Het is allerminst mijn pretentie een eeuwenlange controverse even op te lossen. Als ik de zaak toch weer aan de orde stel, doe ik dat omdat zij allerlei leed en conflict veroorzaakt dat m.i. niet nodig is, ook al schijnt dit het directe gevolg van de controverse te zijn. Ik denk dan aan de conflicten, ook in Nederland, rondom de overdoop. Dat woord alleen al wekt bij kerkelijke mensen weerstanden op. Men ziet de overdopers van de 16e eeuw weer voor zich (door de ogen van reformatoren!) en denkt aan Munster en Jan van Leiden. Maar ook als men die bijgedachten zou kunnen wegschuiven, blijft toch de overtuiging: overdoop is onaanvaardbaar, omdat het een ontkenning is van de geldigheid van de eerste doop (besprenkeling webb.). Omgekeerd: wie opnieuw doopt of zich laat overdopen, zal de beschuldiging van overdoop fel afwijzen; omdat de vroegere babybesprenkeling geen werkelijke doop was, is er van een ‘overdoop’ geen sprake.

De Nederlandse protestantse kerken en vooral de Hervormde Kerk zijn,  in het bijzonder sinds de tweede wereldoorlog, op dit probleem gestuit. Er hebben zich allerlei pinkstergroepen gevormd, niet meer zoals vroeger als zelfstandige gemeenten naast de kerken, maar als bewegingen in en dwars door de kerken. Soms werden predikanten er door gepakt, zodat ze baby’s meer wilden besprenkelen; ze werden dan uit het ambt gezet. Een naar mijn indruk vrij groot aantal ouderlingen sloot zich bij deze bewegingen aan; zodra het bekend werd, dat één van hen zich opnieuw had laten dopen (door onderdompeling), moest hij het ambt neerleggen – wat meestal zowel voor de kerkenraad als voor hemzelf een verdrietige zaak was. En dan spreken we nog niet eens van de honderden gemeenteleden die om hun overdoop werden vermaand en van hun kerk vervreemdden.

Bijna altijd ging het niet om randfiguren, maar veeleer om mensen uit de kern van de kerk. En ook waar het niet tot zo’n breuk kwam, ontstonden soms zware gewetensconflicten. Er zijn ook bezwaarschriften bij de Hervormde Kerk ingediend tegen de geldende leer en praktijk van de doop. Deze organisatie heeft tot nu toe bij mijn weten geen andere weg gevonden dan hierboven getekend werd. Wel is aan de ‘Raad voor de zaken van kerk en theologie’ opdracht gegeven, met een gedegen theologisch rapport over dit probleem te komen, dit mee naar aanleiding van de ingediende bezwaren. Er is een commissie over de doopsvragen ingesteld. Dat is al weer vrij lang geleden. Het gerucht gaat, dat de verschillende groeperingen in deze commissie elkaar niet kunnen vinden. Er schijnt voorlopig geen rapport te komen. Daarmee blijven we dus in de conflicten zitten – een vreemde situatie in onze z.g. oecumenische eeuw.

Verlangen naar de doop door onderdompeling

‘Moet dit zo blijven? Kan het principieel niet anders? Om te beginnen: moet de ‘overdoop’ als zo’n vergrijp worden aangerekend dat daardoor de band wordt doorgesneden die anders (zeker in de Hervormde Kerk) uiterst rekbaar is? Het antwoord is dan: de Kerk kan niet dulden dat de geldigheid van haar sacramentsbediening wordt ontkend! Voor mij heeft dat antwoord altijd een onechte bijtoon gehad. Komt de Kerk, zo sprekend, op voor de eer van haar Heer en van zijn ontmoeting met de gemeente door de doop? Of komt ze op voor haar eigen eer die zij aangetast ziet? Telkens zullen in de kerken golven van verlangen opkomen naar een persoonlijk doorleefde doop in de lijn van Romeinen 6 (en dus ook door onderdompeling). Daarin wordt aan de kerken de rekening gepresenteerd voor haar eigen zonden op het gebied van de doopspraktijk.

Tot nu toe laten we de presenteerders zelf de rekening betalen. Is dat juist? Indertijd werd in een r.-k.-ziekenhuis in Venlo een kind van hervormde ouders, buiten hun wil en weten, rooms-katholiek besprenkeld. De bevoegde hervormde organen hebben toen beslist dat deze doop wegens het ontbreken van een ontmoetingskader als ongeldig moest worden beschouwd. Er heeft toen een ‘overdoop’ plaats gehad; m.i. terecht. Maar dan kan men niet bij dit geïsoleerde ‘geval’ blijven staan. Door deze norm te hanteren snijdt een kerk ook in het eigen vlees.

De lezer wordt nu ongeduldig en vraagt wat ik dan zou willen. Om te beginnen wil ik wijzen op de enige kerk die over deze zaak grondig heeft nagedacht, n.l. de Verenigde Kerk van Noord-India (samen met die van Ceylon, Sri Lanka, red.), waarin Anglicanen, Hervormden, Congregationalisten en ook Baptisten willen samengaan. Babybesprenkeling en gelovigendoop komen daarin gelijkwaardig naast elkaar te staan. Maar wat moet er gebeuren, als iemand die als baby besprenkeld werd, deze ‘doop’ achteraf als ongeldig ziet en bewust als gelovige de doop wil ondergaan in water? Het heeft tijd gekost om het hierover eens te worden. Men is het tenslotte eens geworden en de oplossing luidt: wie dat wil, wendt zich met zijn vraag tot zijn bisschop; in een echte dialoog zullen zij dat samen bezien en in die dialoog een oplossing van de Heilige Geest vragen en verwachten die in de ene of in de andere richting gaat. Is dat een stichtelijk ontwijken van het probleem? M.i. niet, want er moet een beslissing vallen. Ik dacht dat als men de doopkwestie niet voor een scheidingsgrond van de eerste orde houdt (en wie durft in ernst te zeggen dat hij dat doet?), dit de enige wijze is om er met een eerlijk geweten mee om te gaan.

De tegenwerping luidt: zo verschuift men de kwestie van het principiële naar het pastorale! Ik antwoord: juist het pastorale is het principiële! Het gaat immers om een ontmoeting, om een verbond waarin twee partijen begrepen zijn. Voor onze situatie acht ik iets dergelijks de juiste oplossing. Wie meent zich te moeten laten overdopen, kan dat niet achter de rug van zijn kerk om doen. Hij moet bereid zijn, zich aan een gesprek met zijn kerkenraad of predikant bloot te stellen. Dat kan voor beide partijen alleen maar goed zijn. Maar dan komt het ogenblik waarop het gesprek eindigt en de enkeling de beslissing moet nemen. Als de kerkenraad van de oprechtheid van zijn motieven overtuigd is, zal hij zich achter de beslissing stellen, ook als die ‘overdoop’ zou betekenen. De vraag of zo iemand dan nog oprecht mee kan werken in het kerkelijk kader, zal dan meestal vanzelf al beantwoord zijn; maar ze zal in geen geval door een eenzijdige machtsuitspraak worden beantwoord.

Ongetwijfeld zullen we op allerlei moeilijkheden stuiten. Maar dat zijn dan moeilijkheden die we tot nu toe ten onrechte hebben ontweken. Bovendien: veel van wat van de buitenkant een moeilijkheid lijkt, zal als wij het serieus nemen, een deur blijken die tot dieper verstaan leidt van de doop en van het heil dat we daarin ontmoeten en die ook leidt tot een verdere groei naar een meer adequate gestalte van het éne Lichaam met veel leden.’

Tot zover de Nederlands hervormde H. Berkhof.

Wat opvalt is dat H. Berkhof hiermee de kool en de geit wil sparen, maar niet het werkelijke probleem bij de wortels aanpakt. De volwassen waterdoop is slechts een onderdeel van het Bijbelse fundament zoals Paulus beschrijft in Hebr.6:1 en 2:

  • ‘Laten wij daarom het eerste onderwijs met betrekking tot Christus laten rusten, en doorgaan tot de volmaaktheid, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God, van de leer van de dopen, van de handoplegging, van de opstanding van de doden en van het eeuwig oordeel’.

Ook wordt hier een van de (twee) dopen besproken, maar de bijbehorende en opvolgende doop in Heilige Geest niet (voor zover de kerken hier al over spreken of beamen, dat God zijn Geest, aan ieder hierom biddende christen wil geven). Zo is ook de bekering in veel kerken een onmogelijkheid, omdat volgens de uitverkiezingsleer God alleen beslist of iemand wel of niet uitverkoren is en niet de mens zelf, die zich moet (om)-keren op zijn verkeerde weg. Ook het geloof in God is vaak een onmogelijkheid voor de kerkganger, omdat geleerd wordt dat het geloof je wel of niet van God gegeven is. Volgens deze dwaling is iedere actie in die richting voor de mens uitgesloten.

Ook de handoplegging wordt nauwelijks gepraktiseerd, voor zover men hier al in gelooft of afgewezen wordt als zijnde ‘niet meer van deze tijd’. Het opleggen van handen is er o.a. om een zegen mee door te geven, te dopen in Heilige Geest of de mens te bevrijden van demonen. In de meeste kerken is dit slechts abracadabra uit een heel ver verleden. De opstanding van de doden is ook nog steeds een groot vraagteken. Volgens de erfzondeleer blijft de mens een zondaar tot de dood. Wat er daarna gebeurd weet hij niet of durft er niet over na te denken. Wie in de erfzondeleer gelooft, stelt zichzelf immers op één lijn met de satan en zijn demonen. Dezen zijn immers ook slecht in heel hun wezen ‘van de wieg tot het graf.’

Ook het eeuwig oordeel blijft een zaak van veel angst en vrezen. De kerkganger wordt immers geleerd dat God naast het goede, ook al het kwade doet. Ziekte, dood, droogte en andere demonische rampen, komen immers uit zijn ‘vaderlijke hand’, de kerkleden toebedeeld! Maar wat nog veel erger is; Gods Naam wordt hierdoor permanent ontheiligd. Ook al bidt men een miljard ‘onze vaders’, het lasteren van Gods Naam blijft, omdat men Hem óók de bewerker van het kwaad blijft noemen.

De conclusie is dan ook dat er naast de babybesprenkeling en een wel of niet overdoop, er nog steeds een afschuwelijk maanlandschap overblijft. Daarom zullen de opnieuw geboren christenen net als de apostel Johannes op Patmos, doorgaan met het brengen van het koninkrijk der hemelen aan alle volken, talen en natiën, ook wereldwijd op internet. Ook dan smaakt het boekje met het heerlijke evangelie van Jezus Christus in de mond zoet als honing, maar het is bitter in de maag (Op.10:9,10). Net als de twee getuigen zijn de kinderen van God ook met een haren zak bekleed. Met de psalmist kunnen zij zeggen:

  • ‘Om u moet ik smaad verduren en bedekt het schaamrood mijn gezicht. Ik ben voor mijn broers een vreemde geworden, een onbekende voor de zonen van mijn moeder. De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd, de smaad van wie u smaadt, is op mij neergekomen. Ik huilde tranen toen ik vastte, maar wat ik oogstte was hoon, ik hulde mij in een boetekleed, maar verachting werd mijn deel. In de stadspoort wordt over mij gepraat, en de liedjes van drinkers spotten met mij’ (Psalm 69:8-13).

De boodschap is immers een pijniging voor mensen die in Babylon willen blijven met de demonen waarmee zij verbonden zijn (Op.11:3,10; 18:4)!