Dansen

In het oecumenische, charismatische recreatiecentrum Nederland wordt ook gedanst. Dit neemt zelfs meer en meer toe. Sommigen zeggen dat er ‘in de geest’ gedanst wordt. Nu is het onmogelijk om in de onzienlijke wereld zich met de voeten te bewegen, maar ongetwijfeld bedoelt men hiermee de ‘religieuze’ dans. Deze vindt men ook in de godsdiensten bij de oude Egyptenaren, de Hindoes, Indianen, op Borneo, in Japan bij de Shintodienst en in de oude culturen van Indonesië, Mexico en Peru. In de Bijbel vinden we voorbeelden van sacraal dansen bij de Israëlieten om het gouden kalf en bij de ‘hinkende’ Baälspriesters op de Karmel. De apostel Paulus waarschuwde:

  • ‘Dien geen afgoden, zoals een deel van hen, over wie geschreven staat: ‘Het volk ging zitten om te eten en te drinken en het stond op om te dansen’ (1 Cor.10:7).

Behalve de heidense cultusdansen, kende men in Israël de natuurlijke ‘reidansen’ bij het huwelijk;  bij de oogst en bij overwinningen. Het volk verbleef jarenlang in de woestijn en hoefde zijn voedsel elke morgen maar op te rapen, terwijl de kleren en het schoeisel niet sleten. Het had dus veel vrije tijd en het is geen wonder dat deze door spel en dans opgevuld werd.

In het land Kanaän gekomen, had het zeer veel feestdagen, waarop niet gewerkt mocht worden. Ongetwijfeld werd er dus na de woestijnreis ook veel gedanst, zoals in Jeremia 31:4 staat: ’Ik breng je weer tot bloei. Je zult weer dansen in de rei en de tamboerijnen laten klinken.’ Dit soort dansen was dus niet religieus, maar hoorde bij het natuurlijke en nationale leven. Nergens is echter sprake van gewijde tempeldansen, ondanks het religieuze leven van het volk Israël zich voornamelijk afspeelde in de natuurlijke en zichtbare wereld. Ook de huppelende David voor de ark mag niet als bewijs dienen, dat de dienst van God gepaard ging met dansen. Hier was immers sprake van een spontane, natuurlijke vreugdeuiting, die overeenkwam met de gewoonte van het volk. Zo zingt men wel dat het vrome volk van zielenvreugd huppelt, maar in de onberijmde 68ste Psalm wordt hiervan niet gerept.

Religieus dansen een gevaar

Nu laten wij buiten beschouwing hoe onze houding is ten opzichte van de dans als ontspanning en vermaak. Het gaat hier niet om een oordeel te vellen over mensen die op een verjaardagfeestje naar een muziekje luisteren en hierbij dansen, zoals dit in het cultuurpatroon en de levensstijl van de wereldsgezinde mens voorkomt. Jezus had het eens over onschuldige kinderen die op het spelen van de fluit dansten. De evangelisten verhalen echter wel van de dochter van Herodias, wier dans beloond werd met het hoofd van Johannes de Doper!

Waar het natuurlijke leven degenereert, gaan de hartstochten overheersen en zien wij dat onder de dans bij de gefrustreerde mens zinnelijke begeerten worden opgewekt. Onder gebonden mensen zal trouwens bij ieder spel de satan zijn slag slaan en zijn inbreng hebben. Denk maar aan de sportverdwazing. Wat kan een eenvoudig spel als knikkeren of Monopoly zelfs bij kinderen aan driften doen oplaaien. Om maar te zwijgen over het kaarten onder volwassenen. Bij de heidense tempeldansen nemen de vereerde boze geesten de leiding, zodat de deelnemers onder de dans in geestvervoering raken en de dans ontaardt. Denk eens aan de islamitische Sjiieten die al dansende uren lang op trommels slaan en zich met gloeiende ijzeren bouten de huid schroeien of openhalen. 

In de Bijbel lezen we nergens dat christenen door religieus dansen in extase moeten komen, maar ook niet dat zij – in geestvervoering zijnde – zullen gaan dansen. De natuurlijke uitingen moeten altijd onderworpen blijven aan het gezag van de menselijke geest. Vervoeringen van de geest moeten van binnenuit opgewekt worden door de Geest van God. Daar vindt ook de blijdschap van de Heer haar oorsprong. Wij willen daarbij opmerken dat spreken en zingen van liedjes in verband met hun inhoud, uitingen van de geest zijn, maar dansen is een uiting van het natuurlijke leven. Als de dans echter in verband komt te staan met de geestenwereld of met de religie, dreigt ontsporing. In godsdienstige samenkomsten ondersteunt de muziek het gezang.  Op een pagina van een site vol Bijbelstudies vond ik hierover ooit de opmerking:

  • ‘Veronderstel, dat een stuk of wat jongelui het verlangen hebben om door middel van muziek en zang mee te helpen bij het evangeliseren. Enthousiast gaan ze aan de slag. Als ze zover zijn, dat ze ‘gaan optreden, denderen ze een stuk lawaai de zaal in, dat ieder horen en zien vergaat en ze hebben zó de nadruk gelegd op hun ritme, dat hun gehoor maar één ding kan doen, namelijk meedeinen. Met alle enthousiasme en goede bedoelingen vergeten zulke jongelui dan dat geloof niet het resultaat is van lawaai en niet het gevolg van ritmische opzweping, maar van het Woord. Muziek en ritme kunnen in gepaste vorm een omlijsting vormen voor de prediking van het evangelie, ze mogen de boodschap niet naar de achtergrond schuiven’.

Muziek alleen spreekt ook alleen het natuurlijke leven aan; men kan erbij denken wat men wil. Op dezelfde melodie kunnen wereldse en godsdienstige liedjes gezongen worden. Op dezelfde wijs hoort de een: ‘Zalig alleen Heer is het hart dat U mint’, terwijl de andere deze wijs associeert met: ‘Sally alone is the woman I love’ (Saartje alleen is de vrouw van wie ik hou). Paulus zag hoe in de heidense tempels de menigte door middel van muziek en dans in geestvervoering kwam en hij waarschuwde:

  • ‘Zoals u weet was u in de tijd dat u nog heidenen was volledig in de ban van goden die taal noch teken geven’ (1 Cor.12:2).

Ook christenen kunnen door het volkomen opgaan in muziek, geroep of dansen de controle over hun geest verliezen. Zij raken dan in vervoering en het gevaar bestaat, dat zij in een trancetoestand of onder hypnotische beïnvloeding komen, waarbij de eigen geest de heerschappij over de mens verliest aan boze geesten. Hij wordt dan een door onreine geesten of een door demonen gedrevene. Hij zoekt immers buiten het woord van God om contact in de onzienlijke wereld. Dit gevaar blijft er, ook al repeteert hij de naam van Jezus tot in het oneindige.

De vraag moet beantwoord worden: is het nodig en geestelijk opbouwend als kinderen van God in hun samenkomsten het lichaam, de benen en de voeten op de maat van de muziek of van de zang bewegen in vaste, telkens herhaalde figuren, als uiting van de blijdschap van het Koninkrijk der hemelen? De onuitsprekelijke en verheerlijkte blijdschap wordt echter alleen gewekt door het woord van God, dat door de ware christen in geloof wordt aanvaard. Op zijn beurt geeft het kind van God daar ook weer uiting aan door het woord: in spreken of in zingen. Maar moet men in de gemeentesamenkomst de dans invoeren naar voorbeeld van de in de charismatische beweging bekende Amerikaanse artiesten, die ook hier in Nederland een show weggaven? Zo lazen we in ‘Opwekking’:

  • ‘Op de muziek van de prachtige violen, koperinstrumenten, gitaar, trommels en een warme volle klank van het koor, wordt gedanst. De vingers gaan gracieus omhoog, gezichten wenden zich, voeten maken pasjes, ze lopen door elkaar heen in een bepaald patroon. Het doet soms aan een joodse oogstdans en dan weer aan een kozakkendans denken. Na 5 minuten voel je een bevrijding over je komen. Dit is bevrijdend, je oog wordt gestreeld door de prachtige bewegingen, kleuren. En je oor door zang en muziek. Een warme mooie stem van een grote vrouw, die ondersteund wordt door violen. Troost Israël! Roep Jeruzalem toe, dat zijn lijdenstijd voorbij is. Neem een eenvoudig dansje. Net een klompendansje. Hallelu, Hallelu, Hallelu. Ja, en dan doet u met uw voeten: bom, bom. Bij de eerste Hallelu, klapt u links van uw hoofd, bij de tweede rechts van uw hoofd. En daarna voor u boven het hoofd. Laten we het maar eens proberen. En zo zie ik vergrijsde dominees en weet ik hoeveel geliefde Amsterdamse christenen, die gebaren maken en de Heer prijzen. En dat in Nederland.’

Jezus’ gemeente is geen cultuurcentrum

De laatste opmerking van de schrijver: ‘En dat in Nederland!’ geeft te denken. Wanneer Paulus en Petrus aan het einde van hun brieven schrijven: ‘Groet elkaar met een heilige kus’ of ‘groet elkaar met een liefdeskus’, wijst dit op een gewoonte die de onze niet is. Als wij in islamitische landen ons soms zo’n omhelzing moeten laten welgevallen (vanwege het behouden van een goede sfeer?), wil dit nog niet zeggen dat wij deze gewoonte ook in onze kringen ingevoerd willen zien. Dat zou voor de meeste mannen te veel gevraagd zijn. Ook schrijft de apostel:

  • ‘Ik wil dan, dat de mannen op iedere plaats bidden met opheffing van heilige handen’ (1 Tim.2:8).

Dit ‘gebed met opgeheven handen’ komt bij ons maar sporadisch voor. Wij doen dit in Nederland niet, hoewel wij het voorschrift ‘bidden met heilige handen’ volkomen onderschrijven. Moeten nu de leden van de gemeente in hun samenkomst gaan dansen – iets wat de meesten van hen nooit gedaan of zelfs gezien hebben? Moet men de bijeenkomsten tot cultuurcentra maken? Zal men cursussen moeten uitschrijven, hoe de eerste beginselen van de dans onder de ‘knie’ worden gekregen? Dansen is een uiting van het gevoelsleven. Het geeft geen directe verbinding met het woord, waaruit de geestelijke mens leeft. Dit doet het zingen wel.

‘Je oog wordt gestreeld door de prachtige bewegingen, kleuren. En je oor door zang en muziek…..!?’

Maar we gaan niet naar een gemeentesamenkomst tot bekoring van onze zintuigen. We willen verkwikt en gevoed worden naar de geest en de Heer aanbidden en lofzingen in de geest. Er is sprake van ‘een warme, mooie stem’, van vingers die ‘gracieus’ omhoog gaan. Maar als je arbeider bent in de bouw of als tuinder in de grond moet wroeten, bezit je geen sierlijke handen, zomin als de vrouw die in de avonduren als bijverdienste gebouwen schoonmaakt. In de gemeente heeft de vrouw zonder ‘warme mooie stem’ ook haar plaats en daar mist men wellicht de prachtige viool of violoncel, of het koor met ‘de warme, volle klank’. Ja, velen zullen zich ‘opgelaten’ voelen, wanneer zij een drievoudig ‘Hallelu’ moeten scanderen met een ‘bom, bom’ van de voeten.

Jezus gaf het voorbeeld niet!

Ook het uitbeelden van een lied door gebaren of door dans beantwoordt niet aan het doel, waarvoor de inhoud van het lied gegeven is. Iedere vergelijking, ieder visioen en iedere gelijkenis waardoor de Heer de onzienlijke wereld aan ons wil overbrengen, moet juist getransponeerd worden naar de hemelse werkelijkheid. Met gebaren een lied uitbeelden is aantrekkelijk voor kinderen, die nog helemaal in het natuurlijke leven. Het gezongene wordt bij hen door bewegingen van de handen of door dans begrijpelijk gemaakt. Kinderen zingen met gebaren: ‘En de regen stroomde neer en de vloed kwam op’ of ‘Bewaar je oog, je oor, je mond, je hand, je voet, je hart’. De expressie vraagt dan de meeste aandacht.

Toen we kinderen waren, hielden we ons bezig met de illustraties in de oude Statenbijbel die we thuis hadden, maar nu we volwassen zijn, richten we ons geheel op de inhoud van Gods Woord en proberen we de geestelijke werkelijkheid te verstaan. De volwassen gelovige is tijdens de zang bezig zijn geest in werking te stellen, zodat hij iets verstaat van het Koninkrijk der hemelen. Voor hem is het overbekende beeld niet primair, maar het is een middel tot het beter verstaan van de geestelijke realiteit. De gelovige wil de aandacht niet concentreren op de juiste beweging van handen, voeten, hoofd en lichaam, maar stelt zich op in de onzienlijke wereld waar God die geest is, woont. Hij verlangt met zijn lied te aanbidden in geest en in waarheid. Jezus bracht geen evangelie als cultuurvorming. Hij danste niet met zijn leerlingen. Van Hem staat alleen dat Hij het evangelie van het Koninkrijk der hemelen verkondigde. Hij richtte zich op de geest van de mens.

In ‘Vuur’ schreef een rooms-katholieke redacteur over het dansen:

  • ‘Men vindt het gewoon ‘gek’ wat ze daar doen. Waarom eigenlijk? David danste ook voor de ark. Hij was gegrepen door de Geest van God.’

Wij weten dit laatste nog niet zo zeker. Er staat namelijk bij het eerste overbrengen van de ark: ‘David en het hele huis van Israël dansten voor het aangezicht van de Heer, maar de toorn van de Heer ontbrandde tegen Uzza’ en deze stierf, terwijl David bang werd en het niet meer zag zitten (2 Sam.6:3-10). David was immers toen zeer onzorgvuldig te werk gegaan ten opzichte van de voorschriften van de Heer. Bovendien moeten wij ons niet oriënteren op de gebruiken en gewoonten van het oude verbondsvolk, want de kleinste in het Koninkrijk der hemelen heeft meer inzicht dan de grootste van het Oude Testament (Matth.11:11). Het gaat in de gemeentesamenkomsten om de vreugde die de rechtvaardige in de geestelijke wereld ontvangt in de gemeenschap met God en in de uiting ervan. Paulus schreef aan de gemeenten: ‘laat de Geest u vervullen en zing met elkaar psalmen, hymnen en liedjes die de Geest u ingeeft’ (Efeze 5:18,19). Over dansen sprak hij niet. Wanneer wij een lied zingen, is onze geest bezig met het woord en de gedachten die het tot uitdrukking brengt. Ons gezang heeft een inhoud. Wij zingen zo maar niet alle psalmen of liederen uit de bundel van Johannes de Heer of uit die van Glorieklokken. Wij moeten ermee instemmen.

Wie intens bezig is in de hemelse gewesten, zal zich meestal los willen maken van het zintuiglijk waarneembare. Daarom is er bijvoorbeeld bij gebed sprake van ogen sluiten en handen vouwen. Men kan zelfs de behoefte voelen om zich door vasten geheel aan het natuurlijke leven te onttrekken, om zich te concentreren op het leven in de geestelijke wereld.

In gemeenteverband

In veel evangelische gemeenten wordt wel in de handen geklapt. Hiermee ondersteunt men het ritme van de woorden die gezongen worden, zoals men door het opsteken van de hand het gezongen getuigenis bevestigt. Men kan klappen zonder de aandacht te verliezen bij wat men zingt. Dit blijkt wel duidelijk, omdat men dit bijvoorbeeld bij liederen van aanbidding niet doet. Als gezongen wordt: ‘De Heer is mijn herder’, zal men er niet aan denken om dit lied te onderstrepen door handgeklap. Men doet dit ook niet bij gedragen liederen, waarin bepaalde waarheden worden beleden, zoals: ‘Wij vormen een gemeente die gaat de weg omhoog’. Wel bij overwinningsliederen, waarin de Heer wordt bejubeld en waarin de blijdschap wordt geaccentueerd, zoals bij: ‘Gods lof wil ik zingen’.

In samenkomsten van de gemeente geeft meestal de zangleider aan of er in de handen zal worden geklapt. Hij verwacht dan dat alle leden hieraan zullen meedoen. Men ziet ook wel eens dat sommigen tijdens het zingen gaan staan en in de handen klappen, terwijl het merendeel dan blijft zitten en niet klapt, omdat de zangleider hiervoor geen aanwijzing gaf. Deze individualistische vrijheid werkt meestal storend, omdat de geestelijke eenheid van de gemeente er niet door tot uitdrukking komt. Men ziet deze gewoonte dan ook vaak in samenkomsten waar nog geen hecht gemeenteverband is. Zingen doet men samen, maar ook klappen en staan.

Bij het invoeren van dansen zal men ongetwijfeld constateren dat dit bij velen op bezwaren stuit. Men voelt zich gedwongen, er is een innerlijke afkeer, want het hoort immers ook niet bij de volksaard. Men ging ook niet naar de samenkomst om daar te dansen, maar om Gods woord te horen. Het wordt een opgedrongen manifestatie. Men danst immers ook niet op de bruiloft of op de verjaardag in eigen kring. Wanneer daarom de stoelen aan de kant worden geschoven en een deel van de gemeente toeschouwer wordt, is de goede sfeer juist zoek. Zo zijn er zelfs in het grote pinksterconglomeraat ook samenkomsten waar men niet danst, maar arm in arm ‘wiegt’. Op deze wijze komt men ‘los’. Het doet ons denken aan carnaval of bepaalde dorpsbruiloften, waar wel het geestrijke vocht, maar niet de Geest van de Heer werkt.

Natuurlijke of geestelijke opbouw?

Onder zang, muziek en dans wordt de naamchristen in Babel tegelijkertijd geïnfiltreerd met de ongeestelijke Israëldwaling. Ook hier een duidelijk voorbeeld van de Babylonische verwarring waarin waarheid en leugen door elkaar gemengd zijn. Van een rooms-katholieke charismatische samenkomst schreef het al eerder aangehaalde blad ‘Vuur’ onder het tussen kopje ‘Uit gestijfselde cultuur’:

  • ‘Wanneer je alleen maar aan evenwijdige kerkbanken gewend bent en je maakt zo’n samenkomst voor het eerst mee, merk je pas hoe wij door minutieus uitgewerkte samenlevingswetjes in een harnas zijn gedrongen, de eeuwen door. Een gestijfselde vlag wappert op die Geestesadem toch nooit zo mooi als een soepel dundoek’.

Wij vragen ons af: waardoor kan een gezelschap wel een uur aan tafel zitten om te eten zonder op te staan? Waardoor kan iemand tijdens een concert lange tijd intensief luisteren? Waardoor kan de aandacht van een christen niet geboeid blijven bij de verkondiging van het Woord? Het antwoord luidt: of men heeft geen interesse voor het evangelie van God, of de toespraken zeggen niets meer. De geest wordt niet verrijkt en men hoort altijd hetzelfde. Men wil daarom wel eens wat anders. De hippe jeugd gaat op de grond zitten en discussieert, totdat ze ten slotte dit alternatieve leven ook weer beu is. Dan moeten er andere afleidingen en levensvullingen gevonden worden.

De ware gemeente van Jezus Christus let niet op kerkbanken of stoelen, maar stelt zich in om de gedachten van God over te nemen die geest en leven zijn. Waar men de leer van het Koninkrijk der hemelen niet kent of verwerpt, is de geestelijke ontwikkeling van een christen al spoedig aan haar plafond en deze gaat zich bewegen op het horizontale vlak, hetzij politiek en sociaal of cultureel. Waar de weg afwijkt van Gods doel en men zijpaden inslaat, zal men merken dat deze dingen slechts voor een korte tijd als een surrogaat de geestelijke leegte proberen op te vullen. Wij weten echter dat de boodschap zoals Jezus deze predikte, in alle behoeften blijvend voorziet. Dit is het evangelie dat over de hele aarde gepredikt zal worden en wie dit willen aanvaarden en beleven, zullen nooit meer honger en dorst hebben.