Het sadisme en masochisme van de kerk

Je wordt geboren in een gezin dat elke zondag netjes twee keer naar de kerk gaat. Je ouders hebben je binnen een week laten besprenkelen in hun kerk. Zo ben je volgens hun leer opgenomen in een (vandaag verzonnen) verbond wat God eens met Abraham sloot in het Oude Testament. Voor dàt tijdperk en voordat Jezus Christus geboren was. Door een paar druppels water is je lot bezegeld. Je bent een z.g. verbondskind met God, via Abraham uit het oude testament. Jezus Christus wordt nergens genoemd.

In de eerste paar jaren van je leven leer je een aantal gewoontes: je moet bidden voor en na het eten en aan het eind van de maaltijd wordt een deel uit de Bijbel gelezen. Ook leer je een gebedje wat je zingt voor het slapen gaan. Geen vroom gedoe er om heen, niet op de knietjes voor je bed in de slaapkamer, nee met zijn allen het gebedje zingen in de woonkamer. Als je je afvraagt waarom het daar gebeurde? Moeder (en bij hoge uitzondering vader) had wel meer te doen dan bij elk kind (bijna een tiental!) mee te gaan naar de slaapkamer en daar te wachten tot elk kind zijn gebedje had gezongen. Je mag dan wel een verbondskind via Abraham zijn, maar al die verbondskinderen leren dat een persoonlijke relatie met God van levensbelang is? Nee daar was geen tijd voor en kwam ook nooit ter sprake.

Elke zondag 2 keer naar de kerk. Keurig netjes met het hele gezin. Het programma voor de zondag was een strak plan. Allemaal op tijd opstaan, om 8 uur aan tafel, na het eten begon het uitdelen van het collectegeld (iedereen een gulden) en de 3 pepermuntjes. Als iedereen naar de wc was geweest, toog het gezin naar de kerk. Ver lopen was het niet, maar het was wel een hele vertoning voor de buurt.

Geliefd waren we trouwens niet in de buurt, heel vaak werden we uitgescholden. Maar ja dat hoorde er bij, je was een verbondskind, een ‘kerkgeheiligd’ kind, dat wil zeggen: je was afgezonderd van de wereld en toegewijd aan de God van die bepaalde kerk. En dus liep je mee, op weg naar de kerk. Je zat om 9 uur klaar op een van de voorste banken in de kerk, de hele familie zo keurig bij elkaar. Alleen vader zat er niet bij, die was immers al sinds jaar en dag ouderling, dus hij kwam pas om half 10 met de andere (in zwarte pakken gestoken) ouderlingen en de dominee, de kerk binnen. Zij zaten voorin de kerk op een speciale plaats, waar ze de schare goed konden overzien.

Alles was goed georganiseerd, de kerkdienst verliep keurig volgens een door een synode vastgestelde liturgie. ‘s Middags om half 5 herhaalde zich hetzelfde ritueel, zij het dat moeder dan vanwege de jongere kinderen niet altijd mee kon. Maar vader was er wel, in de ouderlingenbank en heel soms mocht je daar – als enige van het gezin – dan bij hem zitten. Heel even ging je als kind niet meer op in de massa van het gezin, dus was dat één van de weinige persoonlijke momenten, één van de warme momenten in de kerk. Samen met vader. Verder was het daar bitter en koud.

Het was een vanzelfsprekendheid dat je naar de school ging, die dezelfde grondslag had als de kerk: de Bijbel, maar nog belangrijker: de drie formulieren van enigheid. De buurtkinderen gingen allemaal naar de openbare school, dus de haat van de buurt op zondag was er zeker ook door de week.

Bij de gezamenlijke zwemles van de openbaren en de gereformeerden, moest je dus oppassen dat je niet letterlijk kopje onder ging. Maar klagen thuis was er niet bij, je was nu eenmaal een verbondskind, dus geheiligd in de God van de kerk en ja, dat pesten hoorde er bij, dat moest je er voor over hebben als je een kind van God wou zijn van die kerk (niet dat je iets te kiezen had, je was het gewoon vanwege je besprenkeling als baby).

Gereformeerd zijn betekende gereformeerd onderwijs (hoe schaars het toen ook was) en dat offer moest je als ouders, maar ook als kind gewoon brengen. De keus voor een gereformeerde school ging zelfs zo ver, dat als je beter kon leren dan de rest, je in een pleeggezin werd geplaatst in een stad 200 kilometer verder op, zodat je daar het vervolgonderwijs kon afmaken. Niet zeuren, gewoon doen. Het is logisch dat je als opgroeiend kind daarom alleen maar te maken had met dezelfde geloofsgenoten.

Vrienden en familie die naar dezelfde kerk gingen waren welkom, anderen werden genegeerd en de deur gewezen. Dit alles gebeurde onder het mom van ‘je bent geheiligd in de God van de kerk en dus afgezonderd’. Je had het geluk dat allen er zo over dachten, dus was er een soort masochistische gezelligheid van geforceerde afzondering, wekelijkse pakken slaag, kilte en eenzaamheid.

En het toegewijd zijn aan God? Al snel kwam je er achter dat dat in de kerk ten enenmale onmogelijk is. In de kerk leerde je niets anders dan dat dat een taak was, die je eigenlijk nooit helemaal goed zou kunnen doen. Je had immers de zonde geërfd van Adam, je was al vanaf, nee zelfs al vóór je geboorte verdorven en geneigd tot alle kwaad. Wat je ook deed en hoe je ook probeerde om een persoonlijke band met God te krijgen, je zou het Hem nooit helemaal naar de zin kunnen maken.

Geen wonder dat de kerk nooit een evangelie van geloof en bekering heeft kunnen brengen. Geen wonder dat de kerk in uiterlijkheden is vervallen. De kerk streeft wel een vorm van kerkelijke afzondering na, maar het toegewijd zijn aan God? Met een ondoorgrondelijke God van ver weg met verschillende gezichten? Een God die kanker geeft, oogsten doet mislukken en armoede veroorzaakt als een schizofrene despoot (HC. Zondag 10 vr.27)?

En dus zocht men het maar in het twee keer op zondag afgezonderd zijn en op die manier werd het toch nog een beetje gezellig – in die kerk. Een kerk vol sadistische trekjes en tegelijk masochisme: elke zondag kreeg je klappen omdat je het toch nooit goed kon doen, maar de ‘saamhorigheid’ moest al die klappen vergoelijken. Een levenslang ritueel zonder uitzicht. Ja, misschien, later, eens, als je dood bent….

Het meest bizarre is dat, àls dan het moment komt waarop je echt als kind van God wil leven en àls je de keus maakt om je aan God toe te wijden (en dan niet op een soort Roomse, maar op dè christelijke, opnieuw geboren manier) je verbannen wordt. Als je – na jarenlang zoeken – eindelijk de enkel goede God hebt gevonden, kotsen ze je uit de kerk. Je wordt een paria. Eerst willen ze je nog bepraten, ompraten en je van het echte, blijde evangelie afhouden. Maar als je volhoudt dat je in de voetstappen van Jezus wilt lopen, dat je door Jezus hebt leren zien wie de Vader echt is, keren ze zich van je af. Ze willen niets meer met je te maken hebben, je bent niet meer welkom.

Je baan in een gereformeerde instelling ben je kwijt zodra je kenbaar maakt dat je je Bijbels wilt laten dopen IN water. De banden met familie en vrienden worden verbroken, want je hoort niet langer bij het afgezonderde ‘kerkvolk’. Maar dat wil je ook niet meer, je hebt de keus voor Jezus Christus gemaakt, je wilt vanaf nu waarachtig heilig leven. Alle keuzes die je vanaf dat moment maakt, zijn vrijwillige keuzes. Kind van God zijn is niet meer een kwestie van moeten, een situatie waarin je door je geboorte terecht gekomen bent, maar een persoonlijke geloofsdaad.

Het leven is zo ontzaglijk rijk geworden in geestelijk opzicht. De sadistische kerk met haar masochistische  gewoontes heeft geen enkele zeggenschap meer. Jezus Christus met Zijn evangelie van het koninkrijk der hemelen is het echte Levenswater en Levensbrood. Er is geen dwang meer, geen plicht en geen eis. Geen starre dogma’s of belijdenisgeschriften bepalen meer het leven.

De keus om oprecht aan God te zijn toegewijd, heeft tot gevolg dat je afgezonderd raakt van de mensen om je heen (en dus niet andersom zoals in de kerken geleerd wordt). Je eerste, oprechte keus voor Jezus en God zorgt dat je alleen komt te staan, je wordt niet begrepen maar voor arrogant versleten, je wordt met de nek aangekeken. Je wordt nu door iedereen gehaat. Je bent een paria geworden. Een pijniging (Op.11:10). Een insect wat men doodtrapt. 

Maar het is niet iets wat er nu eenmaal ‘bij hoort’, nee het is een vrije keus die je graag wilt maken, het is een manier van Leven. Je komt uiteindelijk terecht in de woestijn, maar je ervaart dat je daar door God zelf onderhouden wordt buiten het gezicht van de slang (Op.12:14). Dat is heilig leven, het is een geweldig mooi leven, je wilt dat never nooit meer missen!