Een volkomen Verlosser – zondag 11 H.C.

  • ‘Want de oefening van het lichaam is van weinig nut, maar de godsvrucht is nuttig voor alle dingen, omdat zij de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven heeft’ (1 Timotheüs 4:8).

Het evangelie ligt al eeuwen onder het stof begraven. Dankzij Gods Geest komt het opnieuw tot openbaring. Het is de boodschap van bevrijding voor gebondenen, zieken, zondaars en voor allen die geketend zijn in banden van de duisternis. Jezus leeft! Hij is dezelfde en doet hetzelfde als wat hij bij zijn leven op aarde deed en leerde. Hij redt, bevrijdt, geneest, doopt en vervult met Gods Geest en leidt de kinderen van God op het pad van de gerechtigheid.

Jezus is een volkomen Verlosser en opnieuw geboren christenen hebben alles in Hem wat voor hun verlossing nodig is. Zij verwachten hun volkomen geluk niet van allerlei (schijn)heiligen, ook niet van henzelf, niet van hun ‘klein beginsel’, maar van de levende Heer, Verlosser en Redder. Zij hebben hun volkomen Verlosser niet alleen voor het toekomende, maar ook voor dit leven. Zelfs al moeten zij lijden om de gerechtigheid (verdrukt worden), toch zijn zij gered, omdat de Geest van de heerlijkheid en de Geest van God op hen rust (1 Petrus 4:14). Dit kan alleen wanneer christenen het goede Bijbelse Fundament in hun leven hebben gelegd. Zij zullen hem dan ook niet alleen met de mond roemen, maar ook daadwerkelijk verwachten dat Hij trouw is en dat Hij het zal doen.

Het ‘evangelie naar de mens’

Wanneer wij verschillende reacties doorlezen en de reacties nagaan op onze artikelen, moet ons van het hart, dat men vaak geen visie heeft op het geloof in Jezus Christus en op welke manier God de genade in een mens uitwerkt. Men gelooft wel dat een vader zijn kinderen alles zal schenken wat voor het onderhoud van het aardse leven nodig is, maar dat de goddelijke Vader ten opzichte van het eeuwige leven hetzelfde doet, verloochent men met de daad, hoewel de Heer zelf zegt: ‘Hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel de Heilige Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden?’ Deze Geest is nodig om het eeuwige leven te onderhouden en tot ontwikkeling te brengen.

Wat is toch eigenlijk de oorzaak van de eeuwenlange onderwijzing dat veel zich christelijk noemenden wel een volkomen Verlosser hebben in de toekomst, maar voor vandaag alleen maar onvolkomen werk van Hem verwachten? Dat er geen blijdschap is onder hen en ook geen overwinning, dat men dank zij deze prediking nog altijd het gevoel heeft onder de vloek te liggen? Dat men het niet van de mens verwacht is Bijbels, maar heeft men ooit de positieve boodschap gehoord, dat Christus die nu met zijn werk aan een christen begint, ook nu volkomen zijn doel wil bereiken? God wil heel onze geest, ziel en lichaam heilig en onberispelijk bewaren (1 Thess.5:23).

Men heeft dit alles niet tot zich genomen, niet geaccepteerd, omdat men er niet in het geloof naar gezocht heeft. Men spreekt wel over een volkomen Verlosser in verband met de roomse heiligenleer, maar in werkelijkheid gelooft men er zelf ook niet in. Hele streken in ons land dragen daarom het rouwkleed en niet het feestgewaad dat de Heer schenkt aan degenen die Hem liefhebben. Men heeft geen evangelie van geloof, maar een evangelie naar de mens, namelijk naar wat deze waarneemt met zijn zintuigen. Men spreekt over God en de duivel, over zonde en zaligheid, over waarheid en leugen, maar een concrete scheiding is er in het leven niet. Men kan niet meer spreken over de duisternis die men ontvlucht is of over de redding die men ontvangen heeft.

Men gelooft niet onomstotelijk wat God gezegd heeft en wat door het geloof werkelijkheid wordt, maar meer wat men bij zichzelf en anderen zintuiglijk kan waarnemen. Dit laatste betekent dan zonde, struikeling en nederlaag, terwijl de overwinning alleen verkregen wordt door standvastig te volharden in het geloof, dat Hij die de beloften gegeven heeft, trouw is en het ook doen zal. Velen vallen af omdat zij niet meer geïnteresseerd zijn in een leer, die de mens in wezen niet verandert, die geen volkomen verlossing of geluk biedt voor vandaag en daarmee ook geen garantie voor de toekomst. Men ziet niet meer het licht van het evangelie van de heerlijkheid van Christus (2 Cor.4:4). De woorden rechtvaardigen, heiligen, priesters, koningen, erfgenamen, zonen van God, kennen zij wel, maar alleen als klanken die nu eenmaal in de Bijbel staan, maar die zinloos geworden zijn omdat de leer hun weerhoudt zich deze rijkdom in het geloof toe te eigenen. Hun aardse leiders zijn immers al ‘heilig!’

De vraag is: heeft Christus geleden, is hij gestorven en is hij opgewekt om volgelingen te krijgen die in hun manier van leven weinig verschillen van een gewone wereldburger? Is het resultaat van ‘om zijn moeitevol lijden zal hij het zien tot verzadiging toe’ gerealiseerd in een aantal fatsoenlijke burgers? Verandert Christus de mens of doet Hij dit niet? Wij stellen de vraag niet of wij door onze inspanning iets goeds tot stand kunnen brengen, maar of de Heer het kan. Wanneer Hij geen zondaars meer verlost, wanneer Hij ons niet werkelijk bevrijdt van alle ongerechtigheid, wanneer Hij ons niet echt vrij maakt van de macht van de zonde, wanneer Hij de zieken niet geneest zoals Hij gewend was te doen, wat verwachten wij dan nog van Hem? Als Hij wel degene is waar Hij zich voor uitgeeft, mogen wij Hem dan beperkingen opleggen? Belet dan onze zwakheid zijn kracht, onze gebondenheid zijn bevrijdende verlossing, onze zware ziekte zijn genezing? Of is het waar dat er in redding, heiliging en genezing geen grenzen zijn aan Jezus’ macht?

Het getuigenis van Abel

Het evangelie van geloof en het evangelie ‘naar de mens’ verdragen elkaar niet. Het eerste gelooft dat het bloed van Jezus Christus niet alleen de schuld heeft betaald, maar ook reinigt van alle zonden. Het gelooft dat zo’n gereinigde, gedoopt en vervuld met Gods Geest, ook in alle waarheid door die Geest geleid wordt en daardoor geheiligd en van dag tot dag meer verandert naar het beeld van Hem die hem geroepen heeft. Het evangelie naar de mens echter vervult wel zijn religieuze plichten, kent inspanningen, heeft goede voornemens, maar handelt slechts naar wat voor ogen is.

Zo stonden in het begin twee mannen tegenover elkaar. Abel wees op het bloed van het plaatsvervangend Lam, geloofde in zijn rechtvaardigheid en ontving daarvan getuigenis. Dit had Kaïn niet. Ook hij kwam met een offer door moeitevol werk verzameld, maar zonder geloof daardoor ook werkelijk gerechtvaardigd te zijn. Hij ontving daarvan ook geen getuigenis. Zijn werken bleven slecht, terwijl God het geloof van Abel uitwerkte in diens leven, zodat zijn werken rechtvaardig waren. Abel heeft de vreugde gekend van het koningschap en het priesterschap. Hij kon het uitjubelen tegen zijn broer: ‘ik weet dat mijn Verlosser leeft.’ Hij wist zich vrij, een rechtvaardige. Dit is het waarom zijn broer kwaad werd en zei:

  • ‘Jij, Abel, jij een rechtvaardige? Nee, jij bent net als ik. Wij zijn en blijven allemaal zondaars! Alleen God is rechtvaardig en niemand anders. Je bent een stiekemerd, een huichelaar en een hoogmoedig mens. Je telt je zonden niet en dat is je grootste zonde. Je hebt gemis aan zondebesef!’

Maar Abel hield vol, want hij zag op het bloed van het geslachte Lam. God deed ieder naar zijn geloof. Abel hoorde bij degenen die door het geloof gerechtigheid werden en Kaïn vermoordde zijn broer, omdat zijn werken slecht waren en die van Abel rechtvaardig (1 Joh.3:12).

Waarom christenen genoemd?

In Antiochië werden leerlingen het eerst christenen genoemd. Wat betekent dit? Zij waren eigendom van Christus geworden, als een vrouw van haar man (Rom.7:4). Zij waren met Jezus verbonden als aan één man (2 Cor.11:2). Christen zijn betekende niet bij één of andere kerk horen, lid van een beweging te zijn, maar met Christus gestorven te zijn, met Christus begraven te zijn en met Hem te zijn opgewekt. Hun leven was met Christus verborgen in God. Zij waren met Christus erfgenamen. Zij hadden in Christus een plaats in de hemelse gewesten. Zij zouden met Hem heersen. Zij deelden dood en leven met Christus. Al het Zijne was van hen en alles wat zij bezaten was van Hem.

De gemiddelde Nederlandse kerkganger zou onder deze eerste christenen een curiositeit geweest zijn, ondanks al zijn aangeleerde dogma’s en zijn theologische kennis. Die eerste christenen waren zo doordrongen van de volkomen rijkdom die zij in Christus hadden, dat een gevangen Paulus tegenover een machtige koning Agrippa getuigde:

  • ‘Ik zou God willen bidden dat niet alleen u, maar allen die vandaag naar mij luisteren, worden als ik, afgezien dan van deze boeien.’

Hun geloof steunde bij alles wat zij deden, in hun strijd tegen zonde, ziekte en duisternis, op de woorden van Jezus:

  • ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’ En: ‘Ik ben met u alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld!’