Een begrafenis in de familie

De dominee spreekt tijdens de begrafenis over:

  • “Wie gelooft, heeft eeuwig leven. God heeft de overledene geroepen uit dit leven om hem het leven te geven dat Hij belooft.”

Dan komt er een familielid met een dankwoord en een gedicht. Op de terugweg in een van de auto’s ontwikkelt zich het volgende gesprek: ‘Dominee, wanneer begint volgens u het eeuwig leven?’ De dominee veert op, verrast. Het overkomt hem waarschijnlijk niet op alle begrafenissen dat hem zo’n vraag wordt gesteld. Voorzichtig gaat hij terrein verkennen:

  • “U bedoelt misschien: eeuwig leven is eeuwig leven, dus het begint eerder dan…”

In deze auto van treurigheid komt het woord ‘dood’ hem niet over de lippen. Z’n gesprekspartner helpt: ’…eerder dan het sterven’. Ja, de dominee knikt, dat bedoelt hij. ‘Dominee, u zei net immers:

  • “God heeft de overledene uit dit leven geroepen om hem het leven te geven, dat Hij belooft.”

Hoe zit dat dan, heeft de overledene het nu pas gekregen of had hij het al? En u zegt ‘geroepen, God heeft geroepen’, roept God nu pas, nu hij overleden is… ?’ De dominee zegt verbaasd:

  • “U hebt goed geluisterd.”

Dan zegt hij:

  • “Ja, je probeert deze dingen onder woorden te brengen, het blijft moeilijk, vooral bij een sterfbed.”

‘Maar dominee, wat u zei past ook op bij het gedicht dat werd voorgelezen. Er werd gezegd dat God een punt achter dit leven heeft gezet. Gelooft u, dat God dat doet en dan nog wel met zo’n sluipmoordende ziekte als kanker?’ Even stilte. Dan is er de glimlach van de dominee en hij wordt gewoon een aardige man, die in een paar zinnen vertelt hoe hij als kleine jongen zijn moeder verloor door een ongeluk. Hoe hij op al zijn vragen daarover het met deze antwoorden moest doen:

  • “God heeft haar thuisgehaald, God vond het beter zo, God heeft haar het aardse lijden willen besparen, enz”

Hij bekent:

  • “Ik heb nooit geloofd, dat God zo wreed kon zijn om een vierjarige jongen van zijn moeder te beroven.”

‘Maar’ en daar spreekt weer de dominee:

  • “De Voorzienigheidsgedachte is een zekerheid die ons geslachten lang is meegegeven.”

‘Wat bedoelt u met voorzienigheid, dominee?’

  • “Voorzienigheid in de betekenis van: God doet plotselinge en onbegrijpelijke dingen in je leven, fijne dingen en afschuwelijke dingen, waarmee Hij zijn wijze bedoelingen heeft” (Zondag 10).

‘Ja, dominee, er zijn veel mensen die dat geloven’.

  • “O, u gelooft dat niet? U gelooft dat bij God geen kwaad vandaan komt, u gelooft dat God goed is en enkel goed doet? Dat geloof ik ook wel, maar u maakt het wel erg absoluut. Zo gesteld zijn nog niet alle levensvragen en trieste gebeurtenissen verklaard. Wij houden immers onze beperktheid als mens…”

‘Ja maar dominee, ik kan een auto-ongeluk veroorzaken doordat ik verkeerd reageer. Dan kun je vragen: hoe komt het dat ik verkeerd reageerde?’

  • “Ja, ja, u houdt dus rekening met de macht van het kwade” (dit zegt de dominee!), maar hij vervolgt: “zelfs als je deze factor erbij betrekt, dan nog blijft onze beperktheid, onze feilbaarheid, ons tekortkomen.”

‘Maar dominee, zou het Gods bedoeling zijn, dat wij een leven lang beperkt en feilbaar en tekortkomend blijven? Zou een goede God niet juist daarvoor ook een goede oplossing hebben?’

Einde van de rit. Einde van het gesprek. Begin van een verwijzing naar artikelen over de enkel goede God en de dwaling van de Erfzondeleer en uitverkiezing op deze site.