Aardsgericht denken

Hemelburgers

Het is alweer heel wat jaren geleden dat ik in een forum zat, dat door een reformatorische studentenvereniging was uitgenodigd om over de pinksterbeweging te discussiëren. Toen ik tijdens dit gesprek opmerkte dat wij ‘burgers zijn van een rijk in de hemelen’ en een plaats hebben in de hemelse gewesten, voegde een zwaar orthodoxe predikant mij spottend toe:

  • ‘Als u al in de hemel bent, wat doet u dan eigenlijk nog op aarde?’

Een begrijpelijke vraag van een natuurlijk mens. Bovenstaand voorval kwam in mijn herinnering, toen ik het kwartaalblad van de Broederschap van pinkstergemeenten, las. In een artikel ‘Pneumatologie’ gaf een Rotterdamse pinkstervoorganger een verklaring van Efeziërs 2:5,6 waar staat: ‘Hij heeft hij ons, die dood waren door onze zonden, samen met Christus levend gemaakt. Ook u bent nu door zijn genade gered. Hij heeft ons samen met Hem uit de dood opgewekt en ons een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus’. Ik neem het volgende over:

  • ‘Hoeveel dwalingen zijn er, uitgaande van juist déze tekst, ontstaan! Bepaalde opvattingen willen ons doen geloven dat wij (of althans een deel van ons mens-zijn) niet meer op aarde zijn (is), maar ‘wandelen’ in de hemelse gewesten. Laat er op dit punt klare wijn geschonken worden! Paulus zegt dat wij wel in de wereld zijn maar niet ván de wereld. Geheel ons lichaam, ziel en geest zijn op de aarde; letterlijk. Hoe moeten wij nu verstaan dat wij een plaats hebben in de hemelse gewesten? De sleutel tot de oplossing wordt ons aangereikt als we opmerken dat er staat dat wij ‘in Christus Jezus’ mede een plaats hebben gekregen in de hemelse gewesten. Hoewel wij zelf op aarde zijn, zijn wij in Christus daarboven vertegenwoordigd. Wij zijn hier op aarde ambassadeurs van Christus; Hij vertegenwoordigt óns voor Gods aangezicht’.

Wanneer iemand de hemel als een verblijf beschouwt, dat ergens ver ‘boven’ de aarde en sterren gesitueerd is, heeft hij deze gewesten tot een verlengstuk van de zichtbare aarde gemaakt. De godsstad heeft dan straten van goud en poorten van parels in natuurlijke zin. Je kunt deze stad dan bereiken door een hemelvaart, waarbij het ‘zwarte gat’ dat boven de Noordpool moet zijn, de toegang vormt. Het is duidelijk dat wij bij zo’n opvatting niet in de hemel kunnen zijn, maar er later na ons sterven nog eens hopen te komen of misschien bij onze ‘hemelvaart’ in ondeelbaar ogenblik.

De voorganger merkt op:

  • ‘Wij zijn hier helemaal nog op aarde, maar Jezus is naar de hemel gevaren en die is daar onze vertegenwoordiger bij de Vader.’

Het lijkt mij het beste om eerst eens te zeggen wat de Bijbel onder hemelse gewesten verstaat. Het woord ‘dwaling’ wordt zo gemakkelijk door onkundige mensen gebruikt! De hemelse regionen of het hemelse omvat alles wat bij de geestelijke wereld hoort. De aanduiding ‘hemelse gewesten’ komt uitsluitend voor in de Efezebrief en was kennelijk voor de lezers een staande uitdrukking. Zij vormen de onzienlijke wereld met haar heilige engelen. Daar is de hemelse Vader en zijn Zoon, maar ook de satan met zijn legers.

Paulus geeft geen aardrijkskundige aanduidingen, zoals de Joden en bepaalde fundamentalistische christenen dit deden en doen. Hij beschreef de hemel als een onzichtbaar krachtenveld met ontzaglijke realiteiten van geestelijke wezens, die enorme invloed uitoefenen op de aardse structuren en die door hun contacten het wel en het wee van de mens bepalen. Jezus noemde de hemelse gewesten: ‘Het Koninkrijk der hemelen’ en Hij maakte daarbij onderscheid tussen het Koninkrijk van God, of van de Vader en dat van de satan. Met onze inwendige mens, onze ziel en geest, bevinden wij ons uiteraard al in de onzienlijke wereld. Er is zelfs sprake dat wij naast ons natuurlijk lichaam, ook een geestelijk lichaam bezitten (1 Cor.15:44). ‘Wij hebben een gebouw van God, in de hemelen’ (2 Cor.5:1).

Bij een geboorte komt een kind uit de schoot van zijn moeder in de natuurlijke wereld en ziet daar voor het eerst het levenslicht. Bij de wedergeboorte komt het geestelijke lichaam uit de duisternis in het licht van het hemelse Jeruzalem. Dit is dan de moederstad van de herboren mens (Gal.4:26).

Wat wil dit reëel voor ons zeggen? Dat wij door de vernieuwing van ons denken, dus vanuit de woorden van God, daar onze plaats hebben ingenomen. Wij zijn immers ‘wedergeboren, niet uit vergankelijk zaad, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God’ (1 Petr.1:23). De bepaling ‘in Christus Jezus’ geeft aan, dat God de redding alleen schenkt aan hen, die met de Heer Jezus gemeenschap hebben, dus aan hen die in zijn woorden blijven. Het beste is daarom te lezen ‘in Christus Jezus zijnde’. Dan zijn ze in zijn lichaam, waarvan Hij het hoofd is.

Men is in de hemelse gewesten, als men bedenkt wat ‘boven’ is. Een natuurlijk mens en een aardsgericht christen komen wel met de geestelijke wereld in aanraking, maar zij zijn zich dit niet bewust en houden er ook geen rekening mee. Het is duidelijk dat de voorganger een scheiding maakt tussen het Hoofd en zijn lichaam. Ze horen bij twee aparte werelden. Wij bevinden ons volgens hem helemaal op de aarde en Jezus is helemaal in de hemel. Hoe kunnen wij dan echter met volle vrijmoedigheid in het hemelse heiligdom – dat is het Koninkrijk van God – binnengaan, als wij alleen maar op de aarde zijn? (Hebr.10:19-22). Jezus bad:

  • ‘Vader, Ik wil dat WAAR Ik BEN, OOK zij bij Mij zijn die U Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid zien, die U Mij gegeven hebt, omdat U Mij hebt liefgehad vóór de grondlegging van de wereld.’ De broer van de Heer schreef: ‘Nader tot God en Hij zal tot u naderen’ (Jac.4:8).

Hoe zou dit kunnen, als Hij in de hemel is en wij alleen op de aarde zijn? Waar is dan het ontmoetingspunt? Uitgaande van de tekst in Efeziërs 2:5,6 zijn er veel dwalingen ontstaan, waarvan de voorganger wel een zeer grote poneert. Wij kunnen haar vermijden door geestelijk te denken, want de Bijbel is een geestelijk boek.

Pneumatologie betekent in het normale spraakgebruik de leer over de geestenwereld, dus die over het Koninkrijk der hemelen. Hoe kunnen wij een strijd in de hemelse gewesten tegen de boze geesten voeren, als wij ons daar niet bevinden? (Ef.6:12). Hoe kunnen wij het bevel van Jezus om demonen uit te werpen, opvolgen, als wij voor honderd procent met ‘heel ons lichaam, ziel en geest op de aarde zijn; letterlijk’? Hoe kunnen wij dan ons hart nog verheffen tot God, hoe nog bidden, als wij niet bezig kunnen zijn in de hemelse gewesten, maar geheel en al aan de aarde zijn gekluisterd? Laat men dan de wijn zó klaar schenken, dat men openlijk belijdt aan de geestelijke wereld – en ook aan het geestelijke Israël wat hiermee verband houdt – niet toe te zijn.

De voorganger leert dat wij tijdens ons aardse leven het Koninkrijk der hemelen niet kunnen binnengaan. Wij zouden daar alleen een vertegenwoordiger hebben in de persoon van Jezus. De toekomst zal leren dat met zo’n visie ook een aardsgericht pinkstervolk niet bestand zal zijn tegen de demonie, die bezig is zich ten volle in deze wereld te openbaren.

Ik merk nog op, dat ik de uitdrukking: wij zijn wel in de wereld maar niet van de wereld, nergens bij Paulus ben tegengekomen (vergelijk hiermee echter Joh.17:11,14). Wel schrijft de apostel:

  • ‘Als u met Christus afgestorven bent aan de wereldgeesten, waartoe laat u, ALSOF u in de wereld leefde, geboden opleggen’? (Col.2:20).

Dit sterven ‘met Christus’ is voor de christen reëel in de geestelijke wereld, net als zijn opstanding waarover Efeziërs 2:5,6 spreekt. Wie haar voor waar houdt, zal ook erkennen dat voor Paulus niet meer het leven op aarde, maar het leven in de hemelse gewesten het voornaamste was.