Aantasting van het fundament

In de Bijbel is geen geloofsbelijdenis opgesteld, waarmee men moet instemmen of die de ware christen moet ondertekenen. Maar als de mens het doel van zijn geloof wil bereiken, dat is de volkomenheid en het behoud van zijn ziel, dan zal hij de weg ten leven moeten gaan. De Bijbel spreekt over een fundament, dat onder ieders leven hoort te liggen en dus onder de gemeente van God. Paulus had dit fundament in de gemeente gelegd en hij schreef: ‘Een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen’ (1 Cor.3:11). Op dit fundament moet de tempel van God verrijzen. Niet in het aardse Jeruzalem, maar in het hemelse, in de stad van God. Het is de satan echter alle eeuwen door gelukt is om dit fundament te verbreken, te beschadigen en te vernielen. Waar het Bijbelse fundament niet gelegd werd kon het huis van God niet gebouwd worden. Het is daarom geen wonder dat men na tweeduizend jaar christendom nog zit bij de puinhopen en ruïnes van het huis van God, de gemeente.

In Hebreeën 6:1 en 2 wordt over deze eerste beginselen van het christendom gesproken. Wanneer dit fundament gelegd is, kan de mens en de gemeente volgens de apostel Paulus, ‘zich richten op het volkomene’. Wanneer het ware fundament ontbreekt, is deze geestelijke volwassenheid niet te realiseren en het valt op dat het streven naar de volmaaktheid bij praktisch alle kerkmensen als een hersenschim gezien wordt. Ware gelovigen verliezen echter dit doel niet uit het oog en zullen zich daarom allereerst bezig moeten houden met het fundament en dit weer herstellen.

Bekering van dode werken

De eerste stap die de mens moet doen om op de levensweg te komen, is dat hij zich bekeren moet. Hoe komt de mens tot deze stap? Hij hoort het Woord van God verkondigen en hoort de beloften van het evangelie (Rom.10:14,15). Dit wordt voor hem de reden om met het oude, zondige leven te breken. Hij keert zich af van het kwade en richt zijn geest tot God. Er staat: ‘Zovelen Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden’. Het geloof, dat een functie van de menselijke geest is, aanvaardt dat Jezus voor de zonde van de wereld gestorven is en eigent zich deze redding toe. De mens weet zich van zijn schuld bevrijd en daarom kan Gods Geest contact met zijn geest hebben. Uit deze gemeenschap wordt de nieuwe mens geboren. De bekering is mogelijk, omdat Jezus Christus als Lam van God voor de zonde van de hele wereld gestorven is. Daarom is Jezus het fundament van de bekering.

De vijand heeft dit deel van het fundament aangetast en weggebroken. In de geschiedenis van de kerken hoort en leest men zelden of nooit over bekering en opnieuw geboren worden. Door de Uitverkiezingleer komt men er zelfs toe te beweren, dat een mens zich niet bekeren kán. De Dordtse leerregels leren dat de mens ná(!) zijn opnieuw geboren zijn zich gaat bekeren. Volgens deze geschriften moet men deze genade eerst bezitten, voordat men zich bekeren kan. Op deze manier maakt men de woorden van God krachteloos, die de mens oproepen: bekeer u en breek met het kwaad. Ook spreekt men van verbondsmatige bekering en maakt zo het opnieuw geboren worden tot een theologisch begrip zonder enige vaste inhoud. Wanneer men de kerkgangers vraagt: ‘Geloof je dat Jezus voor je zonden gestorven is?’ krijgt men van velen met moeite een positief antwoord. Op de vraag: ‘Weet je dat je een kind van God bent?’ krijgt men bijna altijd te horen: ‘Dit zou ik niet durven zeggen’ of: ‘dit kun je toch niet weten!’

Geloof in God

De zon van de gerechtigheid

Wanneer iemand Jezus aangenomen heeft, aanvaardt hij dat zijn zonden vergeven zijn. Hij weet zich een rechtvaardige door het geloof in deze schuldvergeving. Hij gelooft dat hij heilig en rein is. Door dit geloof belijdt hij een nieuwe schepping te zijn, erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Jezus Christus. Door dit geloof aanvaardt hij dus het principe van de nieuwe mens. Deze heeft geen contact met de boze geesten en verwacht niets meer van zichzelf. De oude mens is met Christus gestorven. Zoals Jezus vrijwillig zijn leven aflegde, zo heeft ook de opnieuw geboren mens zijn oude, natuurlijke leven vrijwillig afgelegd. Hij geeft het in de dood om een nieuw leven te leiden, dat is de wandel in de hemel. Ook dit deel van het fundament is aangetast. Men belijdt niet, dat men een rechtvaardige is, maar wel dat men een zondaar tot zijn dood blijft; dus tot het einde verbonden met de demonen. Men leeft niet meer uit het geloof in de beloften van God. Jezus zei dat de gelovigen zieken de handen op zouden leggen tot genezing, dat zij duivelen zouden uitwerpen en in Hem zouden verheerlijken.

In God geloven betekent: alles geloven wat Hij gesproken heeft en al zijn beloften aanvaarden. Men zegt echter, dat de heerlijkste beloften voor vroeger waren en bevrijdingen en genezingen voor ‘toen’. Niet alleen de kerken, maar ook de evangelische richting, die beweert het Woord van God lief te hebben, veracht vaak de grote opdracht van Jezus uit Marcus 16:15-20. De Heer voorzag deze verwerping van zijn woorden, daarom zei Hij: ‘Maar als de Mensenzoon komt, zal Hij dan het geloof vinden op de aarde?’

De doop IN water

De Hebreeënschrijver spreekt over een leer van dopen. Het woord dopen is hier geen werkwoord, maar een zelfstandig naamwoord. Wij willen op TWEE DOPEN wijzen: de doop IN water en die in Heilige Geest. Bij de doop in water getuigt de mens door een uiterlijk teken van wat er in de onzienlijke wereld met hem gebeurd is. Het oude is voorbijgegaan en het is alles nieuw geworden. De waterdoop is dus een belijdenis voor God en de engelen en voor de mensen in de zichtbare wereld van zaken, die in de onzichtbare wereld met de mens gebeurd zijn.

Van dit gedeelte van het fundament is bij de meeste kerkmensen niets meer over gebleven. De Bijbel zegt: ‘Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden’. Door de invoering van de babybesprenkeling wordt van de dopeling geen geloof meer gevraagd. De Bijbel stelt: ‘Bekeer u en ieder van u laat zich dopen’. Bij de babybesprenkeling is geen sprake van bekering. De Bijbel spreekt over de doop als bad van het opnieuw geboren zijn. De babybesprenkeling kent geen opnieuw geboren zijn, maar moet hoogstens bouwen op een veronderstelling; dus niet op een zekerheid. Bij de babybesprenkeling denkt men niet aan sterven en opstanding, noch aan de besnijdenis van het hart en een gebed van een goed geweten. Men heeft de doop volkomen van zijn inhoud beroofd. Het is een ijdele vertoning, waarbij men de uitgevonden namen van Vader, Zoon en Heilige Geest als 3/3e personen misbruikt. De babybesprenkeling is een zaak van vlees en bloed, een zaak van ouders en natuurlijke afstamming, terwijl de Bijbel zegt: ‘Die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn’. Paulus schreef: ‘Want een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen’. Er is geen ander fundament dan de Bijbelse doop door onderdompeling van de gelovigen. Nooit kan de ware kerk verrijzen op een bedrieglijk schijnfundament.

De doop in Heilige Geest

De doop in Heilige Geest is een Bijbelse zaak. Johannes zei: ‘Die zal u dopen in Heilige Geest (en vuur)’. Jezus is het fundament, want Hij is de doper. Daarom zijn waterdoop en Geestesdoop twee afzonderlijke zaken. De doop in Heilige Geest leidt tot een huwelijksgemeenschap. De geest van de mens wordt met Gods Heilige Geest verbonden. ‘Die zich aan de Heer hecht, is één geest met Hem’. De menselijke geest en de goddelijke Geest moeten in volkomen harmonie met elkaar verkeren in de tempel van God, dat is in de nieuwe, opnieuw geboren mens. De inwonende Heilige Geest wil zijn gaven en krachten in de ware gelovigen ontplooien en de geestelijke gaven zijn onmisbaar tot opbouw. De doop in Heilige Geest wordt aangetast door de bewering, dat de mens bij zijn opnieuw geboren zijn ook automatisch de Heilige Geest ontvangt. Geboorte en huwelijk zijn twee verschillende zaken. Jezus sprak tot degenen die Hem liefhadden en zijn woord bewaarden: ‘Wij zullen tot Hem komen en bij Hem wonen’.

Wie de doop in de Heilige Geest niet aanvaardt, tast het fundament aan. Bij deze doop horen ook de gaven van de Geest, zoals het spreken in talen. Het pinksterteken duidt dit al aan: ‘Er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden en het zette zich op ieder van hen’. Deze tongen waren niet van vuur, maar áls van vuur, dat wil zeggen dat het een teken was uit de onzienlijke wereld. Het spreken in talen is immers niet voor de aarde, maar voor de hemel. De doop in Heilige Geest is een gebeuren in de onzichtbare wereld. Daar heeft het spreken in talen zijn functie, hoewel het op aarde wordt geconstateerd. ‘Zij werden allen vervuld met Heilige Geest en begonnen met andere talen te spreken’. Jezus had immers al gezegd dat de gelovigen in talen zouden spreken. Dìt begeleidende verschijnsel wordt in de kerken vaak ontkend, veracht en bespot. De doop in Heilige Geest is nog steeds een steen waaraan men zich stoot, maar het is een onmisbare steen in het fundament van de tempel van God.

Oplegging van de handen

De oplegging van handen is steeds om een zegen mee te delen. Ook dit is een onmisbaar deel van het ware fundament. Wanneer men de handen op iemand legt, claimt men hem voor het Koninkrijk van God. Ook Jezus deed dit bij de kinderen, die tot Hem gebracht werden en dit wordt ook gedaan in gemeenten die het eeuwig evangelie hebben vastgehouden. Men legt iemand de handen op bij de doop in Heilige Geest. Jezus verbindt zijn zegen aan dit opeisen door zo’n persoon op dat ogenblik te dopen in Gods Geest. Men legt de handen op wanneer men iemand in de naam van Jezus bevrijdt en verlost van de inwonende boze geesten of hem geneest. Bij zijn bekering breekt de mens met de demonen buiten zich, maar bij de verlossing worden de demonen die in hem wonen, uitgedreven.

Van dit deel van het fundament is in de kerken zo goed als niets meer overgebleven. Maar bij het opleggen van handen gaat ook de pinksterbeweging uit elkaar. Men wil nog wel de handen op een lichamelijk zieke leggen tot genezing, maar heeft geen inzicht in bevrijding en verlossing. Men meent dat een kind van God niet gebonden kan zijn en daarom wil men zelf niet bevrijd worden en komt dus aan de bevrijding van een ander niet toe. Men legt wel de handen op tot genezing van het lichaam, maar niet tot genezing van de ziel die aangetast is. Er wordt zelfs geleerd, dat men een bezetene, een geesteszieke, de handen niet mag opleggen. Door gebrek aan inzicht wordt dus de geesteszieke dit helend en genezend deel van het fundament onthouden. Let erop, dat men de demonen niet de handen oplegt, maar de zieke mens om hem te bevrijden en te verlossen. 

Opstanding van de doden

‘Ik ben de Opstanding en het Leven, wie in Mij gelooft zal leven ook al is hij gestorven’ (Johannes 11:25)

De leer van de opstanding van de doden hoort bij het fundament; dus bij de eerste beginselen en het onvolkomene. Duidelijk is dat hier dus niet bedoeld wordt de lichamelijke opstanding op de jongste dag, want dit is het sluitstuk van de algehele voltooiing van de tempel van God. Bij het fundament wordt gewezen op de geestelijke opstanding. Ware christenen zijn opgestaan tot een nieuw leven. Jezus zei: ‘Het uur komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen en die haar horen, zullen leven’ (Joh.5:25). ‘Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden’ is de roep van het evangelie. De Bijbel zegt: ‘Wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde’. ‘Als wij samengegroeid zijn met wat gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn met wat gelijk is aan zijn opstanding’ (Romeinen 6:5,7).

De inwendige mens is dus bij het opnieuw geboren worden opgestaan uit de dood tot het leven. Hij is overgegaan van de duisternis naar het licht. Daarom is het onmogelijk dat de inwendige mens, dus ziel en geest, kunnen sterven. Ook hier valt de scheiding op, er zijn namelijk schijnchristenen die de zogenaamde zielenslaap verkondigen. Men leert dat de ziel sterft en dat de hele mens bij zijn sterven dood is. Als dit waar was, zou men het volgende zien: de inwendige mens komt bij het opnieuw geboren worden uit de dood tot het leven en staat op uit de doden. Hij zou dan weer opnieuw sterven en op de jongste dag voor de tweede maal opstaan. Jezus zei echter, dat de gelovige de dood in eeuwigheid niet zien zal en ook niet proeven (Joh.8:51,52): ‘Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven en iedereen, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft u dat?’ (Joh.11:25,26).

Men schrijft: ‘God alleen heeft onsterfelijkheid’. Maar de engelen dan? Zijn deze wel sterfelijk? In 1 Timotheüs 6:16 staat geschreven over Hem, die alleen onsterfelijkheid heeft. Er wordt bedoeld dat God, die Geest is, alleen onsterfelijkheid heeft in tegenstelling tot de mens, die deels sterfelijk (zijn lichaam) en deels onsterfelijk (ziel verbonden met de geest) is. Tegen Adam is gezegd: ‘Op de dag dat u van de boom van kennis van goed en kwaad eet, zult u zeer zeker sterven’. Maar er is ook een boom van het leven en wie daarvan eet, zal eeuwig leven. Jezus zei: ‘Ik ben het levensbrood. Als iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven en wie er van eet, zal niet sterven’ (Joh.6:48-51).

Jezus is de Levensboom, waarvan wij gegeten hebben! Wanneer iemand begraven wordt, is hij voor hen die achterblijven zogenaamd dood, maar voor God die in de onzienlijke wereld is, leeft hij (Lucas 20:38). Daarom tast de leer van de zielenslaap het fundament aan, dat is Jezus Christus. Zij leert dat de mens, die opgestaan is, opnieuw sterft. Paulus schreef: ‘Want een ander fundament dan er ligt, namelijk Jezus Christus (die de opstanding in ons leven bewerkt), kan niemand leggen.’

Het eeuwig oordeel

Het laatste oordeel – De boeken geopend

Het eeuwig oordeel is de scheiding tussen de duisternis en het licht, tussen het goede en het kwade. Dit oordeel is al begonnen. De scheiding begint immers bij het huis van God. Wij zijn getrokken uit de duisternis en overgezet in het Koninkrijk van Gods geliefde Zoon. Wanneer de Hebreeënschrijver spreekt over het eeuwig oordeel, bedoelt hij niet het laatste oordeel. Want dat heeft weer te maken met het volkomene en niet met de eerste beginselen. In de oordeelsdag wordt definitief in de hemel en op de aarde de eeuwige scheiding voltrokken tussen het goede en het kwade. Er is geen verzoening mogelijk tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad. Alleen scheiding is mogelijk en daarom is de leer van de alverzoening een vervloekte dwaling.

In het christenleven begint het oordeel al bij de besnijdenis van het hart en niet die naar het vlees, waar er scheiding komt tussen goed en kwaad. Paulus schreef: ‘Het hechte fundament van God heeft dit merk: De Heer kent de zijnen en: Iedereen, die de naam van de Heer noemt, breekt met de ongerechtigheid’ (2 Tim.2:19). Wanneer er in het leven scheiding is tussen goed en kwaad, dan is duidelijk herkenbaar wie bij God hoort. Aan de menselijke zijde geldt: er is een breuk met de ongerechtigheid gekomen. De Heilige Geest overtuigt immers van zonde, van gerechtigheid en van oordeel, dat is scheiding tussen goed en kwaad. In een boek over de zielenslaap stond deze zin: ‘Er is dus in de dood geen scheiding tussen goeden en kwaden; geen hemel en hel met een kloof ertussen. Die scheiding gaat komen, op de jongste dag’.

Duidelijk wordt dus hier het fundament aangetast want er is sprake van een eeuwig oordeel, dat nu al begint, zoals er ook sprake is van een eeuwig leven dat hier begint. Ware gelovigen zijn geroepen tot heiliging, dat wil zeggen tot afzondering en scheiding van het kwade. Zonder deze heiliging zal niemand God zien. Daarom is het oordeel er nu! Jezus zei: ‘Nu gaat er een oordeel over deze wereld’.

Opnieuw geboren christenen willen het hele fundament rond hebben, inclusief het waarmerk. Daarom moet het gelegd worden in ieder persoon afzonderlijk. Waar het geheel of gedeeltelijk ontbreekt, kan Gods Geest niet verder bouwen. Niemand kan ongestraft het fundament aantasten, want daarmee tast hij Jezus Christus aan en het plan voor de bouw van de tempel, waarvan God de kunstenaar en bouwmeester is.