Bedankt van Anja!

Daar is Anja. Vijftien jaar is ze. En van die vijftien jaar heeft ze er twaalf doorgebracht bij – ik weet niet hoeveel – pleegzorggezinnen. Anja leeft alleen voor zichzelf, helemaal in zichzelf. Tegenover iedereen neemt ze de houding aan: ik heb jou niet nodig. Dat is geen fijn leven, maar ze weet niet beter. Ze heeft nooit geleerd wat het is om van een ander te houden, want was er ooit iemand die van haar hield?

Zo Iemand was er wel, maar Anja wist het niet. Pas kortgeleden heeft ze iets over die Iemand gehoord. Van de dochter van de vriend van de jeugdleider – hoe ingewikkeld lijken zulke draden soms te lopen. Dit meisje heeft Anja nu zover gekregen, dat ze is meegegaan naar deze tjokvolle samenkomst van een gemeente. Is het eigenlijk wel een gemeente? Nou, er wordt in ieder geval een toespraak gehouden. En hoe! Om kort te gaan: Anja hoort dat God van haar houdt. En, hoe bestaat het, ze is er echt aan toe dat te geloven. Zo komt het dat ze, met nog wat jonge mensen, meeloopt naar voren ‘om haar hart aan Jezus te geven’. Weet ze wat ze doet? De voorganger spreekt een gebed uit. ‘Amen’, zegt Anja en stapt terug naar haar plaats. Ze voelt zich fijn.

Gaan ze nu naar huis? Nee, de voorganger gaat nog iets zeggen. ‘De hoeveelste is het vandaag’, vraagt hij, ‘de achtste? Oké, prachtdag hè, deze achtste? Maar nou zullen we het nog even over de negende hebben – dat is dus morgen. Je voelt je nu heel fijn. Je hebt ook alle reden om blij te zijn. Gegarandeerd dat er feest is in de hemel over jullie. Jezus leeft! Maar eh, ik moet er nog even bij zeggen, dat de duivel ook leeft. Het zou namelijk best kunnen zijn, dat hij morgenochtend even langskomt. Om een praatje te maken, weet je wel, zo:

  • “Dat was wel een emotionele beweging daar he? Je hebt je er toch eigenlijk vies in laten luizen zeg… ”

O, hij kan het veel beter vertellen dan ik, maar ik ken hem al een tijdje, daarom zal ik je dit zeggen: onthoud goed, vandaag acht april heb jij je leven aan Jezus gegeven. Als je een Bijbel hebt moet je het er even in zetten. Komt de duivel morgenvroeg langs, kun je zeggen:

  • “Heb je de eerste bladzij van mijn Bijbel al gezien? Goed hè!”

Dan is hij gauw weg hoor. Want, hou het staande, jij hebt ‘ja’ gezegd tegen Jezus. En Hij heeft 2000 jaar geleden ‘ja’ gezegd voor jou. En als de duivel komt moet je goed weten, dat je naar Jezus kunt wijzen en zeggen: Hij heeft voor mij betaald, dat geloof ik, ik hoor bij Hem. Het staat in m’n Bijbel, hier en hier en hier. Als je dat een poosje volhoudt, sjonge, dan gaat ie op de loop zeg! Want Jezus leeft – Amen’.

Bij het uitgaan van de samenkomst stopt iemand Anja een Bijbeltje in de hand. Attent. Die heeft natuurlijk gezien, dat zij zonder is. ‘s Avonds tekent ze op het eerste blad een hart met een pijl en twee namen:

Jezus <–> Anja

‘Love’ zet ze er ook nog bij.

De volgende ochtend, bah, een melige maandagmorgen, glipt ze met het Bijbeltje onder haar trui naar de douche (zodat de anderen niks merken zullen). Ze wil dat eerste Bijbelblad opslaan omdat het precies zo gaat als die man gister zei en ze verdorie zelf zou twijfelen of ze het wel echt heeft meegemaakt. Ze doet het Bijbeltje open, maar gaat een blad te ver. Daar staat, in het handschrift van de vorige eigenaar:

  • Dit Bijbeltje heb ik van God gehad, want Hij wist dat ik het nodig had.

Twee tellen blijft ze er beduusd naar kijken. Dan doet ze ogen dicht, handen samen en fluistert:

‘God, bedankt van Anja, amen’.